Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne
wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij
het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als
sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig
te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe
vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij
brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets
anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen,
waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde
die er voor bloemen heerscht.
Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen
het feestelijke van onze feesten,.........
Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot
en klein, vooral voor 't venster, zelden aan "een bloemetje"
ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt
doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige,
gezellige, verkwikkelijke menschen, "gelukkig voor zich zelven en
een ander," zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan
vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun
eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich
doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk,
vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting,
zoo goed als een gordijn, een chassinet of "horretje". Maar terwijl
eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter
blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes
uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een
stuursch: "Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken",--verbiedt
dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en
groet als 't ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf
de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl
er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat
nader bekijken.
Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de
Begonia's. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze
variëteiten, van de "ouderwetsche" eenvoudigsten, met donkerroode
bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen
en zilver.
Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,--drie dingen trekken
bij alle Begonia's, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten
eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad,
waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben,
wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee
helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten,
hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de
plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede:
de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de
anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen
zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen,
vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate
zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde
aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer
in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij
elkaar staan.--Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de
jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit
Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas,
geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene
hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds
in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot
het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt
niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.
Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange,
dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen
verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan
denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk
drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan
ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein
zijn als de, minst in 't oogloopende, witte, van de oudste soorten,
of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez,
zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de
fraaie "bolbegonia's" over; de gewonen zijn en blijven in de eerste
plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren.
Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche
bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte
bladeren--wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid
dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is--doen zich aan
het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al
te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen
wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig
aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of
veranda's, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer
sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den
tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een
dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den
bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste
van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den
regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons
de kleurenwisseling van 't loof alleen normaal doet voorkomen gedurende
den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?--
Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort
de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden,
teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met
zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven
uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene
menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven
op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot
haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid
tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen
zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen,
gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf
afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien,
zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de
bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel,
afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den
stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo
spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo'n kroontje van hare
plant loslaat in volle kleur en frischheid,--'t is kinderachtig,
maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan
vast te willen maken.
Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula's op den kouden
grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of
"Primulaveeren", of "Bakkruidjes", zooals de tuinlui ze plegen te
noemen; de "Primevères" der Franschen en de "Primroses" der Engelschen.
En dan hebben wij ook inlandsche Primula's, sleutelbloemen die hier
in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige
bosschen en herkent ze dan aan haar "faux-air" van de in den tuin
gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen
dan hier; althans ze bloeit onder den naam van "cowslips" in negen
van de tien engelsche romans.--
Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel
haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer-
dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de
kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen,
beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene
plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het,
daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of
men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.
Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt
daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied
dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat
al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets
aan, wat men in een mensch "gemaakt" zou noemen. Misschien ligt die
indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg
had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid
heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden
werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve
aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend
struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij
te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar
vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen,
zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen
dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te
zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps,
iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes,
zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen
der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van
een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van
top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak
daar recht vrede mee hebben.
De kamer-winter-Azalea's doen mij altijd dubbel verlangen naar
een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit:
de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar
vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat
aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen
achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel,
hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden
en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen,
haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere
steeltjes,--dit alles geeft aan het geheel een veel losser en
sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de
andere heeft is... haar heerlijke geur!--
Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of
ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind
eene "winterroos" hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op
aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien
tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe.
Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze "rood en wit bloeien",
en haar geur, volgens Geibel's gloeiende regelen, "gelijk een adem
uit het paradijs over de velden rondwaart!" En ziet dan nog eens
uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in
't geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos
te lijken?
't Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud,
in het doodsch.
Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle
wintergroen kenmerkt. "Wintergroen" is het door zijn zware opperhuid,
die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als
menschen, die in 't geestelijke "een hard huidje" hebben. In kleur
en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen
eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig
doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad
alles wat inwendig voorvalt.
Doet ons de opperhuid van 't groene blad aan leder denken,--die van
het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren
dan ook juist in hun Camellia dat "wasachtig" aanzien. Het zou
misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant
heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat
leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in
een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer
onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als
menschen aankeken?
De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat
men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite
slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien;
en, mits 't een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang,
onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen 't groen laten hangen. Een
gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De
schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft;
de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere
nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat
het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En
haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het
uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder
dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in
die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en
langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag
geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed
doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft
nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.
Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak
uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke
eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo
schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de
gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het
fijne tintenspel nog daargelaten,--is niet ieder rozenblad, in vorm
en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen
is toe?
En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia,
met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of
de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende
lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid
harer twee en drie ongelijke kelkslippen!
Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!...
Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde
boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij
dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene
roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen;
als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;--en alle
doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van
het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering
kunnen brengen.
Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien
sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden
opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst
gun, niet altijd aan 't vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste,
maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk.