AAN DE NOORDZEE.

Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te Zandvoort, en te

Domburg,--en wat wilt gij er nog meer bij noemen?--het "badseizoen"

weer begonnen, en de tijd aangebroken, waarop, althans aan de beide

eersten, verschillende natiën elkander aan ons strand ontmoeten.

Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste tijd is Juli,

Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op het eind

van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, onze

zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen

bewoond door het oorspronkelijke visschersras,--de visscherskaste had

ik bijna gezegd,--waarvan het mij altijd verwondert, dat, ondanks de

voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het type

zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche

deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine

oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den

zuidwester, met uw blik, die zoo dof schijnt, maar zoo geestig zijn

kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm vreemden, onder wier

nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren zoo rustig uw

bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds zoo weinig als

het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige parfumerieën

u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen aard, zelfs al

verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of al leent gij

hun, als "badman" en "badvrouw", de hulp van uw gespierde armen. Laat

hen liever gevoelen dat zij iets van u hebben over te nemen. Want

waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in zooverre gezondheid de meerdere

is van ziekelijkheid; gij staat boven hen, zoover als inspanning en

arbeidslust staan boven niets-doen, leêgloopen en luieren!

Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de dagverdeeling

van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald ziek.--Hoe

dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien ik bij nader

kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden van hun

werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan een

verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling,

nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het

eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals

men haar kan noemen,--welk een verfrissching gaat er niet reeds uit

van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor

geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt

zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon;

van ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken zin

en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om omtegaan met allerhande

menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te geven van hetgeen

men ziet en geniet.

Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan uitoefenen,

die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk daarboven,

en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige heuvelen, slechts

met vaal helm begroeid, als afsluiting van 't landschap! Ginds in

de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan den horizont telt

gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de badgebouwen,

door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan den voet

der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u misschien

een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, zijn

de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch

van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat

is daar toch te zien, zou men haast vragen, 't welk het verblijf

aan zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen

kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal

derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben

om bevolkt te blijven?

Vertoef er slechts één of twee dagen, en gij zult het voelen en

begrijpen.

Vooreerst doet het de zee, door hetgeen zij niet is. Zij is namelijk

zóó geheel iets anders dan het tooneel van ons dagelijksch leven en

werken, dat haar aanblik ons reeds daardoor eene onvergelijkelijke

verfrissching bezorgt. Zij is niet het land, met al wat daarop groeit

en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch bestaan op de eene of andere

wijs is verbonden; ik had bijna gezegd, zij is niet de aarde. De

gansche zandige, flauwlijnige omlijsting helpt, juist doordien zij

niets te zien geeft,--niets dan zand en fletse gewassen,--slechts

mede om dien indruk te versterken. Het vage, golvende karakter van

alles om ons heen, geeft ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij

hier niet met menschenwerk te doen hebben; het dichtste bosch, de

wildste bergpartij doen ons niet zóó volop gevoelen, dat wij alléén

met "de natuur" zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is vast,

en de zee is eeuwig bewegelijk.

En de zee treft ons ook wel degelijk door hetgeen zij wel is: door de

eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn en wolkenschaduwen

op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels op haar spiegel,

of het klotsen van de baren vóór, in en na een storm. En is er,

voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher bekoring verscholen

in haar eigene gestadige rijzing en daling,--in dien vloedgolf,

die zoo rustig komend en weer heengaand, getuigt van eene kracht,

waarbij de felste storm nog niets is? Is daar geen prikkel voor den

geest van elk die voelt en doordenkt, in al de verscheidenheid van

kleine aanspoelende voorwerpen,--eene doorloopende tentoonstelling,

die met elk getij vernieuwd wordt? Kan men open oogen hebben, en niet

reeds na weinig dagen eenig hart hebben gekregen voor die ongewone

dier- en plantenvormen, waarmede wij, desnoods onzes ondanks, in

kennis gebracht worden?

En dan is er eindelijk het sterk sprekende contrast tusschen

die afzondering en eenzaamheid,--dat uit-de-wereld-zijn, dat men

hier gemakkelijker dan ergers kan bereiken,--en het bont gewoel

der badwereld op een paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze

scherpe tegenstelling, worden wij er ons diep van bewust, dat in het

leven van ieder menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar

aanvullende machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit

geheel het gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij

slechts willen, ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben.

Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg opgestaan,

vroeger dan gij 't in de stad gewoon waart;--gij hebt gebaad of

wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan kijken, of

wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt gij met

een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste duinrij

getogen. De zee is kalm; het is een jour de dame: de zon schijnt

bijna door de dunne wolken heen. Maar het werken wil niet vlotten,

en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat t'huis, aanstaanden

winter, genoeg doen kunt. Het valt u moeielijk, uw blikken van de zee

af te houden. Indien gij Heine kent, lokt hij u in verbeelding naar

Norderney; zoo gij Schleiden hebt gelezen, vliegt gij met hem over

naar Helgoland: wie weet welke andere lievelingsdichters u ongemerkt

naar fransche, britsche, noorsche kusten heentrekken. Eensklaps

valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die een pas of wat van

u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de golven: op haar eigen

houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit een land waar palmen

groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een verongelukt schip? Waar

zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... En gij ziet er

gindsche visschers, die bezig zijn iets aan hun pink te timmeren,

eens op aan, hoeveel gevaren het zeeleven meebrengt; en gij krijgt

sympathie voor hunne avonturen. Onwillekeurig raapt gij af en toe een

schelp op of een horentje, afgelegde omhulsels van vergane zeedieren,

die in plaats van inwendig geraamte, slechts deze uitwendig op één

punt aan hen vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne

weekheid hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig

langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een

rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen

aan dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft,

hoe het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt

eer men het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit

een gevolg is van de "zoutzure magnesia", die er aan was blijven

hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en

hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten

er het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen.

Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen

zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de

pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en

zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een

mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne van hebben. Gij

voelt u minder vrij dan 's morgens, maar hebt daartegenover het

voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er zijn er bij,

die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien zoudt,

stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was 't alleen maar om

te weten welke taal zij spreken; ontmoetingen, waarnaar gij wenscht, en

andere, nieuwe, die u misschien boven het hoofd hangen. Gij hebt reeds

heele, halve, groet- en aanspraakkennissen; en loopen er soms onder,

met wie gij liever niet tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,--de

talrijkheid van 't badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg

om die te ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; 't

is een prachtige avond geworden en 't blijft licht tot negen uur,

half tien toe.

Doch eer het donker is, komt er één oogenblik, of liever één kwartier,

waarin de meeste gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar

één zij gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is,

als daar het drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet,

het oogenblik nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon

daalt merkbaar; en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij

haar in het aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare

verblindende stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten

afscheid groeten. Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op

het water. Daar duikt zij onder; nog een klein gedeelte en zij is

verdwenen. Maar alsof dan plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo

schitterend rood verft zich de plaats waar zij is neergezonken,--de

zee, zoo even donkergrijs, wordt paarlemoerwit en de nevelen,

waarvoor ons Noorden berucht is, doen zich dan eensklaps gelden als

de luchtgeesten uit een sprookje, en maken van het halve uitspansel

een kolossalen ongestreepten regenboog. Onwillekeurig zwijgt men. Ik

ken menschen, die nooit vroom zijn, dan alleen op zulke oogenblikken;

menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid of redeneering, gewoonlijk

alle godsvereering van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten

voor de geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in

stilte den raad des dichters volgen:

Laisse aller ta prière où ton âme l'envoie:

Ne t'inquiète pas, toute chose a sa voie,

Ne t'inquiète pas du chemin qu'elle prend!

Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na weinige minuten

verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij.

Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel en sterk,

als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd heeft. Het

zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw spraakzaam. Het

is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de menschen zich

inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon veranderd. Een

groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang terug: het wordt

stiller op het strand en rondom ons, naarmate de duisternis valt, en

de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij in vertrouwelijkheid

of in verheffing, min of meer het alledaagsche overschrijden.

Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers huiswaarts naar hun

grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan iemand vinden,--het

is een tref, maar als men 't treft, is het een groot voorrecht aan

een badplaats!--die het gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden

met een aardigheid; die de kleine feiten van den dag artistiek opvat,

of een oude anekdote handig weet te pas te brengen; die de kunst

verstaat, òf om zelf te vertellen, òf om het gezelschap aan de praat

te brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen,

dat het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren.

Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche verscheidenheid,

wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of ander veld

van eer (om 't even van welke soort) verloren krachten, aan ons

noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun gezondheid

hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; en mogen

zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met nieuwe

plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch badman

behoeven te schamen!

Natuurfantazieën · 第 39 / 82 题