EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.

Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles goeds toe, lezers

en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon....

Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel willen dat ik

veler menschen pad "met bloemen kon bestrooien", zooals de aloude

spreekwijs luidt. Maar in de gegevene omstandigheden kan ik niet meer

doen dan: hopen dat ik hier en daar iemand een verkwikkelijken indruk

bezorgen moge door de lezing van dit boekje.

"Natuurfantazieën" heb ik het genoemd. Nu is "Natuur" een

van die groote woorden, welke, evenals hooge boomen, veel wind

vangen,--namelijk veel "wind van leering"; het is een woord waarvan men

dikwijls niet recht weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er

soms een nauwere, soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven,

b. v. nu eens de geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den

mensch, hetzij geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik

dus maar dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den eenvoudigen en

voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het minstens

ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de wolken, de aarde en

het water, de bloemen en het groen, de vogels en de vlinders rondom

ons,--zij zijn de aanleiding tot deze mijn bescheiden "fantazieën".

Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad bewonen,

wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen tot

de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning ten

volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst

van wandelen te verstaan.

Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het wandelen

op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de "vrije

natuur". Doch als alle anderen dient zij beoefend te worden, eer

men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te gebruiken,

dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet geleerd

heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik van

zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig

aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den

slag niet van hebben.

Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en beschikkingen maakt,

kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen om, naarmate de

omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik zou bijna durven

zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en dan vergunnen. "De

meeste kwalen en verdrietelijkheden komen tegenwoordig van de zenuwen,

en de zenuwen komen van de boeken." Ziedaar de zeker niet zeer

wetenschappelijk geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking,

waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer

beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel

wandelt, minder gevaar loopt van onder "de boeken" begraven te worden

dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, desnoods met

inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe langer hoe meer

blijken goede medicijn te wezen voor "de zenuwen",--zoo doet elk wèl

die daartoe zijne maatregelen neemt.

Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? Rückert heeft eens, in

een al of niet gemeende vlaag van menschen-verachting, den zonderlingen

raad gegeven, de menschen te vermijden en zich zooveel mogelijk onder

bloemen te bewegen; "dan zullen", voegt hij er ten slotte goedmoedig

bij, "de bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die

niet beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!" Nu hoop ik

hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen

van "de menschen" te verachten of te haten; maar voor ieder onzer

komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke instellingen,

maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen gebukt gaan,

er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, op het

punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf te verslappen,

hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan weet ik dat de

dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met "bloemen",--in

het algemeen met de "natuur",--als een weldadig middel aanbeveelt.

En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen schuld hebben,

maar die ons voor een wijl doen duizelen, eer wij ons recht rekenschap

weten te geven van hetgeen er gebeurd is en hetgeen ons te doen

staat,--ook dan is de stille omgang met die "natuur" een weldaad. Wij

moeten dan van haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven:

geen antwoord van haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn;

ons niet verbeelden, dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet,

zij troost niet onmiddellijk; maar dààrin ligt voor een groot deel

haar genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder

afleiding van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust

en verzoening te geraken.

Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat er niets te

wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste helft van 't

jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat Januari minder

koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, boschrijk landschap

meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige binnendijk met

een rij knotwilgen tot eenig sieraad.--Doch,... zal ik vertellen

hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van heb leeren

waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te loopen, in weer

en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een landstreek zoo

arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid laat denken:

een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. Doch bij

gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en als er

dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de verte,

en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den gezichteinder,

en oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten ontsnappen. En

ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te zien kreeg,

wel zoo'n genot van ieder kleurenspel en lichteffect gehad zou

hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die schijnbaar zoo

onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst gunstige seizoen om

te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de mogelijke wandelwegen

rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te hebben plat getreden,

zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In dat geval wensch ik u

toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens wat verder rond te

kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere schaal. Doch juist met

het oog daarop zou ik lust hebben u eenige vragen te doen als: Zijt

gij goede vrienden met de boomen die in uw nabijheid groeien? Welke

vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek hebt gij in de buurt de

mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij om dezen tijd van

't jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat een mees of een geel

kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u gisteren voorbij

vloog? En hoelang zou 't nog duren eer de kwastjes, waarmee nu reeds

de elzen zijn behangen, zich tot stuifmeelbloemen ontwikkelen?

Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat.

Natuurfantazieën · 第 6 / 82 题