Het was veertien dagen voor de kalenden van Oktober en hoewel de
dominus, met de zijnen, steeds gastvrijheid had mogen genieten bij
den edelen Plinius op de villa bij Laurentum, dien vorigen avond,
vooravond van zijn reis naar Neapolis, had hij bij Nilus tot afscheid
vroolijk geavondmaald met alle de vrienden: met de gladiatoren,
met Taurus, met Gymnazium en Lentulus, Latinus en Thymele en over
en weêr waren ontroerde woorden gewisseld, met herinnering aan wie
in den ramp waren omgekomen, allen verteederd door het naderend
vertrek van Lavinius Gabinius en de zijnen. Ja, hij was er dan toch
in geslaagd een paar komedianten te koopen, een paar er te huren:
hij zoû ze in Neapolis vinden, waar zij op dit oogenblik nog speelden
in particuliere Spelen en hijzelve had zich kort geleden een reiskar
gekocht met twee buffels: Syrus en Afer zouden voor zitten en om
beurten de beesten mennen, en hijzelve en Cecilius en Cecilianus
zouden, met de bagage en de nieuwe tooneelmaskers, die hij van zijn
edele patronen, Verginius Rufus, Plinius en Frontinus ten geschenke
ontvangen had, het geriefelijk hebben binnen de kar, die, nog niet
overhuifd, stond te wachten waar de Suburra zich verbreedde en het
voertuig met de breede buffels geen verstopping veroorzaakte. En nu
was dan het oogenblik gekomen: in een zonnestraal, daar ginds, stond
de reiskar te wachten met Syrus en Afer en alle de meiden zouden den
dominus en de jongens er heen geleiden. Ja, goede dagen, slechte dagen,
dat had elkander afgewisseld; voor het Ongeval was je nooit beveiligd;
een huis in de nieuwe wijk, ja, dat stortte wel eens méer in: je
moest maar het leven filozofiesch aanvaarden, zelfs al had de Keizer
alle filozofen uit Rome verbannen! Veel was er nog ten goede gewend;
veel had er nog veel slechter kunnen afloopen, meende de dominus,
met een blik naar de jongens, die zich niet meer herinnerden, dat ze
"kwijnende lelies" waren geweest, zoo een pleizier hadden ze in de
nieuwe toekomst, in den nieuwen troep, in Karthago, dat ze zouden
gaan zien.... Zeker, ze zouden dikwijls naar Rome terug verlangen,
naar de worstjes en kooltjes van Nilus en naar hun goede vrienden:
de gladiatoren.... Maar nu verlangden ze eigenlijk wèg te komen,
trots al het goeds, dat ze hadden gehad, trots de villa van Plinius,
de vleiende epigrammen van Martialis, trots al het moois, dat die edele
Crispina--die moeder van jou, Cecilius; neen van jou, Cecilianus!--hun
nog een paar dagen geleden gegeven had: ze verlangden weg te komen
ènkel om te veranderen, om Neapolis weêr te zien, waar ze óok de
gladiatoren kenden, beweerden ze, om Syracuze weêr te zien, waar ze
op school waren geweest en om dan eindelijk naar Karthago te gaan
waar het weêr zoo heel anders moest zijn dan in Alexandrië en in Rome.
En ze waren opgetogen en ze zoenden iedereen tot afscheid, terwijl de
dominus omarmde en omhelsde: ze zoenden Gymnazium en haar tonstrix en
de meiden van Taurus, die op den drempel verschenen; ze zoenden Alexa;
ze zoenden slaven en slavinnen....
--Wij loopen meê, zei Colosseros.
--Wij brengen jullie tot buiten de Porta Capena, zei Carpoforus.
--Ik loop ook meê, zei Nilus; ik hoef van daag niet naar de markt.
--Nu, dan loopen we allen maar meê! riep Alexa en Gymnazium vond
dat uitstekend.
En werkelijk, ze liepen allen meê; ze begeleidden den dominus en de
jongens naar de reiskar, en toen die waren ingestegen en Afer riep,
trekkende aan de leidsels:
--Hù! Hù!
en de buffels zwaar aantrokken, bleven zij allen, de vrouwen, de
mannen meê loopen om het langzaam voort bolderend voertuig. En zoo
was er nog altijd de gelegenheid een kwinkslag hier, een grapje daar
elkander toe te gooien: ja, het zoû wel een leêgte zijn, meende Alexa,
en Gymnazium schertste, dat ze haar twee laatste minnaars verloor in
Cecilius en Cecilianus en dat ze het nièt zoû overleven.
--Zijn ze dan nu allemaal òp, Gymnazium? plaagde Cecilianus.
--.... allemaal òp?? herhaalde, natuurlijk, vragende Cecilius.
En Gymnazium beâamde, kluchtiglijk, dat ze allemaal òp waren. Maar tot
de vrouwen smoesde ze, dat ze dat héel rustig vond en allen lachten
om de voormalige....
--Wat is dat daar? vroeg Alexa eensklaps.
--Wat is er, wat is er?? vroegen zij allen om rond.
Want nu zij in zicht waren gekomen van het Colosseum, trof hen een
joelende, schreeuwende, vechtende menigte, die drong aan en golfde
terug van den hoogen, vierkanten toren, van het Septizonium, van
den Palatinus. En uit de kazernen om het Colosseum drongen honderden
gladiatoren.
Carpoforus, Colosseros, ter zijde van den reiswagen loopende, duwden
zich baan door de aangroeiende menigte; zij riepen:
--Wat is er, jongens, wat is er??
En, plotseling, weêrklonk het uit aller kelen van daar ginds af,
terwijl de handen krampten de lucht in:
--Hij is vermoord! Hij is vermoord!! Domitianus is vermoord door
Domitia!
--Domitianus is vermoord door Domitilla!
--Wreken, wreken wij den Keizer!! riepen de gladiatoren, die uit de
kazerne stroomden. Hij was goèd voor ons! Hij was goèd voor ons!!
--Domitianus is vermoord door de vrouwen op het paleis!
--Neen, weêrklonk het uit een andere massa, die van het Forum
golfde. Saturius heeft hem vermoord!
--Clodianus, zijn cornicularius, zijn lijfwacht!
--Domitianus is vermoord door Parthenius!!
--Wie heeft hem vermoord? Wie heeft hem vermoord?!
--Ze hebben hem allemáal vermoord! Hij is vermóórd door Stefanus!!
Een ontzettend gekrijsch galmde op. De reiskar met de komedianten was
in het gewoel van het volk als verzwolgen, met andere voertuigen,
wagens vol steen en bouwmateriaal. De vrouwen om de kar gilden van
angst, maar de menigte brulde juichende op. En het was meer juichen van
genot, dat er een hevige gebeurtenis verstoorde den iederen-daagschen
gang van het leven dan haat tegen den Keizer, want zóo zeer haatte
het volk hem niet: zijne wraaknemingen en de bloedige grillen van
zijn vervolgingswaanzin waren steeds meer tegen de Aanzienlijken
gericht geweest. En het waren nu ook de Aanzienlijken, die het volk
opstookten te getuigen vóor de moordenaars van den Keizer--wie ze dan
ook waren--want bij het Septizonium waar langs, in nissen, de beelden
des Keizers stonden, bevalen drie, vier Senatoren, gezaghebbend,
uitstekende van wijd gebaar tusschen het volk, ladders te halen en
de beelden van Domitianus, den boèf, den ellendeling, stùk te slaan
tegen den grond.
In deze plotse ontteugeling der hartstochten, om de reiskar der
komedianten, was een oogenblik Carpoforus wezenloos blijven staan,
de vuisten gebald, de oogen als verblind door een razernij, die al
zijn bloed hem naar zijn nauwe brein op deed golven. Tot hij eensklaps
bulderde tot Colosseros:
--Màkker! Màkker!! De Keizer was altijd goèd voor ons! Moeten wij
zijn moord niet wrèken op zijn moordenaars ginds, die zijn beelden
bevelen stuk te slaan??
--Ja! bulderde Colosseros terug. We zullen hem wreken! We zullen
hem wreken! Jongens! Makkers! Hièr! Om Carpoforus heen, onzen Jager,
onzen lanista! Om den Keizer te wreken! Om Domitianus te wreken!
De gladiatoren liepen, zich verzamelend, toe, in de richting der
reiskar, waarbij Carpoforus nog stond, bloed-doorschoten zijn
oogen. De vrouwen, gillende, met Nilus en Taurus, wilden vluchten,
naar de Suburra terug.
--Vaarwel, dominus, vaarwel! Jongens, vaarwel! Wie zal zeggen, òf
het een gunstige dag is, dat je reis aanvangt! riep Nilus.
--We kunnen niet voort! riep Cecilius. Het is maar beter....!
--.... beter, dat we blijven!! riep Cecilianus.
Carpoforus hoorde hen, terwijl de dominus, besluiteloos, nog niet
wist wat Afer, die de buffels mende, te bevelen. Maar de Jager zei:
--Dominus, maak een omweg, niet naar de Porta Capena. Rij naar de Porta
Asinaria. Van daar bereik je, rechts-af, óok de Via Appia. Ik wensch je
gelukkige reis. Ongeluk voor den éen is geluk voor den ander. Vaarwel,
jongens. Vaarwel, mijn Cecilianus: vaarwel, mijn zoet kind, lieve
jongen. Ik moet dáar heen, met de makkers, om Domitianus te wreken:
hij stond, toen ik het vroeg, toe, dat Cecilius terug kwam. Vaarwel.
Hij breidde zijn armen uit en over den wand van de kar, smoorde hij den
knaap, die was opgestaan, aan zijn borst en wierp hem toen bijna van
zich, als kon het, noodlottig, niet anders dan het was en zoû worden.
--Vooruit! bulderde hij. Vooruit, makkers! Om den Keizer te wreken!
--Om den goddelijken Keizer te wreken!! bulderden alle de gladiatoren
en zij drongen in de richting van het Septizonium: de Prætorianen
stroomden de poort van den toren uit en uit de nissen slingerden wie
op de ladders waren geklommen de borstbeelden des Keizers neêr op
wie zijn moord kwamen wreken....
Maar de dominus had Afer bevolen de buffels te wenden, het Colosseum
om, om den wijden, stoffigen weg van den Coelius te nemen, die voerde
naar de Porta Asinaria....
--Zoo komen we ook de stad uit, zei de dominus. Syrus, zijn de nieuwe
tooneelmaskers, die de edele patronen me hebben gegeven, nu waarachtig
goed ingepakt? Ja, jongens, Rome.... dat is al weêr gedaan! Zoo gaat
het leven voort, tusschen al wat de goden ons voor beschikken. Een
Keizer vermoord, ach, dat gebeurde wel eens meer in Rome! Dat is niet
eens zoo heel erg. Ik weet niet meer hoeveel Keizers er al in Rome
niet zijn vermoord! Dat is politiek en daar houdt een dominus-gregis
zich niet meê op. Wat zitten jullie zoo benauwd te kijken, jongens,
als of je je laatste oortje versnoept hebt?? Ik ben waarachtig vol
hoop weêr en jullie hebben zelve, met jullie beidjes, me nieuwe
geestkracht gegeven. Maar adulescens-rollen, ja, die moeten jullie
in de toekomst er tusschen door spelen, hoor. Soms, komt het er in
een stuk van Plautus meer aan op de adulescens-rollen dan op die
"eerste-vrouwe"-rollen, die best door een pas beginnend komediantje
kunnen worden gespeeld. Al hebben ze niet altijd jullie lieve, mooie
bakkessen, mijn jongens. Dus bij je moeder Crispina blijven, daar
hadden jullie toch ook geen zin in, hè? Trouwens, je hebt een gelukkige
keuze gedaan, door bij mij te blijven; je begrijpt, op het Palatium is
het uit met edelen Crispinus en met je moeder vermoedelijk ook.... Had
ik maar in Rome een jong slaafje kunnen vinden om te drillen, voor
de vrouwerollen, als jullie beiden adulescens zijn.... Bij de goden,
zèg toch eens wat, jullie jongens: anders staan jullie snaters niet
stil en bauwen jullie elkanders woorden na of je elkander je rollen
voor zegt en nu zitten jullie daar met je mondjes vol tanden en
met zulke bedremmelde oogen te kijken alsof je geen tien meer kunt
tellen! Zijn dat mijn Cecilius en Cecilianus? Vertel dan toch òp:
wat is er? Jullie treuren toch niet om den Keizer?
--Neen, dominus, begon Cecilianus.
--.... dominus, herhaalde Cecilius.
--Nou wat dan: wat is er dan toch?
--Ach, ik dacht zoo.... zei Cecilius.
--Ja, ik dacht ook.... zei Cecilianus.
--Ik heb eigenlijk nooit Carpoforus....
--Neen, ik ook, eigenlijk, heb nooit Carpoforus....
--Wat dan toch, jongens?
--Bedankt....
--Ja.... bedànkt, stamelden de jongens moeilijk.
--Bedankt? vroeg de dominus. Waarvoor bedankt?
--Ja, dat hij aan den Keizer.... zei Cecilianus, treurig.
--Ja, dat hij aan Domitianus....
--Toen gevráagd heeft, of....
--Ja, of ik terug mocht komen, bij mijn broêrtje....!
--Toen ik ziek was....!
En de beide jongens vielen elkander in eens grienende in de armen.
--Nou, zei de dominus troostelijk. Dat is nou zoo èrg ook
niet. Carpoforus, die heeft wel begrepen, dat jullie het heel aardig
vonden, dat hij het vroeg. De Keizer was wèl heel goed voor hem en
hij had gelijk, van zijn standpunt, dat hij hem met Colosseros en de
gladiatoren ging wreken, al loopt hij gevaar een marmeren borstbeeld
tegen zijn kop te krijgen, zoo als ik zag, dat ze uit de nissen van
het Septizonium neêr keilden. Ja, jongens, afscheid nemen is àltijd
treurig en ook voor vagebonden als wij. En--het is vreemd--ik heb dat
altijd als ik weg ga, na mijn Spelen te hebben vertoond en voór dat
ik weêr nieuwe vertoon: àls ik dan afscheid neem van de menschen, die
om ons waren, en onder wie toch wel goede harten waren, dan is het of
er iets in en òm me sterft.... en ach ja, clan denk ik zoo.... Nilus,
zelfs die grove Taurus, de meiden, Alexa, Gymnazium....
--En Colosseros, zei Cecilius....
--En Carpoforus, zei Cecilianus....
--.... dat zijn dan vriènden, vrienden gewéest en we zien ze misschien
nooit terug maar dat is zoo het leven: de weg gaat voor je ùit naar
Neapolis, naar Syracuze, de zee over naar Karthago.... vèrder nog
de Toekomst te gemoet: ach, en stil er bij blijven staan, wat geeft
dat, als wij toch niets weten, als alleen de góden weten wàt er ons
wacht aan het einde van dien moeilijken, hobbeligen, stoffigen weg,
die aan onzen levensweg wel gelijk...
--Dominus, viel Cecilianus hem in de rede; de "Bacchides"....
--Jà, riep Cecilius; de "Bacchides"!!
--Daar blijven wij toch altijd door de vròuwerollen in spelen??
--In de "Bacchides" wel, zei de dominus beslist.
--Maar als we de "Menæchmi" geven, zei Cecilius bedenkelijk.
--Ja, de "Menæchmi", waarin wij de mannen-hoofdrollen, zonder
maskers....
--Zònder maskers spelen?
--Willen we dàn niet snorren en baarden aandoen??
--Hè, dat dàcht ik nu juist ook! riep juichend Cecilius. Willen we
dàn niet snorren en baarden aan doen?
En ze zagen elkander stralende aan, glànzende, lachende door hunne
drie laatste tranen heen.
--Dat is een idee! Om eens te varieeren met die eeuwige, gladde
adulescens-smoelen! bewonderde de dominus, uit zijn weemoedig
wijsgeerige stemming van afscheid en met elk afscheid wat sterven,
terwijl de reiskar, door de zwaarwichtige buffels getrokken, langs de
diepe, modderige wagensporen langzaam hobbelde van links naar rechts
en klakte de zweep van Afer....