EEN BOSCHTOONEELTJE.

Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde gemoederen, want ziet,

"het jonge groen" is nu werkelijk daar! Wij wandelen op een landweg,

in een der schoonste gedeelten van Holland, als het ware in een koker

van groen: onder ons het welige gras, met zijn afwisseling van kleinere

plantjes, rondom ons laag en hooger kreupelhout, bloeiende heesters

en opgeschoten fluitekruid, en boven onze hoofden een gewelf van

lindentakken, niet gesnoeid of geleid, maar van nature zoo gegroeid.

Het jonge groen! Welk een verscheidenheid van tinten en van vormen

ligt daar opgesloten in die woorden! Daar zijn, om 't dichtst bij te

beginnen, de kleine blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte

precies het fatsoen hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November

behouden zullen; zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt

niet meer van vorm te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens

en meisjes van ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd

reeds juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. Geheel anders

is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den knop komt,

dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die plooien

niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het elzengroen,

met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige omhulsels te

voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of wat rechtop

blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens goed wou

kijken hoe 't er in de wereld uitzag. En dan staan daar de berken;

zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de meeste

voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst treuzelen,

beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider jonge

bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in

het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat

later moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien;

die der populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden

af naar het midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en

dennen met lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen

naaldenschat, en strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel

uit, ten behoeve van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is "het

jonge groen"; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen,

en juichen om het mooie weer.

Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje verzameld, en zijn,

al bloemen zoekend, van het ééne pad in het andere gedrenteld. Eerst

was het, op een open plek, de allerliefste blauwe eereprijs die ons

lokte; daarna viel ons een menigte van bloemen in het oog, melkwit met

groene strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar

door haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen

naam van "vogelmelk" dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een

helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met

de fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine "harlekijn". Wij

weten het niet recht, maar wij beginnen te vermoeden dat wij binnen

de omheining van een oude buitenplaats zijn; het nette onderhoud der

paden, de meer park- dan boschmatige aanleg versterkt ons telkens

meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er eenmaal, wij zullen

geen baldadigheden plegen, maar wagen het te blijven en door te loopen

"tot wij verjaagd worden". En wij wandelen door... tot wij plotseling

voor iets heel ongewoons staan....

Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van voren en

van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel van

hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een

boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een weinig meer

opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen geheel tot

tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van zodenbanken,

en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon beschut,

blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden van

het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of "foyer"

konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte greppels zorgden voor

het gevaar van modderachtigheid in het parterre. 't Spreekt van zelf

dat wij ons nederzetten op de banken, en dat een uit het gezelschap

op de groene "planken" ging staan declameeren; en dat voorts elk het

zijne zei over deze antiekiteit.

"Hoe aardig!" riep de meerderheid, onder den eersten indruk.

"Hoe kinderachtig!" zeiden enkelen. "Hoe popperig!" "Hoe

bekrompen!" "Hoe kleingeestig!"

"De pruikentijd in levenden lijve!" bracht iemand in het midden. "De

bloeitijd van het dilettantisme op alle mogelijk gebied. Mij dunkt,

je hoort al in verbeelding de produkten van den een of anderen

prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche mythologie er bij haalt,

om den 50sten verjaardag van den heer van 't dorp, of de bruiloft

van diens dochter te vieren. Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!"

Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het tooneeltje

heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren hagen

"als zoodanig", vond ik ze hier zoo geestig aangebracht, dat ik er

niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om den pruikentijd te

verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, wat betreft de

gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen vóór had. Het

valt mij in hoe Van Lennep die verdediging ergens heeft op zich

genomen, en ik kan niet laten iets van 't geen hij daaromtrent zegt,

in herinnering te brengen.

"Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie in een staat van

diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige vrede, dien zij

had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen

en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht

had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, gerust

insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt

was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik weet dat niet; ik

zal mij althans wachten een geheele maatschappij... te veroordeelen;

ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Ik verzeker u,

dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte

dan thans; als men bouwde, al was het maar een onnoozel koepeltje,

dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik eigenlijk aanmerken

wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang

waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan banden te leggen; ieder

had het gevoel, dat, wanneer hij in een gezelschap werd toegelaten,

zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel

tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; en dan bleek het,

dat wie het meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en

zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf het

meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de politiek aangaat, spanning

tusschen de partijen in den staat was ontstaan, en somtijds lieden

van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten,--men had

de welvoegelijkheid, niet altijd en overal over politieke vraagpunten

te twisten. Enfin, men wist toen nog te "praten", wat de Franschen

causer noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en

door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf

in dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over dienstboden

en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer

onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker

waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen wordt door eene

goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden, en vooral

door de gestadig aangekweekte zucht om elkander aangenaam te wezen. Men

ontmoette in dien tijd, zoo goed als nu, menschen, die dom, enkelen

zelfs die vrij belachelijk waren; ook nu en dan bewees deze of gene,

dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; maar de dommen hadden

doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en

vormden alzoo als het ware "het publiek"; de belachelijken dienden tot

vermaak van de anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten

zich wat beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen

der ordentelijke menschen te worden geweerd. En noeme men nu die

toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men

wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender,

aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige

les en goed exempel aan zou kunnen nemen."

Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets aan toe of af

te doen, te meer omdat het "tegenwoordig", waarover hij hier juffrouw

Stauffacher laat spreken, op zijne beurt alweer zoo lang geleden

is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd zekere maatschappelijke

deugden te weinig in tel zijn, in verhouding tot anderen. Zoo vraag

ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek voorbeeld te noemen,

of er niet werkelijk meer waarde voor de maatschappij ligt in de kunst

om met goed gevolg als ceremoniemeester op een feest te fungeeren,

dan in de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in

natuurkundige wetenschappen?

Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een plaats als

leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij doet dit

liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend deelgenoot

in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu meer aan zijn

wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent geworden bij den

een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in die wetenschap

had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van wetenschap namelijk,

is zijne wereld; ik weet niet recht of hij specialiteit is in schei-

of wis-, plant- of dierkunde, of wel in datgene wat, buiten deze om,

"natuur"-kunde genoemd wordt; maar in hetgeen waar hij voor opkomt

munt hij uit. Doch voor hetgeen daar buiten ligt... is hij weinig

of niets. Hij "moet" een weinig achting toonen voor de andere

takken van menschelijke kennis, die op school gedoceerd worden,

en hij spreekt daar ook soms over; maar eigenlijk zijn zij hem als

een gesloten boek. Het ligt aan zijn ontwikkeling, misschien reeds

aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten doorstudeeren, had geen tijd

tot iets anders, en bewoog zich te huis altijd onder menschen, die

beneden hem stonden. Dit een en ander maakt hem thans teruggetrokken

en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de stoffelijke natuur heeft

ook aan zijne levensbeschouwing iets stoffelijks, laat ons gerust

zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de goedhartigheid zelve, durft

hij aan zijn gemoedsleven geen stem te geven in zijn oordeel over de

grootere vragen der menschheid, omdat hij gewoon is niets te eeren

dan: wiskunstig denken, toegepast op zinnelijke waarneming. Hij haalt

eigenlijk de schouders op over de stad zijner inwoning, omdat er... zoo

goed als niemand is met wien hij kan praten,--want hij bedoelt daarmede

praten over zijn speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe

eenzijdig zijne ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn

zou met lieden, die, al waren zij dan ook zijne minderen op 't punt

van natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat

verder noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is

schuw en verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen;

hij beweert, dat hij "boven die vormen verheven" is, en dat zij maar

overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half onbewust,

dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van gezelligen

omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim van die

huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een feest,

van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn plaats;

zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij zulks

als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er eigenlijk

aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een zwart of

spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn medegasten.

Stel nu daartegenover een ander. Wat hij "van zijn vak" is doet weinig

ter zake; misschien ook leeraar, of bij voorbeeld koopman, lid van

de eene of andere firma, op wier kantoor hij dagelijks werkt, zooals

honderden anderen op hunne kantoren. Maar 's mans eigenaardigheid

ligt in iets anders: in zijn gezellige talenten. Reeds vroeg heeft

hij van een begaafde moeder, in een goeden kring, den grondslag beet

gekregen van zijn echte beschaving, die gedurende zijn opvoeding meer

en meer is ontwikkeld, en waardoor hij nu velen een niet te berekenen

vreugde bereidt. Want wie zal "berekenen" hoeveel levensvreugd er in de

wereld opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving

te leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie

zal meten hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking,

waarin een aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar

en hoog genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna

afwegen hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek,

de wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk

van een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een

man zooals ik bedoel "goud waard". Niet alleen dat hij zelf aardig

praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke

verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar

hij weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen

wakker te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij

uit botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te

maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten

die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de

hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen één

kunst of wetenschap iets meer dan "dilettant", heeft hij oog voor

het belangrijke in alles, en een grooten takt om daarvan partij te

trekken ten bate van het gezelschap. In tegenstelling met al wat er

afbrekends, verbrokkelends, ontledends is in onzen tijdgeest, heeft hij

eene groote mate van verbindende kracht. De gasten, die zich naar hun

gevoelen "vrij en ongedwongen" bewegen, werken onder zijne leiding

allen mede aan een welgevormd plan. Hij is geen "natuurkundige",

maar heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden,

als daar zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling

van rust en beweging. Hij laat zich niets op "wijsbegeerte" voorstaan,

maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te

genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan "pret". Hij

ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die bij elke feestelijkheid

kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen van bespot te worden,

als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt, en als hij teêre

snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens, die in de aanwezigen

rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij kent de weelde van

zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een mensch zich bedriegt,

die meent dat plechtigheid het tegendeel van vreugd is; hij voorziet

dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks ten goede zal komen

aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die vroolijkheid is

onder zijn bestuur zóó vroolijk, dat de deftigste lieden vergeten te

bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg is....

Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van het

boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan 't mijmeren in het jonge

groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van

ons wonderlijke menschenleven, dat "zoo velen medeleven, maar zoo

weinigen verstaan!"

Natuurfantazieën · 第 35 / 82 题