"Pallem-pallem-paschen!..." klinkt het jaarlijks alom in
kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een
voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg
inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van
een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken,
en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij
zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan
zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun
"Pallem-pallem-paschen!"... met nog eenige moeielijk verstaanbare
klanken er achter.
Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die "het van dergelijke klanten
moeten hebben", kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen,
bekend maken. 't Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate
dat het groot en weelderig is,--waaraan een sinaasappel en een paar
appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en
papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van
den welbekenden buks- of palmboom.
Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord
had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien
naam van "palm" gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst
tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal
grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde ("een-zaadlobbige"
[2]) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten
aan de Bildt van ouds den naam van "Palmmarkt" dragen, staat de
Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den
Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in
het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de
eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen,
vertegenwoordigen het daverend "Hosanna", dat in zeker onvergetelijk
drama zoo kort aan het "Kruist hem" voorafging!
Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin
verhaald wordt hoe in 't Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte
palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de
kardinaals voor 't altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in
andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters
met olijventakken in de handen; hoe men zich in 't gebergte vaak
met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte
wilgenteentjes dienst doen.--Ook bij ons in 't Noorden moest
natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd,
een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt
men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan
nauwlijks uitgebot. 't Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo
slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes
vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor
't doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven;
en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk
te krijgen. Eenmaal geregeld "palmdienst" doende, kreeg hij den
naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk
gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht
"onreine geesten" te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van
't volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere
tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden
verspreiden, verhindert niet dat "palmboompjes" tot de meest algemeene
huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door,
palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen
't inslaan van den bliksem.
Den ganschen winter door kroop hier en daar in 't bosch, in tuinen,
en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met
vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de
eenige verdienste was,--dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds
kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een
paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van
't loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men
aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En
indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich
door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is 't niet
vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, 't zij in
vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der
bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets
bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te
weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf
het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga
dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch
om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er
haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar
zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En
zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde
voor die teedere gave.