MEEUWEN.

Wij zaten vroeg in 't voorjaar aan de open tafel in een Amsterdamsch

logement.

Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier wat de Franschen

daarvoor plegen te zeggen: "On parlait la pluie et le beau temps."

"Mooi weer vandaag!"

"Het zal niet lang zoo blijven."

"Waarom niet?"

"Er zit zoo'n bank in 't westen."

"Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien vliegen."

"Dat geeft regen!"

"Dat geeft sneeuw!"

"Dat geeft nachtvorst!"

"Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op één punt zweven, dat

is altijd een goed teeken."

"Als zij duiken, dat is een slecht teeken."

"'t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, om haar voêr te zoeken."

"Wat zouden zij dan eten?"

"Insekten en visschen."

"Ik geloof niet aan meeuwen."

"Ik wel."

"Wat gelooft u er dan van?"

"Wel, dat ze weêrwijzers zijn."

"Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen is er storm op

zee. Ze waarschuwen de schepen."

"Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een ander dier."

Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan met deze

heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel mogelijk op

hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik niet weet,

welk soort men daar op het oogenblik vóór had. De kenners maken een

groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of kapmeeuwen. De

laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de jaargetijden

wisselt, zoodat zij 's zomers een zwart kapje schijnen op te hebben,

zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. Zij nestelen in het

riet, aan de boorden van meren, rivieren en plassen, vliegen hier

van April tot September rond en gaan dan naar warmer streken. Zij

leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, door o. a. groote

hoeveelheden meikevers te vernietigen.

De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij zijn

trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het

winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en

eerst als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker

afzakken, en ons zeestrand, den buitenkant van onze dijken en duinen

bevolken. Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van

den winter een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar

barre, zeer onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling

in de natuur, zijn loon meebrengt.

Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar al te goed

kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een vuilwordende

laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch landschap al

wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, doordien water,

land en zwerk éénzelfde vervelende tint hebben. De zee echter is dan

nog niet bevroren; haar zoutgehalte en haar altijddurende beweging

houden dit lang tegen; en de duinen... zijn dezelfden die zij in

Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat opgewaaide sneeuw,

die hun niet slecht staat. Als in elk ander jaargetijde, bieden zij

ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke ontspanning aan voor

den langs rechte vaarten en vlakke dijken afgematten blik.

Op 't strand kunnen wij ons vermeien in 't aanschouwen van dat

zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee noemt; en

het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in 't oog. Een paar

zwarte stipjes op het water doen zich weldra als zwemmende zeeëenden

kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of wat plevieren en

strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien zijn ook hier

natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te zien. Maar

de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al zeer

gemeenzaam met haar moeten wezen, om op een afstand uit te maken,

of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of wel

"Burgemeesters" zijn; doch om het algemeene meeuwkarakter aan haar te

herkennen, behoeft men juist niet "wetenschappelijk gevormd" te wezen.

Met lust blijft onze blik rusten op die licht-blauwgrijze groep. Welk

een leven en beweging, welk een verscheidenheid van stand en

houding! Juist dit maakt een troep meeuwen zoo behagelijk om aan te

zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo van-alle-markten-t'huis--men

zou bijna zeggen, zoo "veelzijdig ontwikkeld" zijn. Zij kunnen, wat

slechts weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en

goed zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend

als zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het

kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn

zij blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en

vaste woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort

te bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik

nimmer zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de

meeuwen, wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en

bevalligheid tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen;

welk een kracht in het zweven en "staan"! Misschien werkt de zilvertint

iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te maken, maar

stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en bewegingen te

danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op het water,

hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, ofwel

bijna onbeweeglijk boven op de golven dobberen, zoo licht en luchtig

of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin van duikelen, zoo

als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich omlaag buigt,

terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen niet; maar zij

zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder water te duiken,

als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog gekregen hebben;

en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook over haar heen

slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er zich minder

behaaglijk om voelen. Maar 't zij zwemmend, of vliegend of dobberend,

zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog een onafscheidbaar

deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten dit. Stelt u een

"zeestuk" zonder meeuwen voor: gij zult er iets op missen, al weet gij

niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit Heine's "Meereslieder",

en zij verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden.

Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten vliegen, aan

ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die vraag meent

of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er "ja" op te

antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in kleinen getale ook hier te

lande broeden, en dus als het ware hier, wat de oud-Hollanders kantoren

of factorijen plachten te noemen, aangelegd hebben; doch de groote

menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. Het echte land der

meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, en de op diezelfde

breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een der mooiste soorten,

de drieteenige meeuw, zoo genoemd om de eenvoudige reden, dat zij

slechts drie, door twee zwemvliezen vereenigde teenen, en niet ook

nog, als anderen, een kort, achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij

zwerft in 't gure jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier,

en zelfs aan de fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit

beneden de 58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze

als de eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart

en blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet alleen

tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig noorsch

landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen afwerpen,

wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. In enkele

streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is men

het eens, dat dit te "visschig" is om lekker te wezen. Trouwens

dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend van

visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid:

zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven

dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar

ik nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of

deze niet ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou

mij zeer bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel,

met grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of

op vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls

zeer moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa

der meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde

vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den ganschen

zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van

een plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half

Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten,

ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar

komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug,

waarvan de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert.

Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, toen hij

voor 't eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog kreeg. "Toen

ik mij gereed maakte voor mijne reis naar Lapland," vertelt hij,

"had ik een aantal beschrijvingen van deze vogelkoloniën gelezen,

en ik twijfelde volstrekt niet aan hare betrouwbaarheid. Maar nooit

zal ik den Julidag vergeten, waarop ik Kaap Svarhollt (niet ver van de

Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst een "vogelberg" aanschouwde. Wat

ik zag was een kolossale muur, als het ware een reusachtige lei,

met duizenden witte puntjes overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein

had een van zijn geweren voor mij met los kruit geladen, om de vogels

te verschrikken. Zoodra dit was afgeschoten, maakten zich die witte

puntjes voor een deel van hun donkeren achtergrond los, naderden, en

bleken de gedaante van vogels, van sierlijke meeuwtjes te hebben, en

verspreidden zich over de zee; maar in zulk eene ontelbare menigte, dat

zij mij aan een sneeuwval deden denken, die plotseling was losgeraakt

en nu in groote vlokken ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter

beeld voor, dan dat het gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De

zee was er mede bedekt zoover mijne goede oogen reikten; en ondanks

dit alles scheen de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was

nu overtuigd, dat vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik

moest zelf erkennen, dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld

van te geven aan iemand die het zelf niet gezien heeft."

Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts afzakken,

en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich hier

geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks

genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog

slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns

of Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens

alle meeuwvogels "Visschenpikkers"). Ook hun lastige vijanden,

de roofmeeuwen of zoogenaamde "Jagers", volgen haar zuidwaarts, al

hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen als tehuis in den

broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote schrik der broedende

menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste moeite kost,

de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; 's winters daarentegen

geldt de roof slechts den een of anderen door hen veroverden buit. De

"Jagers" namelijk hebben de gewoonte om andere meeuwvogels zoolang

te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, hun vaak reeds half

verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en die dan met groote

behendigheid op te vangen eer zij den grond of het water bereikt. Nog

een anderen harer noordsche landgenooten, den eigenlijken Stormvogel,

treffen zij hier somtijds aan, maar toch slechts in kleinen getale;

van dezen echter hebben zij niets kwaads te vreezen.

Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van koude terug

vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan men zeer

wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een genoegelijk

leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, ons

te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure

jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor

de natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries

zulk een angst en afkeer hebben. "Nu ja," zal men zeggen, "daarvoor

zijn het zwemvogels." Doch is niet juist dit het belangrijke bij

ons natuurgenot: na te gaan wàt een zwemvogel tot zwemvogel maakt

en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat is het dat het

kleed der meeuwen en der eenden zoo waterproof doet zijn; en wat

stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge vlucht eens vogels

en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? Vlechtwerk moge

geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al zij het slechts

vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht geven het

zoo te noemen.

Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude,

die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun

vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen

en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: 't is als er

storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk,

onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of

wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk

maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet

gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid

der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs

vele volwassenen hun "humeur" niet boven dergelijke invloeden kunnen

verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene "redelooze meeuw"

daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen

de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem

wonende, hoorde ik dan vertellen, dat "de Zandvoorders hun duiven

loslieten". Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de

rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar

niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater

ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe

vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen

amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar

zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds

een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet

ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen,

die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander

dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo

heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur,

een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer

Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den

wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de

meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en,

in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam

wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar.

Natuurfantazieën · 第 8 / 82 题