EEN KASTANJEBOOM.

Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij 't water, staat een wilde

kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een groote boom, die

zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals eiken, beuken,

iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk tusschenbeide

"nog bloeien ook". De kastanje pronkt zelfs met zijn bloei. Hij

draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet minder vertoon, dan

de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich zelven aan ons

voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er sprake is van

een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den titel van

fakkeldrager te voeren.

Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het feest verheugd

en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer groote boomen,

die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even nagaan, hoe

hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te lengen.

Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens eerlijk vragen,

of gij hem zoudt kennen in den winter, "bij winterdag", zooals

de buitenlui het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke

wrong in zijn stam--een wrong als van een reusachtig koord--toont

wel den kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten

dien wrong. Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen

gemeen. Doch wie hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal

aan zijne groote, breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend

door de kleverige harst, die ze reeds van den herfst af bedekt,

en ze, voor het oog en het gevoel beiden, een zeker waas van leven

geeft, in een seizoen waarin alle overige knoppen er dor en droog

uitzien. En niet minder opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder

elken knop zichtbare "kussentje", nl. het litteeken waar het oude

blad aan den tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan

de omringende bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine

stippels, al naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door

schraalheid, slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men

heeft hier namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van

elk blaadje, door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad

(een zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk

jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra

de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes,

de doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die

strengen vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van

een "drievoudig" aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die van een

"enkelvoudig" eikeblad ééne vinden.)

Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins gunstige

omstandigheden, de kastanje aan "uitloopen" te denken. Nochtans

behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril bij, om

dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20sten "in volle groen"

te zien staan. De ontwikkeling van het "groen" toch gaat juist

bij den kastanje ongewoon langzaam: tusschen de eerste teekenen van

inwendige beweging en den vollen wasdom van het loof moet een geruime

tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, om het sterke contrast waar

te nemen tusschen de laatste dagen dat de boom in knop staat, als

een beeld van volle levenskracht en moed en ijver, en de armzalige

figuur, die hij maakt in het daaropvolgend tijdperk, wanneer al de

jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als de ooren van pasgeboren

lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, meer dan een week voordat

zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de lange stelen, die in

den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware blad, dat hen in

ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter rijzen zij omhoog

tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn zij uit hun

eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich uit als

groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand breed.

En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt hoe zij

zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij volwassen,

en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te vallen:

als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. Het

zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de afzonderlijke

bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. Zij bestaan uit vier witte,

ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der twee grootsten is een klein

rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim een zeer licht roosachtige

tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, zooals bij verreweg de

meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat getuigen de bijen,

of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige minuten werkens,

uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren.

In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een krommen stijl

gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes ontwikkelen. Een

blik op de honderden en duizenden bloemen doet een goeden oogst

verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun vollen groei

bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en October

een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik maken. Ik

heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij bereikbare

boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende vrucht

open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit

geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend,

na te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er

omgaat binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij

eerst drie kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee

groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur

aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen.

Natuurfantazieën · 第 41 / 82 题