Eenige maanden later woonde Kees rustig en wel in zijn Hollandsch
dorpje, waar hij tot zijn groote vreugde zijn ouders nog in leven
had gevonden.
Zijn pensioentje, maar vooral de opbrengst der diamanten, stelde hem
in staat, onbezorgd en gelukkig te leven in de streek, waar hij zijn
zonnige jeugd had doorgebracht.
Vaak was hij het middelpunt van een groep luisterende
dorpsgenooten. Maar vooral de jongens luisterden met open mond naar
het verhaal van zijn avonturen.
Hoe levendig kon hij vertellen van de oorlogen der Dajaks en van
de gevaren, waaraan hij was blootgesteld geweest, toen hij onder de
koppensnellers leefde.
De trouwe Marti was op Borneo gebleven. Hij had in de kampong, waar
hij vroeger gewoond had, een aardig huisje gekocht voor de rijke
belooning, die Kees hem gegeven had. Toen was hij getrouwd en leefde
gelukkig, dankbaar gestemd ten opzichte van zijn blanken heer, dien
hij nooit weer zou zien. Maar aan zijn buren vertelde hij gaarne
sterk overdreven verhalen van diens heldendaden en vooral ook van
zijn eigen aandeel daaraan, en van den tijd toen hij nog vertoefde
onder de beruchte koppensnellers.