Zoo luidt sinds eeuwen Februari's bijnaam; en in oude almanakken ziet
men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen,
met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken,
om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar
te zamelen.
"Waar men hout hakt vallen spaanders", zegt het spreekwoord; en niets
is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid,
dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn
er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die
graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos
zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een
boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins
"door merg en been", als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke
hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden,
anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den
aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop
der jaren als het ware een individu is geworden, een "iemand", zonder
wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen;
een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield
voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken,
in 't voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw,
in 't najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des
winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is 't ons vaak of er
een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber
werk verrichten. En is dit niet min of meer 't geval met alle boomen:
brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk,
iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke
Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die,
om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens
denken aan de arabische spreuk:
Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen.
Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden
aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van
sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge
boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur
gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge
aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder
aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen
van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in
de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig
beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,--omdat men er
meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen,
of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag
geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den
duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje
is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een
boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die
linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit
zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen
wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele
wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste
van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt,
en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En
wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat
een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft,
dat zij "ongezond zijn"? Ik weet een stad, waar vroeger overal,
langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede
punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden,
en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien
men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben,
zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten
wachten tot zij weder groot zijn!--En dan komt het maar al te dikwijls
voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is,
iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt
het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom,
een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat,
op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover
vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in
hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller,
zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels
bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag
men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht
aan haar lot overlaten, als met een "après nous le déluge"? En is
er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in
't zien opgroeien van wat men heeft aangelegd?
Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend
is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel
jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus
Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te
doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke
reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer
deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen
trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, "in jammer en in lijden",
en riep "Maria-Moeder, de reine maagd" tot getuige, dat hij gedaan had
wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet,
de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een
wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En
hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat
er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser
doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn
wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met
Wagner's blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem
gedane wonder genot late hebben,--de dorre stok met groene blaadjes
staat daar als lieflijk beeld van de "eeuwige genade", die meer is dan
"straffende gerechtigheid".
Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die
een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg
geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien
ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in
Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij
namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar
waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt,
zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met
een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming
aan op een vorstigen Februaridag, en moesten "gekuild" worden tot
de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een
stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden,
om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar,
en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en
daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen
liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors,
om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden
beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer
een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van
gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan
dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en
wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van
't geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste
blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor
iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne
eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid
geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar
de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is
het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij
tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang,
of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij
niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel,
hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten,
bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in
het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds
bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde
jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige
landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon "groen
gewelf" zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van
leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen
in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken
geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein
geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij
Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van
de prachtige houtpartijen rondom 's Graveland bestond niets, totdat
vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde;
en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad
had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer
groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans "de schoonste
beukenlaan van Nederland", de veelgeprezen laan van Middachten is....
De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt:
"maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht".