"H. M. de Koningin zal overmorgen haar kasteel te Windsor betrekken,
en aldaar eenige weken vertoeven."
Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, zie ik reeds
in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het welbekende
teeken van H. M.'s tegenwoordigheid op het kasteel), en breidt zich
eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in al zijn
heerlijkheid voor mijne oogen uit.
Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. Velen onzer
hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen gezien, maar dan
waren die doorgaans òf tot bouwvallen afgebrokkeld, òf tot gevangenis,
wapenhuis of iets dergelijks gedegradeerd. Een oud versterkt slot
echter, zoo geheel in zijn middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans
zoo goed onderhouden en keurig ingericht, als voor de woonplaats
van een der voornaamste europeesche hoven van onzen tijd betaamt,
vindt men niet licht ergens anders dan te Windsor.
Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers voor eenige
fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras bezoeken,
en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de meubileering
der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling tusschen
het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig comfort
van H. M.'s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor verblijf houdt, is
natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer ingekrompen; maar
m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de meerdere levendigheid
en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje heerscht. Het is
dan bijzonder aardig, om van den hoogen "ronden toren", dien men ten
allen tijde mag beklimmen, op de ruime binnenplaats neer te zien,
de vuren in de bewoonde appartementen te zien flikkeren, de warmte
der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en voorrijders af en aan te
zien rijden, in één woord een blik te slaan in het groote huishouden
beneden.
Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat sommigen
misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden kunnen
noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste
vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige
mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,--een afstand die
jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar
tot nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het
liefelijke van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken
van Londen zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid
van het engelsche landschap leent er zich geheel toe, om rondom de
hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet
in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk
bewoonde gedeelten van Europa's vasteland; oorspronkelijke wouden
vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten
zijn meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid
van alle natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het
gezellige, parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken
kenmerkt, en waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen
landbouw, hun dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar
één samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt,
spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke
zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen
heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing
in het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen,
en toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te
voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen
tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel
de weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van
volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland
groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt
van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij,
wij hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en-
zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen,
eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan
te treffen, vindt men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij ons,
zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht een
boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle kanten uit kan
groeien en zijn grootsten omvang bereiken: één blik op eenige engelsche
landschap-gravures kan ons toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen
ten achteren zijn. Dit een en ander kenschetst het karakteristieke
van hun landschappen. En indien men dan ten overvloede een rivier
als de Theems in het oog krijgt, niet breed, maar allersierlijkst
kronkelend.... Waarlijk de "country" rondom Londen is verrukkelijk;
en aan ieder die de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje
naar Windsor, als proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het
aangenaamst in "het schoone jaargetijde"; maar door den overvloed van
wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook
vroeg in 't voorjaar, laat in 't najaar, ja zelfs in het hartje van den
winter recht behaaglijk. 't Is inderdaad merkwaardig, hoeveel prachtige
ceders en naaldboomen er prijken op de grasvelden der parken; hoeveel
hulst, ligusters en eene eindelooze verscheidenheid van groenblijvende
boomen en heesters, (tot groenblijvende eiken toe), men in de tuinen
vindt; en welk een schat van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt,
zweeft, klimt en guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen,
hekken, huizen en heggen, "Ivy lodges" en "--cottages". Natuurlijk
hangt deze liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche
aristocratie, om bij voorkeur den winter op het land door te brengen,
en is zij vandaar gaande weg naar de lagere standen afgezakt.
Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens onwillekeurig
terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in zoover het ons
een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de meeste,
later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een
halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks
den naam van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en
hotelstraat, welks ronding die van den muur van het slot volgt,
laten een niet onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken,
late zich de slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het
schoone witmarmeren praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin
van koning Leopold I van België).--Maar vlak tegenover Windsor,
door een fraaie Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel
grootere stadje Eton; en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton
het wereldberoemde college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben
niet, sinds verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte,
hebben niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle
mogelijke helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere
kringen spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te Eton
school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte
die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet,
eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond
mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw,
zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend
en niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de
half uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en
trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag middag;
de kweekelingen, Eton-boys, zooals zij in de wandeling genoemd worden,
liepen aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar
aan hun zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en
dassen... Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen?