OP DE BLOEMMARKT.

Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd niet, waar ik het

liefst de lente haren intocht zie houden: op haar eigen gebied, in

de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij dan eensklaps

tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg plekje en in

ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten teeken

van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van 't

vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van hartstocht

voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en stadsvesten

met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende vlierstruiken,

en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de bovenramen,

en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis, zoo ik

er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel aantrekkelijkheid

heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des vrijdags morgens,

zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit jaargetijde is

zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen; en mits wij

kans zien de al te gedienstige dragers een weinig van ons af te houden,

kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is 't een recht vermakelijke

tocht. Het zijn juist niet de "fijnste", nieuwste bloemen die hier

prijken, de glorie van de kweekkunst; maar het zijn meestal goede

kennissen die het ons genoegen doet in welstand te ontmoeten.

Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen; welk een rijkdom

van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al heel wat uit

kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van haar grootte,

voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te krijgen: wij

weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar op die

blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt zijn

door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen,

omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij

helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene

eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen

uit de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden

lichte en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en

juist dienen moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen,

in gesloten gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het

hoogst groeien, en de Cineraria's en de Calceolaria's, en de Fuchsias,

en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze potten

laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode schakeeringen,

maar de meesten vuurrood. (Waterloo's, "Only showflowers" hoorde ik

ze eens niet onaardig noemen.)

Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer Verbena's,

wier fraaiheid stellig beter gewaardeerd zou worden, als zij maar een

beetje geur hadden; Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia's,

wier helder goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat

zij uit het "goud-land" Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die een

nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die er onlangs

weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,--de gewone inlandsche

"smeerwortels" in gala-tenue; Verbascums, in het wild bekend onder den

naam van "stalkaars", en Achillea's onder dien van "hazegerf". Voorts

zijn er Antirrhinums, "leeuwenbekken",--in verschillende fijnere en

grovere tinten; Spiraea's, met haar sierlijke pluimen; groote dubbele

Paeonea's, waarvan ik niet recht weet wat ik het mooist vind: de

losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren; Reseda's tot boompjes

opgekweekt; Erythrina's met hun zonderlinge vruchten die, als zij van

den winter open zijn gesprongen, en de zwarte zaden helder tegen de

vuurroode binnenzijde afsteken, den niet onbegrijpelijken naam van

"koraalrozen" zullen dragen. Vooraan staan potjes met Violen, met

Vergeet-mij-niet, of de dikwijls in plaats daarvan verkochte kleine

blauwe Lobelia's, en allerlei "laag zaadgoed". En ter zijde van het

kleurig vierkant staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende

heesters, voornamelijk Thuya's, met een kluitje aarde in een stukje

mat gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij

elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo,

"om mei-wijn mee te maken"; en ten slotte graszoodjes, bestemd om

leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het vrije veld te

doen droomen. Landslui in gevangen staat worden licht goede vrinden:

dat zal misschien ook het geval zijn met zoo'n vogel en deze gras-

en klaverplantjes, wanneer zij van avond samen opgehangen worden in

een gang, die licht krijgt uit een dwarssteeg.

Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts uit dankbaarheid

voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers meenemen:

grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten;

en die chineesche ginds,--dat zal de duurste wezen;--en ja, die

duizendschoonen,--dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge soms

deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel

ten onrechte ons influisteren, dat "ze pas van ochtend uit den grond

zijn genomen", en dus allicht geen wortel vatten zullen, neem ze toch

maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor al de rest.

Natuurfantazieën · 第 37 / 82 题