De Cerealia waren geweest maar zonder Scenische Spelen, de Floralia
waren geweest met Scenische en Circensische Spelen en Mei gloeide
over blank Rome, dat de Romeinen verlieten voor Baïae en Antium, de
weelderige zomerplaatsen. Maar wie er niet naar Antium en Baïae gingen,
dat waren zoo wel de bewoners van de Suburra en hare nieuw gebouwde,
omringende straten en dat waren de bewoners van den Palatinus: dat
waren de allerhoogste en dat waren de allerminste.
De laatste, zij waren het nooit gewoon geweest, Rome voor de
zomerwarmte te ontvluchten. Zij genoten hun langere siësta, zij
genoten van lui langen avond, als de dauwige koelte zelfs niet zeefde
tusschen de nauwe straten en sloppen maar, hoewel loomer en langzamer,
gleed hun zelfde leven voort.... De anderen, de Keizer en wie hem
omringden, waren zekerlijk wel gewend Rome's warmte te ontvluchten,
ook al lag het Palatium in tuinen en parken op wijden heuvel, omwaaid
van koeleren bries. Maar Domitianus was somber en ziek en wilde niet
van reize weten en sloot zich op in zijn kamers om den volgenden
dag uit te varen als een waanzinnige en een moòrd te bevelen of de
Senaat uit te noodigen bij hem te avondmalen in zwart behangen zaal,
met lijkbaren als aanligbedden, met verbleekte schedels als schotels
en drinkschalen, met zwart gekleede en gemaskerde, demon-achtig
dansende slaven als dienaren. En rondom hem bleven, in het Palatium,
Crispinus, Sigirinus, Earinus, zijn gunstelingen en zijn nar en
Domitia, Domitilla, Fabulla, Crispina, terwijl het gras van de parken
verschroeide, de kruinen der ilexen en tamarisken grijs op stonden,
overstuiveld van de stof en de laatste rozen aan de struiken stierven
en hare verschrompelde bloembladeren rondom strooiden....
Crispina, in hare woning, wachtte Lavinius Gabinius, tijdens het warme
middaguur. Toen hij binnen gelaten was in het atrium, zat zij op de
rustbank bij het kleine vasculum. Maar mat murmelde de waterstraal,
terwijl de zon schuin neêr gleed door de vierkante dakopening en hel
glansde over den gloeiend rood geschilderden wand, waarop in fresco
het sierlijk "oogbedrog" zich beeldde van zuilen, portieken, bosch
en beemd....
De dominus groette Crispina.
--Domina, zeide Lavinius. Ik heb gesproken met de jongens. Zij
vermoeden nog altijd niet....
--En....
--Ik heb hen voor gesteld als ge mij zeidet. Om, zoo lang het de
edele Crispina behaagt, in hare dienst te treden als histriones en
haar verblijf op den Palatinus te veraangenamen met zang en dans en
voordracht. Intusschen niet langer dan de zomermaanden duren, daar
in het begin van het najaar wij over Sicilië naar Karthago vertrekken.
--Wat hebben zij geantwoord....
--Zij hebben wel tegen gestribbeld. Zij zijn gewend aan veel vrijheid,
die zij begrijpen hier, op den Palatinus, te missen. Ik heb hen
echter--daar ik gewoon ben niet te dwingen--over gehaald door hen
onder het oog te brengen hoe moeilijk het is voor een dominus-gregis
zijn caterva te blijven voeden in de maanden, dat er geen Spelen zijn,
zelfs al heeft hij geld verdiend in April. Zij hebben toen toe gegeven:
alleen....
--Alleen?
--Zij hebben mij onder het oog gebracht, dat de geldelijke vergoeding,
die gij aanboodt om hen te huren, te weinig was.
--En....?
--Ik meen, dat zij gelijk hebben, domina. Laten wij dus vast stellen,
dat gij Cecilius en Cecilianus van mij huurt, maar tegen honderd
sestertiën per dag meer dan gij boodt.
--Dus tegen driehonderd sestertiën per dag? Je bent duur, dominus,
met je slaven.
--Het zijn slaven, die mij veel hebben gekost, domina.
--Het zijn slaven, die ik je geschonken heb.
--Maar die ik heb opgevoed en aan wie geen kosten gespaard zijn. Zij
zijn onvergelijkelijk.... Zij zijn éenig.
Crispina glimlachte, verteederd.
--Ik kan u ze niet verhuren voor minder dan driehonderd sestertiën
per dag.
--Het is héel veel, dominus. Driehonderd sestertiën per dag om mijn
eigen kinderen een tijdje bij mij te hebben! En als ik nu eens Cecilius
huurde en dan weêr eens Cecilianus....?
--De jongens kunnen niet buiten elkaâr, domina. Ik kan ze niet
scheiden. U moet ze beiden te zamen huren of af zien van uw plan.
--Het is goed, dominus: ik huur ze dan beiden te zamen. Ik heb ze
ook liever beiden te zamen....
--Ik heb ons contract mede gebracht, domina.
--Ons contract....?
--Ja, domina, opgesteld door een man van vertrouwen. Geen
processe-jager. Een eerlijk man: Labienus Posthumus; hij helpt mij
in Rome met al mijn zaken. Hij heeft het contract opgesteld, waarmede
ik mij verbind u Cecilius en Cecilianus te verhuren voor driehonderd
sestertiën per dag, met de voorwaarde, dat ik desniettemin over ze
beschikken kan zoo ik plotseling, onverwachts, door particulieren
te geven Scenische Spelen heb te vertoonen. Terwijl ik tevens in
het contract verzekerd ben voor alle schade, die aan Cecilius en
Cecilianus tijdens hun verblijf ten uwent zoû kunnen geschieden en mij,
hun eigenaar, nadeel berokkenen.
--Voor een som van....?
--Tweehonderd-vijftigduizend sestertiën....
Crispina rees op.
--Dat is te veel, dominus, zeide zij. Dat is onzinnig.
--Domina, ik kan de jongens dadelijk voor tweehonderd-vijftigduizend
sestertiën verkoopen.
--Aan wie?
--Aan den edelen Sextilianus. Zij zijn dus tweehonderd-vijftigduizend
sestertiën waard. U weet zelf, de minste, een beetje mooie en kundige,
jonge slaaf is honderdduizend sestertiën waard. Zoo hoog schat ik
niet dus Cecilius en Cecilianus.
--Wat zoû hun kunnen overkomen?
--Ik weet het niet, domina. Misschien niets. Misschien alles. Hier
op den Palatinus is zelfs het ademen niet vrij. Overkwam den
beiden jongens iets.... wat ook maar, dan zoû ik dat voelen als
dominus-gregis en ook zoû ik dat voelen als pleegvader. Ik hoû van
die jongens, domina, zoo als een vader van zijn jongens houdt.... Het
zijn brutale broekjes, en als ze iets deden, dat strafwaardig is
binnen de keizerlijke muren, dan zoû ik, zoo niet als pleegvader,
toch als dominus schadevergoeding willen ontvangen.
--Het is goed, dominus. Toon mij je contract. En laat mij het eerst
met mijn broeders cliënt Trebellius door lezen; die helpt ons, als
rechtskundige, in vele zaken: dán zal ik het teekenen.
Crispina ontbood Trebellius. Een uur later verliet Lavinius Gabinius
de Palatijnsche parken met het onderteekend contract op de borst. Hij
liep vol zorg, langzaam, naar huis; de zonnige Mei-middag doorstoofde
stof-overstuifeld Rome. Thuis gekomen, vond hij den vollerbaas in
vollen arbeid: vele uitgehangene toga's weêrkaatsten den zonneglans
op. De dominus groette de vollers en volsters, ging de houten trap
reeds op....
--Dominus, riep op den drempel de vollersbaas hem na.
--Wat is er? vroeg de dominus.
--Is het nog in orde bij jullie boven?
--Hoe meen je?
--Is er niet een verzakking of scheuring in de muren zichtbaar?
--Ik heb niets gezien!
--Neen, ik geloof ook, dat alles in orde is. Gisteren scheen het me
toe, dat er hier beneden een scheur was. Ik heb den architect laten
komen; die zeide, dat het niets was en heeft het wat bij laten
metselen. Weet je, die nieuwe huizen hier, dat is niet allemaal
pluis. Die zijn dikwijls zoo maar opgeblazen, uit speculatie, sedert
de Thermen van Titus en het Colosseum werden gebouwd. Maar ik geloof,
dat dit huis, dat ik gekocht heb, een van de beste is. Niet een van
die rommel, zoo als er wel eens ingestort is, hier in de buurt.
--Ingestort, vriend voller?
--Nou ja, je hoeft niet bang te zijn, hier. Dit is maar vijf
verdiepingen hoog. Die anderen waren zeven verdiepingen en heel slecht
gebouwd: wat kalk, leem, en splinters en restjes marmer bij elkaâr
getrapt. Je houdt dus de kamertjes, tot je naar Karthago gaat, hè? Zoo
vroeg mogelijk opzeggen, niet waar?? Het ga je wel, dominus! Of ik het
druk heb, noù! Iedereen, nà de feesten heeft vuile toga's te vollen:
ik kan het werk niet àf met mijn knechts.
--Kan ik je een paar lui van mij verhuren?
--Dát neem ik gaarne aan....
--Dan zend ik je Silus en Afer en nog een paar anderen als je
wilt.... En dat rekenen we op de huur dan wel af.... Komt in orde....
--Goed, dominus, goed, heel graag....
Boven vond de dominus velen van zijn grex in siësta, rug in rug in de
broeiwarme kamertjes. Zij hadden niets te doen. De dominus had niet
gaarne, dat ze doelloos rond zwierven in Rome. Hij was bang, dat ze
dan, op een goeden dag, zouden verdwijnen. Hij sloot ze dus dikwijls
op en als ze zich dan beklaagden, dat ze stikten, liet hij wel weêr
eens een paar dagen de deuren open, ook omdat ze toch valsche sleutels
hadden of de sloten open braken.... Ja, het was de tijd van rust
maar ook van verveling en van armoê, met al die doodeters. Hij maakte
wel een kapitaaltje, de dominus, belegd bij vele goede geldmannen en
vertrouwbare wisselaars in Antiochië, in Alexandrië, en in Brundizium
en in Syracuze, in Rome maar dat geld was toch maar los bezit. Zijn
grex bleef zijn voornaamste inkomstenbron maar kostte veel, als ze
niet speelden. En honger kon hij ze niet lijden laten. Ze aten dus
bij Nilus wat ze wilden. Maar wel verhuurde hij ze wat hij ze verhuren
kon. Den senex, zijn eenigen vrijgelatene, betaalde hij niets in dien
donderschen vacantie-tijd maar huisvestte en voedde hij toch.... Den
adulescens had hij--zonder fibula--verhuurd aan een patricische vrouw,
die dol op hem was geworden. Den "paraziet" en Syrus, den "slave-rol",
had hij verhuurd bij Tryfo, den boekhandelaar, voor een prikje, als
kopiïsten: ze schreven beiden netjes en die brachten dus ook wat geld
op, net genoeg, dat ze hun eigen levensonderhoud bedropen. Nu had hij
Silus en Afer verhuurd aan den voller, om meê te vollen. En Cecilius
en Cecilianus....
De dominus maakte, vol zorg en ook beducht, dat hij ze niet vinden
zoû, het kamertje open waar hij sliep met de beide jongens. Waren
ze er....? Waarachtig, ze wàren er. Zij zaten op den grond vijgen
te eten, dicht tegen elkander aan. Zij hadden geslapen en dachten
er eigenlijk juist aan een bad te nemen in de Thermen van Titus:
het was nu, na de siësta, het uur, dat de voorname baders kwamen en
de jongens, die zich verveelden, hadden gedacht, je kon nooit weten,
wie je ontmoette.... Maar jawel, daar kwam juist de dominus thuis.
--Jongens, zei de dominus en zette zich, moê, op de eenige schabel
bij het kleine tafeltje; ik heb je verhuurd.
--Heb je het waarachtig toch gedaan? vroeg verontwaardigd Cecilius.
--Ons verhuurd!? verontwaardigde Cecilianus.
--Ja, zei de dominus. Aan de edele Crispina.
--Aan onze moeder.... dachten de jongens te gelijker tijd, want ze
wisten, sedert de eerste voorstelling, er alles van, maar ze zeiden
niets.
--Aan de edele Crispina, herhaalde de dominus, verwonderd, dat ze
niets zeiden. Weet je, jongens, het gaat me aan mijn hart. Ik hoû
van jullie als van mijn eigen kinderen, al zijn jullie bengels....
--Waarom doe je het dan ook, dominus!
--.... lieve dominus! vleiden huilerig de jongens en kropen nader en
hurkten bij des dominus' knieën.
--Maar jochies, hoor nu toch eens! verontschuldigde zich de dominus. Ik
krijg driehonderd sestertiën voor jullie....
--Voor hoeveel tijd?
--Driehonderd sestertiën per dag!! riep de dominus; zoo als jullie
het hebben geraden te vragen.
--Ecastor, giechelde Cecilius.
--Ecere, giechelde Cecilianus.
En zij barstten in lachen uit en buitelden over elkaâr op den grond.
--Driehonderd sestertiën! riepen de jongens. Per dag!!
En ze keken elkander veel beteekenend aan en riepen:
--Ze heeft wat over, om ons te zien!
--Die edele Crispina!
En ze knipoogden tegen elkaâr en lachten en buitelden en stompten
elkaâr in de ribben.
Maar toen te gelijker tijd, werden ze ernstig en flikkeflooiden,
ieder aan een knie van den dominus.
--En krijgen wij ook wat....?
--Van die driehonderd....?
--.... die driehonderd sestertiën....
--.... per dag?
--Natuurlijk, zeide de dominus. Jullie krijgen er ook wat van. Als
zakgeld. Om vijgen te koopen.
--Meer....!
--Ja, wat meèr....!
--Nu goed, wat meer, gaf de dominus toe. Kom, jullie weten wel, dat
ik het goed met je meen. Jullie zijn mijn jongens, hè, mijn lieve,
eigen jongens. Wie weet of ik je nog niet eens vrij laat, later,
en je na laat wat ik bezit: mijn grex, en de sommetjes, die ik heb
gedeponeerd in Alexandrië en Antiochië ...
--En in Brundizium!
--En ook nog in Syracuze!
--Jawel, jullie zijn op de hoogte. Belooft me nu alleen een ding. Weest
nu lieve, zoete jongens, op den Palatinus. Dat jullie geen last krijgen
en ik geen last krijg. Want als er jullie iets gebeurt, bij Herkles,
ik krijg geen as schadevergoeding voor jullie! loog de dominus.
De jongens beloofden op te zullen passen, bij de edele Crispina. Zij
moesten dien avond gaan.
--De voller maakt onze gele jasjes schoon; nou, die zijn eigenlijk op,
meende Cecilianus.
--Ik zal er eens om vragen, zei Cecilius en wipte op en weg.
--Ik ga meê! en ook Cecilianus wipte op.
--Ach wàt! riep de dominus en hield hem tegen. Kunnen jullie geen
oogenblik buiten elkaâr?? Het is belachelijk!
--Ja, je weet, zei Cecilianus; dat we ook altijd het liefst
tweeling-rollen spelen: dat vinden we het aardigst....
De dominus keek Cecilianus een beetje droef lachend, vol zorg,
aan. Toen omhelsde hij hem, hield hem lang tegen zich aan, en
zuchtte diep.
--Wat is er, dominus?
Maar de dominus zeide niets.
--Wat is er, dominus? vroeg Cecilius, die met de schoone gele jasjes
terug kwam.
--Niets, jongens, zei de dominus. Zeg, je weet, ik heb jullie per
dàg verhuurd.
--Ja, per dàg....
--.... per dag, natuurlijk.
--Ik weet niet hoe lang het duren kan, maar ik moet je nu en dan
zien. Jullie zijn slimme rekels; je moet maken, dat ik je, iederen
dag, al is het ook maar voor drie minuten, zie.... Want als ik geen
vrijgeleide heb, kàn ik niet den Palatinus binnen.
--We zullen er voor zorgen, hoor....
--Wees maar niet bang, we zullen er voor zorgen....
En zij streelden hem om zijn baard, ieder aan een knie. Zij waren
het nu, die het hem voor hielden; bedènk toch eens: driehonderd
sestertiën per dag! Hij kon den heelen grex daar voor gedurende een
week, twee weken voeden en huisvesten, hùn nog een aardig zakduitje
geven en zelfs nog een spaarpenning beleggen bij zijn wisselaar. Het
geld spiegelde hun goùd in de oogen. Zij hadden nu in éens lust te
gaan.... Zij zouden hun tuniekjes in hun bundeltjes mee nemen naar de
Thermen. En hun dubbelfluiten.... Zij gingen nu baden en ze zouden aan
Nilus zijn ezel vragen: zij zouden op den ezel naar de Thermen gaan,
en van de Thermen op den ezel naar den Palatinus.
--Ach, jullie zijn gek! riep de dominus, ontstemd over hun
zorgeloosheid en onbekookte uitvallen. En wie moet den ezel terug
brengen van den Palatinus? Jullie vallen immers veel te veel op, als
je samen op een ezel zit, met je gele jasjes! Dan scheldt het volk
je maar na of gooit je met vuil. Jullie moeten te voet, begrijp je
en je rustig gedragen op straat. Niet altijd links en rechts kijken,
als of jullie wat zoeken.
Ze beloofden het. Zij kusten hem: hij bedwong zijn aandoening, duwde
ze zelve de deur uit. En alleen in het broeiwarme kamertje bleef
hij zitten, op het schabelletje bij het tafeltje. Toen stond hij op;
zorg donkerde over zijn voorhoofd. En hij rolde hun beide matrasjes
op en zette die in een hoek. En hij zag uit het eene opene, glaslooze
raampje; dat zag uit over de Suburra, de Carinæ en het Forum heen, in
de richting van den Palatinus en den Capitolinus.... Achter den tempel
van Jupiter Capitolinus daalde de zon in een wijde stofpoeïering van
gouden atomen, in een stralenkrans van wemelend goudstof. En doelloos,
verdrietig, en de zorg zwaar op zijn borst, stond hij te staren,
hij wist niet waarheen, hij wist niet waarom, stond hij te staren,
tot de schemering viel.