RONDOM EEN MOLSHOOP.

"Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het

gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen

spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en

den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe

beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke

lente."--Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen,

die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk's werken

zullen uitmaken.

Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld;

benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er

beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en

ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!

Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan,

in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de

plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan

paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De

paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels

nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij

die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens

vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te

vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet

zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken

in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die

pooten zijn voor ons 't belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm,

èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In

onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol,

gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om

te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar

merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen

tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander

maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen,

die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken;

en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin

die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar

het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te

maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen;

mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk

tot de "molshoopen", welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer

paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij

is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun

deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn

bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop

voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar!

Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?--'t Hangt er

van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga,

zorg ik, dat ik met een volle t'huis kom; maar houd onderwijl mijn

oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op

het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid

afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren

die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het

eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en

geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten;

en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en

met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet

deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou

mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend!

Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op

mij uitoefent?--Het was een tuinman uit de buurt. Hij was 't, die mij

de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in 't voorbijgaan,

ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit

verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen

ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet

spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste

geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als

over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare "griezeltjes", die ik

om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte

en die gele "spikkels" van de weide leerde kennen en liefhebben; die

mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag:

"hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?", en mij de pret van "'t

kaarsjes blazen" dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit

een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte

zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in

't seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij,

aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder

aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....

In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het

beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat

voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het

teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede

het "onpraktisch" karakter van zijn lessen. De jongens hollen door,

beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur

ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen

wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn

duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel

uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit

niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee,

dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd

vele beesten en gewassen "uit elkaar te leeren kennen", als wel om

hen "in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode", die

hen helpen kan "een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de

mensch in de wereld inneemt", enz. De ander echter blijft van oordeel,

dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest

heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen

rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat

gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden

degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het

niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan

onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen,

dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap,

en tusschen de "methode" van verschillende scholen; maar ik heb alle

reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want--om slechts bij de

weide-"stippels", die wij straks bespraken, te blijven:--indien ik met

belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de

vorm der meeldraden van de "boldragende ranonkel" tot bewijs dient;

indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de

roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried's laatste

bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan

voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad

vertellen,--dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is,

die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft!

Natuurfantazieën · 第 19 / 82 题