Het was nog vroeg in den morgen, toen wij in den trein stapten van
Beyroet naar Damascus. De spoorlijn loopt bijna evenwijdig aan den
rijweg, dien de Franschen na 1860 hebben aangelegd. Gedurende de eerste
twee uren biedt deze eene gestadige afwisseling en een wonderschoon
vergezicht over Beyroet, dat voor ons oog al lager en lager wegzinkt in
de diepte en ten laatste nauwelijks nog een kleine witte stip vertoont
aan de kust der Middellandsche Zee. Ook rondom zich heen ziet men zulke
stippen, alsof het zwaluwnesten waren, die tegen het Libanongebergte
aanliggen; het zijn de dorpen en huizen, die glanzen in het vroolijke
morgenlicht der zon. De velden zijn allerwegen beplant met vruchtboomen,
vooral met den moerbeziënboom, wiens bladeren als voedsel moeten dienen
voor de zijdewormen, die een der voornaamste handelsartikelen uit
het Libanon-gebied opleveren. Het geheel maakt den indruk van eene
welvarende landstreek en eene nijvere bevolking, die, zooals wij
reeds opmerkten, overwegend Christelijk is. Gelukkig heeft zij na den
beruchten Christenmoord in 1860 door de Drusen uit het Hauran-gebergte
niet meer aan dergelijke aanvallen blootgestaan, deels door den
invloed van Frankrijk, onder wier bescherming zij stond, deels door de
verplichting, sedert dien aan de Turksche Regeering opgelegd, om over
dit gebied een Christengouverneur aan te stellen.
Naarmate men hooger stijgt wordt de cultuur minder. Op ongeveer 1500
meter heeft de weg zijn hoogste punt bereikt en ziet men in het Oosten
den Anti-Libanon en in het Zuiden den Grooten Hermon opdagen, twee
breede bergruggen even kaal en vaal als de Libanon zelf aan de zijde,
langs welke men nu afdaalt in het Beka-gebied, de breede vlakte van
Coelo-Syrië die tusschen deze drie bergen inligt.
Het was voor ons eene ware teleurstelling, dat wij noch langs den weg,
noch op de bergen den beroemden ceder van den Libanon zagen, waarvan men
zoo dikwijls in den Bijbel leest. Helaas! zij zijn verdwenen. Men zeide
ons echter, dat er nog enkele plaatsen waren, waar ze groeiden, maar
die voor een bezoek te ver verwijderd lagen. Daar zou men ze nog kunnen
zien in hun volle kracht; er waren er, zeide men, die een omvang van 17
en eene hoogte van 30 meter hadden, wellicht wat overdreven, maar dan
nog, wat zijn deze enkelen vergeleken bij den tijd, toen die ceders met
hun fluweelen glans die bergen als één woud bedekten, die thans overal
even kaal zijn!
Aan het dorpje Maallakah houdt de trein stil en staan onze rijtuigen
gereed, die ons in 4 uren door de vlakte van Beka naar het eeuwenoude
Baälbek brengen.
De weg geleidt door eene breede vlakte, een hoog plateau tusschen den
Libanon en den Anti-Libanon, 1000 meter boven de zee. Slechts hier en
daar ontwaart men een groepje huizen, die een dorpje vormen. De lange,
rechte weg biedt weinig afwisseling. Het eenige, wat men daarop ziet,
zijn karavanen zwaar beladen kameelen, zoodanig achter elkaar gebonden,
dat zij één trein vormen, waarvan het eigenaardige is, dat een ezeltje
schijnt dienst te doen als locomotief, niet om den trein in beweging
te brengen, maar om daaraan de gewenschte snelheid te geven. Het is
inderdaad een grappig tooneel, wanneer men ziet, hoe zulk een klein roer
al die „schepen der woestijn” bestuurt, vooral voor ons, die nu juist
van een ezel geen grooten dunk hebben; maar de Oostersche ezel, ik heb
dit reeds vroeger meegedeeld, is de Westersche niet.
Na een rit van 4 uren hebben wij Baälbek bereikt, een stadje van
een paar duizend inwoners, voor de helft Christelijk, voor de helft
Mohammedaansch. Het is echter niet het stadje en zijn bewoners, die
ons belang inboezemen, maar het zijn de beroemde ruïnes van de aloude
heiligdommen, die wij hier aantreffen en die ons een grootsch denkbeeld
geven van Oostersche bouwkunst.
Voor de juiste waardeering ervan dienen enkele historische
bijzonderheden hier vooraf te gaan. Volgens overleveringen, die onze
gids MICHEL ALOUF in een afzonderlijk boekje over Baälbek heeft
samengebracht, zou de voormalige burcht het oudste gebouw der wereld
zijn en dagteekenen van het jaar 133 na de schepping. CAÏN zou daarvan
de grondlegger zijn geweest en zich daarbij bediend hebben van den
mastodon, een voorwereldlijk dier. Na den zondvloed zou NIMROD de
bouwvallen van den burcht hersteld en gewijd hebben aan Baäl, den God
der Moabieten, die de zon aanbaden. Volgens dat boekje zou Baäl _zon_ en
Bek of Beka _stad_ beteekenen en de naam Baälbek, later Heliopolis, dus
zonnestad willen zeggen.
Wij weten echter, dat de naam Baäl, d.w.z. Heer, eenvoudig den God
aanduidt, dien de bewoners van het land, hier zeer bepaald die van de
Beka-vlakte dienden. Baälbek was dus het middenpunt van den Baäldienst,
waaraan ook nog de liederlijke vereering van Astarte was verbonden.
Dit blijkt o.a. uit den naam van zekeren ETHBAÄL, d.w.z. _Baäl is met
hem_,—een voormaligen priester van Astarte, die later Koning werd van
Phoenicië. Deze ETHBAÄL was de vader van IZÉBEL, die huwde met ACHAB den
bekenden Koning van Israël, die den Baäldienst invoerde. Wij weten hoe
IZÉBEL daaraan met haar gansche hart verknocht was en welken strijd de
profeet ELIA daartegen voerde op den berg Karmel (1 Kon. XVIII).
In de 2de eeuw na C., toen dit gebied onder de macht der Romeinen kwam
en de zonnedienst meer en meer algemeen werd in het Oosten, verrezen
hier twee zonnetempels, een groote en twee kleine en verkreeg Baälbek
den naam Heliopolis, d. w. z. zonnestad. Beide werden onder de regeering
van CONSTANTIJN den Groote gesloten. Onder THEODOSIUS den Groote
werd er een Christelijke kerk van gemaakt; doch deze werd later door
de Arabieren wederom verwoest, die van de overgebleven gedeelten
en brokstukken een vesting bouwden. Dientengevolge is er van het
oorspronkelijke, ook tengevolge van onderscheidene aardbevingen,
vooral die van 1759, weinig meer overgebleven.
[Illustratie: DE ZONNETEMPEL TE BAÄLBEK.]
In weerwil van dit alles is de aanblik, dien de overgeblevene ruïnes
vertoonen, nog ontzaglijk indrukwekkend. Duidelijk zijn de grondslagen
nog te zien van de aloude tempelgebouwen op een kunstmatig opgehoogd
terras, 300 meter lang en 200 meter breed. Een breede trap aan de
oostelijke zijde verleende den toegang tot een voorportaal; dan volgde
een ruime voorhof en daarachter de zonnetempel, waarvan nog 6 van 54
zuilen overeind staan, elk 19 meter hoog en 2 meter in doorsnede.
De kleinere tempel van JUPITER, die zich daarnaast bevindt, bestaat nog
bijna in zijn geheel. Van de 42 zuilen, welke de 4 muren omringden, zijn
er nog 9 op eene rij te zien. Daar deze weinig geschonden zijn, geven
zij een grootsch denkbeeld van het oorspronkelijk geheel; de architraves
en friezen aan de kroonlijsten, de kapiteelen aan de zuilen, de kunstige
beeldhouwwerken aan de plafonds en alle andere onderdeelen zijn zóó
schoon, dat men een en al bewondering is voor den smaak der ontwerpers
en den kunstzin der bouwlieden.
Maar onze bewondering stijgt tot verbazing, wanneer men van het
verhoogde terras afdaalt en de hoeksteenen ziet aan de buitenzijde, die
den onderbouw vormen. Daaronder zijn er drie aan den Trilithon-muur
d. w. z. muur van drie steenen, die een lengte van 19½ meter hebben, bij
een breedte en hoogte van 4 meter. Men schat het gewicht van een enkelen
steen op 700.000 K.G. Op 20 minuten afstand vindt men de steengroeven,
waaruit zij genomen zijn, en daarbij nog een steen, die onafgewerkt
bleef. Ons verstand staat hier stil bij de vraag, hoe men zulke
gevaarten heeft kunnen verplaatsen en zelfs op elkander leggen. Ik las
ergens in een boek, dat iemand er van zegt: „ze zijn gedenkteekens van
eene beschaving, die over mechanische hulpmiddelen beschikte, waarvan
wij geen begrip hebben,” maar ik voor mij zoû zoo zeggen wanneer ik
zulke hoogdravende wijsheid lees, dat ik dan de opvatting van de
Arabieren, die geloofden, dat daarbij voorwereldlijke dieren te pas zijn
gekomen, nog zoo kwaad niet vind.
Hoe het zij, wij krijgen te Baälbek bij dien Trilithon-tempel, zooals
hij naar die drie steenen, eeuwen lang genoemd werd, den indruk van een
reuzenwerk. Dat reuzenwerk diende om Baäl, den God des lands, te eeren.
En wanneer wij dan de geschiedenis lezen van ACHAB en zijn vrouw IZÉBEL,
de dochter van dien voornoemden priester van Baäl, kan het ons dan
verwonderen, dat eene vrouw als zij met haar gansche hart hing aan het
geloof harer vaderen? Kan ons dan de klacht van een ELIA bevreemden, die
meende, dat hij de eenige was, die zijne knieën voor dien Baäl niet had
gebogen, terwijl het gansche volk dat wel deed? Werpt alles, wat wij van
die vereering van Baäl hier zien, niet een treffend licht op ELIA'S
strijd op den Karmel?
En wanneer hij in dien strijd het volksgeloof overwint en het gansche
volk als uit eenen mond uitroept: „de Heere is God! Jehova is God!”
en daarop alle Baälspriesters doodt, hoe zoû dan zulk een omkeer te
verklaren zijn, zonder het Bijbelsch bericht van het wonder, dat daar
plaats greep en waardoor openbaar werd, dat Israëls God de meerdere, ja
de Eenige was, Dien Israël geroepen was te dienen en te eeren.
Inderdaad, die ruïnes te Baälbek verklaren ons uit Israëls geschiedenis
menige bladzijde, die wij, zonder ze te kennen, niet zoo goed zouden
verstaan.