LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 33 DE ALARMKREET.
DE ALARMKREET
EERSTE HOOFDSTUK.
DE REDACTIE.
Een reusachtig schild met gouden letters trok in de Regentstraat de
aandacht van alle voorbijgangers.
„De Alarmkreet”.
Onafhankelijk orgaan voor recht en waarheid.
las ieder, die daar passeerde.
Des avonds prijkte een enorm groote trompet, gevormd door helder
brandende electrische lampjes, boven aan den gevel van het gebouw.
Te oordeelen naar de reclame, die er werd gemaakt, moest het een
wereldberoemd blad zijn en het grootste gedeelte van het gebouw scheen
gebruikt te worden voor de exploitatie van het blad.
Maar al die reclame was niets als bluf en diende alleen om het publiek
zand in de oogen te strooien.
Dat op deze manier reeds werd gehandeld in strijd met de waarheid,
scheen niet te hinderen.
Wanneer men in het reuzengebouw informeerde naar de redactie van de
Alarmkreet, kreeg men een ontwijkend antwoord.
Alleen de portier, die echter meestal niet te vinden was, wees den
belangstellenden vrager den weg langs drie binnenplaatsen; dan moest
men vijf trappen hoog klimmen, totdat men bijna onder het dak boven een
lage, vervelooze deur een schild ontdekt, waarop te lezen stond:
Redactie van de „Alarmkreet”
Ging de vreemdeling naar binnen, dan vond hij in het vertrek, dat
slechts gemeubeld was met een wankel tafeltje en twee stoelen, een
armoedig gekleeden jongeling van 15 of 16-jarigen leeftijd, die den
bezoeker met verbaasde blikken aanstaarde, alsof hij niet wist, wat
iemand ter wereld daar te zoeken kon hebben.
Vroeg men naar de redactie of den directeur van de courant, dan luidde
het antwoord, dat de jongen gaf, altijd:
„Mr. Röttger, de redacteur, en mr. Kroyzer zijn allebei uit de stad en
het is niet te zeggen, wanneer zij terug zullen komen.”
Men werd dan verzocht zijn aangelegenheden schriftelijk te behandelen.
Niemand probeerde het ooit, de vijf trappen nogmaals, en misschien
tevergeefs, te beklimmen en men deed zijn zaken dan maar per brief af.
De redacteur en de eigenaar van de courant moesten geldige redenen
hebben om een ontmoeting met het publiek te vermijden.
Ook had nog nooit iemand van den goed afgerichten jongen de
particuliere adressen der beide heeren vernomen.
Zelfs tegen een groote fooi verried hij zijn meesters niet.
Eenmaal per week kwam de Alarmkreet uit en niemand wist hoe groot de
oplaag was.
Slechts enkele Londenaars kochten het blad.
Het was, alsof men bang was om er de hand naar uit te steken.
Zij, die het kochten, deden het alleen omdat zij belust waren op
schandaaltjes, die zij in de Alarmkreet rijkelijk konden vinden, of wel
het waren lieden, die zelf in het schimpblad aan de kaak werden
gesteld.
Onder den schijn, voor recht en waarheid te strijden, maakte het
weekblad er zijn werk van, de zwarte zielen der Londenaren nog
donkerder af te schilderen dan zij inderdaad reeds waren.
Slechts zij, die een flink bedrag betaalden of abonné’s waren, konden
er zeker van zijn, niet door het slijk te worden gesleurd.
Het laatste nummer der Alarmkreet bevatte een artikel over John
Raffles, den grooten onbekende.
Mijnheer de redacteur meende te kunnen bewijzen, dat de edele
karaktereigenschappen, welke Raffles in al zijn daden aan den dag had
gelegd, niets anders dan schijnheiligheid waren.
Inderdaad moest hij een gewetenlooze avonturier zijn, een misdadiger,
die zijn ongelukkigen slachtoffers hun laatsten cent ontnam om het geld
in gezelschap van lichtzinnige losbollen of met dames der demi-monde te
verbrassen.
Charly Brand, de vriend en helper van Raffles, had de courant gekocht,
toen die op straat met luid geschreeuw werd aangeboden en legde ze op
diens schrijftafel nadat hij het artikel, dat als opschrift droeg: „De
waarheid omtrent Raffles!” met blauw potlood had aangestreept.
Lord Lister was juist uit de sportclub Hellas in zijn voorname, deftige
woning teruggekeerd en had dadelijk de courant even ingekeken.
De secretaris lette nauwkeurig op de gelaatsuitdrukking van zijn
vriend.
Raffles liet, nadat hij het artikel gelezen had, zijn monocle uit de
oogholte vallen en ving het in de hand.
Met een schalkschen blik en een vroolijk glimlachje sprak hij tot
Charly Brand:
„Nu weet ik tenminste de waarheid omtrent mijzelf. Het is opvallend,
hoe weinig wij, menschen, ons eigen karakter soms kennen. Ik heb
inderdaad tot dusverre nog niet geweten, dat ik een vreeselijke Don
Juan, een speler en drinker ben. Alle eer aan de Alarmkreet! Zij heeft
mij de oogen geopend. Ik voel, dat ik zoo slecht ben, dat ik nauwelijks
meer in den spiegel durf kijken.”
Charly Brand begreep deze ironie niet.
Mismoedig fronste hij de wenkbrauwen en antwoordde:
„Ik snap je niet. Wil je het artikel, zonder er notitie van te nemen,
in de prullemand werpen?
„Moet men jou, die elken penning, welken je met je sport verdient,
besteedt om den nood van ongelukkigen te lenigen, moet men jou
werkelijk voor een speler en een drinker houden?”
John Raffles stond op en klopte zijn secretaris geruststellend op den
schouder.
„Mijn lieve, beste jongen! De enkele lezers van dit artikel mogen er,
wat mij betreft, gelukkig mee zijn. De andere menschen zullen zeker wel
weten, wat men van een stuk in de Alarmkreet kan gelooven.
„Het zou zeer beleedigend voor mij zijn, wanneer het schimpblad had
geschreven, dat ik een eerlijk, vroom mensch was, dat ik een even
volmaakt gentleman was als de heeren van de Alarmkreet dat zelf zijn.
„Kijk eens, mijn beste Charly, zulk een artikel zou ik niet
onverschillig ter zijde hebben gelegd, want dat zou een beleediging
zijn geweest.
„Ik dacht er juist vanmorgen over na, waar ik een nieuw terrein zou
kunnen vinden voor het verdere uitoefenen van mijn sport.
„Ik zal mij nu eens in het belang van het menschdom met dit alom
verspreide blad bezighouden.
„Doe eens je best om er achter te komen waar de eigenaar en de
hoofdredacteur van het blad wonen en op welke uren zij te spreken zijn.
Dan kan ik mijn plan in elkaar zetten.”
Charly Brand stond op, en daar het zijn gewoonte was, de bevelen van
zijn meester dadelijk ten uitvoer te brengen, nam hij zijn hoed en
wandelstok om zich op weg te begeven.
„Mocht je den hoofdredacteur persoonlijk te spreken krijgen,” sprak
lord Lister, toen Charly de kamer wilde verlaten, „stel je dan aan hem
voor als schrijver, wat je immers ook bent.”
Charly Brand bloosde.
„Hoezoo?” vroeg hij. „Hoe weet jij, dat ik schrijf?”
„Ik weet het,” antwoordde Raffles lachend, „ik vond namelijk, toen je
uit waart, in je kamer een lijvig werk, waarin je de meeste mijner
uitgehaalde streken op verbazend kunstige wijze hebt weergegeven.
„Daarom heb ik het recht te zeggen, dat jij een auteur bent.”
„Ik schreef dit alleen voor mijn eigen genoegen,” antwoordde de
secretaris.
„Maar met grooten aanleg,” antwoordde John Raffles. „Ik was reeds
gisteren van plan je te verzoeken, voortaan al mijn avonturen, als mijn
trouw biograaf, op te schrijven. Misschien wordt je daardoor eenmaal
een beroemd man.
„Ga nu. Stel je op de redactie voor als schrijver en zeg, dat je werk
zoekt. Vertel ook, dat je van allerlei hooggeplaatste en beroemde
personen de intiemste schandaaltjes weet.”
Charly ging heen.
Hij moest bijna een uur zoeken, voordat de portier van het groote
gebouw, hem met een geheimzinnig glimlachje den weg wees naar het
redactiebureau van de Alarmkreet.
Toen hij de armoedig ingerichte kamer binnentrad, was daar ook een
bejaarde man aanwezig, die naar zijn kleeding te oordeelen, tot den
gegoeden stand behoorde.
Charly Brand bleef bij de deur staan en was getuige van een gesprek
tusschen den man en den jongen.
„Het is dus onmogelijk,” sprak de vreemdeling, „om een van de heeren te
spreken te krijgen?”
„Onmogelijk,” antwoordde de jongeling, met een grijns op zijn leelijk
gelaat. „Mr. Röttger en Mr. Kroyzer zijn voor zaken afwezig en als gij
iets wenscht, dan moet gij dat schriftelijk vragen.”
„Ik kan dat niet per brief doen,” sprak de onbekende. „Gij weet zeker
wel van welke zaak hier sprake is. De som, die ik moet betalen, kan ik
niet bij elkaar brengen.”
De jongen haalde de schouders op.
„Ik weet niet, waarom het hier gaat, Sir, gij moet dat met den chef
zelf behandelen.”
„Als ik hem maar te spreken kan krijgen,” vervolgde de vreemdeling op
zenuwachtigen toon, „reeds vier keer heb ik den weg hierheen afgelegd.”
„Ik zei u reeds eenige keeren, dat gij de zaak alleen per brief in orde
kunt maken.”
„En ik herhaal u voor de vierde maal, dat ik daartoe niet in staat ben.
Ik geef u een flinke fooi, als gij mij het adres van een der heeren
opgeeft.”
„Ik ken hun adressen zelf niet,” antwoordde de jongen, „het helpt niets
of gij mij een fooi geeft. Mr. Röttger en Mr. Kroyzer komen hier op
kantoor en behandelen met mij, wat er te behandelen is”.
„Ik heb gisteren en vandaag al urenlang gewacht, zonder een der heeren
te spreken—niemand komt. Kunt gij mij niet vertellen, „wanneer zij
ongeveer verschijnen?”
„Wel Sir,” sprak de jongen, „ik kan u geen inlichtingen daaromtrent
geven, ik zie de heeren dikwijls, dagenlang niet. Soms komen zij eerst
des nachts om hier te werken.”
„Maar de heeren moeten u uw loon toch uitbetalen.”
„Yes Sir,” antwoordde de kantoorbediende, „dat zenden de heeren per
post aan mijn moeder.”
Zonder zich verder om Charly Brand of den vreemdeling te bekommeren,
stak de jongen een slechte centssigaar aan, nam plaats op een stoel en
blies dikke rookwolken voor zich uit.
Nu kwam Charly Brand naderbij en sprak tot den waardigen
vertegenwoordiger der Alarmkreet:
„Ik wenschte ook een der heeren te spreken, maar na al hetgeen ik
zooeven hoorde, bestaat daartoe weinig kans.”
„Ja mijnheer,” antwoordde de jongen, in een hoek van de kamer spuwende,
„dat moet gij schriftelijk doen.”
De secretaris zette zijn hoed op en ging heen.
Met een diepen zucht volgde de vreemdeling hem.
Toen zij buiten waren gekomen, sprak de onbekende heer:
„Een schurkenbende is het! Bedriegers van het ergste kaliber en niemand
durft het wagen, hen aan te vallen. Het is meer dan treurig, dat onze
politie aan dergelijke dingen niet een eind maakt! Maar met werkelijke
misdadigers, zooals die daar, bemoeit de politie zich niet.”
„Met wien heb ik de eer?” vroeg Charly Brand, terwijl hij zijn hoed
afnam.
De vreemdeling groette eveneens zeer beleefd en sprak toen:
„Pardon, ik vergat de gewone beleefdheid in acht te nemen. Mijn naam is
Thomas Spancer. Ik ben de eigenaar van een zaak in pelterijen aan het
Strand, gij zult mijn winkel waarschijnlijk wel kennen.”
„Zeker,” antwoordde de secretaris van Raffles, „ik ken die zaak als een
der oudste van Londen.”
„Zoo is het,” knikte de vreemdeling, „mijn grootvader richtte de firma
op. De zaak is reeds honderdvijftig jaar in handen van onze familie en
onze naam staat in Londen uitstekend bekend.
„En nu willen die schurken door middel van hun lastercourant onzen
goeden, eerlijken naam bezoedelen en mij met mijn familie te gronde
richten.
„Dat wil zeggen”—hij lachte bitter—„indien ik de vijfduizend pond
sterling niet betaal.”
Charly Brand floot zachtjes.
„Daar is het hun dus om te doen. Mijn naam is Charly Brand,” sprak hij,
„het zou mij genoegen doen, wanneer ik u kon helpen.”
De pelshandelaar keek den jongen man met onderzoekende blikken aan.
„Ik zou gaarne hulp willen aanvaarden,” sprak hij langzaam.
„Mag ik weten, hoe de zaak in elkaar zit?”
„Uw uiterlijk boezemt mij vertrouwen in,” antwoordde de koopman, „laten
wij samen een restaurant binnengaan, dan zal ik er u meer van
vertellen.”
Beide heeren gingen een restaurant binnen, waar op dat uur weinig
bezoekers waren.
Nadat zij iets hadden besteld, begon de koopman op zachten toon, te
vertellen:
„Ik heb een zoon, die nu 22 jaar oud is en in mijn zaak werkt een jonge
bontwerkster van opvallende schoonheid.
„Zij en mijn zoon werden verliefd op elkaar en hiervan bemerkte ik pas
iets, toen het reeds te laat was.
„Tevergeefs wees ik mijn zoon op de treurige gevolgen van zijn
lichtzinnig gedrag en zei hem, dat hij onmogelijk met het jonge meisje
kon trouwen, daar elk mannelijk lid onzer familie een geldhuwelijk moet
sluiten.
„Misschien vindt gij een dergelijk principe niet goed, maar ik verzeker
u, mr. Brand, dat in drie geslachten, bij mijn grootvader, mijn vader
en mij zelf, waar de huwelijken allemaal uit berekening werden
gesloten, een gelukkig en kalm familieleven heeft geheerscht.
„Bij veel van mijn vrienden daarentegen, die huwelijken uit liefde
sloten, zijn ongeluk, zorg en vernietiging der eens gekoesterde idealen
de treurige gevolgen geweest.
„Mijn zoon dacht er ook niet over, het jonge meisje te huwen en maakte
daardoor den toestand nog erger.”
„Dat begrijp ik niet,” sprak Charly Brand hoofdschuddend, „gij hadt dit
juist prettig moeten vinden.”
„Volstrekt niet,” antwoordde de ander, „want hierdoor kreeg ik een
slechten dunk omtrent het karakter van mijn zoon.
„Hoe is het mogelijk, dat een jonge man een verhouding aanknoopt met
een meisje, zonder te bedenken dat hij daardoor de verplichting op zich
laadt om met haar te trouwen?”
„Ja, gij hebt gelijk,” sprak de secretaris.
„Om kort te zijn,” vervolgde de oude heer, „de naaister geloofde
stellig, dat mijn zoon Charly—mijn zoon draagt denzelfden naam als
gij—haar zou huwen.
„Toen ik haar verklaarde, dat zij misrekende en dat mijn zoon op reis
zou gaan—hij bevindt zich tijdelijk in Amerika om pelswaren in te
koopen—haalde het arme meisje een domme streek uit en sprong, om een
eind aan haar leven te maken, in de Theems.
„Zij werd gered.
„Op mijn kosten liet ik haar in een onzer beste ziekenhuizen verplegen,
waar ik haar dagelijks bezocht.
„Het gelukte mij, haar vaderlijke vriend te worden.
„Nadat zij hersteld was bezorgde ik haar een kleine zaak in pelswaren
in de Victoriastraat en alles zou in orde zijn geweest, wanneer niet
naar aanleiding van het politierapport omtrent de poging tot zelfmoord
een verslaggever van de Alarmkreet het geval had nageplozen.
„In de Alarmkreet zal nu een artikel verschijnen dat de zaak zoo
voorstelt, alsof mijn zoon met mijn voorkennis, misschien ik zelf, het
jonge meisje zou hebben onteerd en wij haar als afkoopsom die zaak
hadden verschaft.
„Daar mijn reputatie steeds goed is geweest, zal dit courantenbericht
groot opzien verwekken en mij ten zeerste benadeelen.”
„Hoe weet gij, dat een dergelijk sensatiebericht in de courant zal
komen?” vroeg Charly Brand. „Is het reeds verschenen?”
„Neen,” antwoordde mr. Spancer, „maar de redactie van de Alarmkreet
zond mij een schrijven en als bijlage” de copie van het artikel ter
inzage.
„Mijn vrienden, aan wie ik de zaak meedeelde, rieden mij aan, mij in
verbinding te stellen met de redactie der Alarmkreet en te trachten
door het betalen van een zeker bedrag te verhinderen, dat het artikel
het licht zal zien;
„Ik zou ook bereid zijn, een vrij groot bedrag voor dat doel op te
offeren, maar de eisch is helaas te hoog. Ik kan op het oogenblik niet
over het gevraagde bedrag beschikken.
„Als het winter was, zou dat beter kunnen, maar nu in den zomer gaat er
zoo goed als niets in mijn zaak om en ik heb mijn geld door het
inkoopen van pelswaren voor den volgenden winter reeds vastgezet.”
„Hoeveel vroegen de kerels?”
„Vijfduizend pond sterling. Een flink bedrag.”
„Schandelijk!” riep Charly Brand uit, „voor den duivel, ja, hier moet
worden gehandeld! Ik heb een vriend, dien ik onmiddellijk van deze zaak
op de hoogte zal stellen.
„Ik denk wel, dat hij de man is, die u kan helpen.”
„Dat zou al heel spoedig moeten gebeuren,” sprak mr. Spancer, „ik heb
slechts drie dagen tijd, dan moet ik betalen, of de schurken
publiceeren het artikel.”
„Mijn vriend heeft in vierentwintig uur dikwijls meer klaar gespeeld
dan dit. Maat laat ons nu heengaan. Ik hoop u over een paar uur met
mijn vriend te komen bezoeken.”
Zij betaalden hun vertering en namen afscheid van elkaar als een paar
oude vrienden.
Mr. Spancer zag en hoorde nog, hoe Charly Brand in een rijtuig plaats
nam en den koetsier toeriep, zoo snel mogelijk te rijden.
Het was in het late avonduur van den volgenden dag, toen mr. Charles
Röttger, de redacteur van de Alarmkreet, zacht, als een misdadiger, de
trap naar de redactie opging. Er bevond zich op dat uur niemand meer in
het gebouw, dat slechts voor kantoorlokalen was ingericht.
Mr. Röttger, een klein, mager mannetje, ontsloot de deur naar de
redactie en grendelde ze, nadat hij was binnengetreden, zorgvuldig.
Hierop streek hij een lucifer aan en ging naar het tafeltje, waarop
verschillende brieven lagen.
Nu nam de journalist plaats op een wankelen stoel die voor de
schrijftafel stond en begon de aangekomen post te openen.
Zijn roofdierachtig gelaat werd af en toe verwrongen tot een duivelsch
lachje, wanneer hij in een brief iets las, dat hem bijzonder beviel.
Zoodra hij een brief had gelezen, beantwoordde hij dezen.
Ten slotte nam hij een blauwe enveloppe op, die hij opende en waaruit
hij een schrijven haalde van den volgenden inhoud:
Waarde heer!
Ik ben beambte van het hoofdbureau van politie en werk in de naaste
omgeving van den politie-inspecteur Baxter.
Ik geloof niet, dat gij tot dusverre hebt geweten, dat deze beambte
vele huizen bezit en zeer vermogend is.
Het zal u duidelijk zijn, dat hij deze eigendommen niet van zijn
salaris heeft overgespaard.
Hoe komt hij aan dat geld?
Welnu, ik ken de bronnen, waaruit dat vermogen is gevloeid. Stelt
gij er belang in, van mij inlichtingen te bekomen voor het
opstellen van een opzienbarend artikel, dan verzoek ik u, mij in
mijn particuliere woning op te zoeken. Ik ben tusschen 5 en 7 uur
des avonds altijd thuis:
Op uw redactie zou ik liever niet willen komen, omdat ik een te
bekende persoonlijkheid in Londen ben en de een of andere collega
mij zou kunnen zien.
Met de meeste hoogachting
TOM MARHOLM,
Essexstraat 16.
„Een prachtig zaakje,” fluisterde Charles Röttger, den brief nog eens
lezende.
Daarop stak hij hem zorgvuldig in zijn portefeuille, blies de kaars op
de schrijftafel uit en verliet het redactiebureau even geheimzinnig als
hij er gekomen was.
Hij vermoedde niet, welke valstrik John Raffles hem had gespannen.
In een restaurant kwam hij samen met zijn compagnon, die bekend stond
in de Londensche wereld als „de mooie Guido”. Hij was een bekende
persoonlijkheid en verborg achter een masker van onbeduidendheid zijn
uiterst geslepen, slecht karakter.
Hij en zijn vriend pasten bijzonder goed bij elkaar.
Ook de mooie Guido grijnslachte, toen hij den brief van den vermeenden
detective Marholm las.
„Een goed zaakje,” sprak hij tot zijn medeplichtige, „minstens 1000
pond sterling waard.”
„Mijnheer de inspecteur van politie zal er zijn geheele vermogen voor
over hebben om te voorkomen, dat dit artikel verschijnt.”
„Gij denkt dus niet, dat deze brief een valstrik is?”
„Onmogelijk,” antwoordde de mooie Guido, „ik heb den naam Marholm
ontelbare keeren bij de Raffles-geschiedenissen in de couranten
gelezen.
„Wij behoeven ons deswege niet ongerust te maken. Hij is van plan, zijn
chef een poets te bakken.
„Bovendien ziet gij uit den brief, hoe bang de man is, om bij een
eventueel bezoek aan onze redactie gezien te worden.
„Wij behoeven niet te vreezen voor een man, die angst heeft voor zijn
eigen persoon.”
„Gij hebt gelijk,” antwoordde Mr. Röttger, „ik zal den man morgen
bezoeken en hem het bloed uit de nagels persen.
„Dan zal ik een kranig artikel naar den beroemden inspecteur van
politie zenden.”
„Het zal een mooi zaakje worden,” meesmuilde de mooie Guido, „en als de
inspecteur niet betaalt, een schitterend sensatiebericht voor ons
blad.”
„Maak maar een artikel gereed naar aanleiding waarvan geheel Londen op
zijn kop zal staan!”
„Maak u daaromtrent niet ongerust,” antwoordde Charles Röttger, „gij
kent mijn pen.”
Den volgenden dag, precies om 5 uur, werd er op de deur geklopt van een
kamer in de Essexstraat no. 16, in welk huis volgens opgaaf in den
brief Mr. Marholm moest wonen.
Het was een pension en de redacteur van de Alarmkreet kon onmogelijk
weten, dat Raffles daar onder den naam van Marholm een kamer had
gehuurd om, zooals hij het noemde, de rattenval op te stellen, waarin
hij den redacteur en den eigenaar van het schendblad wenschte te
vangen.
Hij had zich niet vergist.
De val met het vette schandaalbericht beantwoordde uitstekend aan het
doel.
Dit bemerkte hij, toen de kleine, magere redacteur de kamer binnentrad
met de woorden:
„Heb ik de eer Mr. Marholm te spreken?”
„Yes,” antwoordde Raffles, die de beide kerels voor zoo dom hield, dat
hij het niet eens de moeite waard had gevonden om de vermomming van
detective Marholm aan te nemen.
„Mijn naam is Marholm, met wien heb ik de eer?”
De kleine Mr. Röttger naderde Raffles zoo dicht mogelijk en fluisterde:
„Ik kom van de Alarmkreet.”
„Dat is uitstekend,” antwoordde Raffles.
Daarop ging hij naar de deur en de journalist zag, hoe hij die
grendelde, blijkbaar uit angst, dat iemand zou kunnen binnenkomen.
„Niemand heeft u toch gezien?” vroeg Marholm op angstigen toon.
„Wees onbezorgd,” lachte de journalist, „ik zorg er altijd voor, dat
niemand mij ziet. Ik weet, dat het voor u in uw betrekking van
detective gevaarlijk zou zijn, als iemand mij hier had zien
binnengaan.”
„Ik heb een prachtige geschiedenis voor uw blad,” sprak Raffles, toen
zij plaats hadden genomen, „en ik hoop, dat gij, die voor recht en
waarheid strijdt, dezen man, die de Londensche politie tot schande is,
den inspecteur Baxter, door uw artikel zijn ontslag zult bezorgen.”
„Nu, wij zullen zien,” antwoordde de bezoeker, „voor alles moet gij uwe
beweringen met bewijzen kunnen staven. Ik hoop, dat gij daartoe in
staat zijt!”
„En gros,” sprak de groote onbekende, „ik kan alles bewijzen.
„Ziet gij, deze inspecteur van politie, die een rijksinkomen heeft van
1000 pond sterling, heeft een tegoed op de Bank van 15,000 pond en hij
bezit verscheiden huizen, zoodat hij millionnair is.”
Mr. Röttger wreef zich de handen.
„Uitstekend,” mompelde hij vergenoegd, „een inspecteur van politie, die
millionnair is, dat geeft een magnifique artikel voor de Alarmkreet.”
„Gij zult zelf wel begrijpen, dat men bij een jaarlijksch inkomen van
duizend pond sterling geen millionnair kan worden, maar ik zal u
allerhande bijzonderheden meedeelen. Ik heb hier de geheime lijsten,
waarop gij kunt zien, van welke zijden de heer Baxter zijn inkomsten
betrekt.
„Allereerst moet gij dit zien.”
Hij nam een brief, die voorzien was van het wapen, van Lord Lister en
toonde dien den redacteur.
„Wees zoo goed, mij dien brief te geven,” sprak Mr. Röttger.
„Ik zal hem voorlezen, dat zal u voorloopig voldoende zijn. Het is een
brief van den beruchten John Raffles aan den inspecteur van politie.
Daaruit zult gij zien, hoe het komt, dat Mr. Baxter tot dusverre den
man nog niet heeft gepakt.”
„Hoogst interessant! Hoogst interessant!” fluisterde de redacteur.
„Neen!” schreeuwde Raffles, „een schandaal is het! Het grootste
schandaal der geheele wereld. Deze politieinspecteur is de
medeplichtige van den grooten onbekende. Hij speelt met hem onder één
hoedje, dat staat zwart op wit in dezen brief.”
Deze openbaring werkte zoo electriseerend op Mr. Röttger, hoewel deze
aan sterke staaltjes gewend was, dat hij den vermeenden Marholm met
open mond aanstaarde.
„Maar dat is niet te gelooven,” mompelde hij.
„Wees zoo vriendelijk, mij den brief voor te lezen.”
Hij zag het fijne glimlachje niet, dat bij die woorden om den mond van
Raffles speelde.
Deze las:
Mijn waarde Baxter!
Ik heb gisteren den ouden Simpson, den diamanthandelaar, van wien
gij mij mededeeldet, dat hij allerlei vuile zaken doet, opgezocht
en hem drieduizend pond sterling armer gemaakt.
Hierbij zend ik u een cheque van 1500 pond, de helft van den buit.
Hedenavond ben ik in het Piccadilly Restaurant onder de bekende
vermomming. Vraag den ober-kellner naar Mr. Thonet.
Wij zullen een paar flesschen champagne op het welslagen drinken.
Met vriendelijke groeten
JOHN C. RAFFLES.”
De kleine journalist snakte een oogenblik naar adem.
Dat was meer dan hij had verwacht.
Van zijn stoel opspringend, riep hij uit:
„Geef mij dien brief!”
„Het spijt mij,” sprak Raffles, „dit Schrijven zal ik zelf behouden.
Maar indien gij het wenscht, ben ik bereid, het bij een notaris te
deponeeren, voor het geval, dat men u een proces zou aandoen.”
„Gij hebt gelijk,” antwoordde Röttger, „dat is de juiste manier. Gij
moet bedenken, welke gevolgen het zou kunnen hebben, als ik er een
artikel over schrijf.
„Het is enorm—Raffles als compagnon van den politie-inspecteur Baxter!”
„O,” lachte de pseudo Marholm, „ik kan u nog veel mooiere dingen
vertellen. Verscheiden geheime opiumholen in Londen, kroeghouders
zonder vergunning, een dievenbende in Eastend, geheime speelhuizen, om
kort te gaan, ik kan u een lijst van ongeveer 80 personen verschaffen,
welke allen den inspecteur van politie vast salarieeren.”
„Gij zijt gek,” sprak Röttger. „Als ik in uw plaats was, dan had ik
reeds langen tijd geld geslagen uit de omstandigheid, dat gij dat alles
weet en op die wijze mijn schaapjes op het droge gebracht.”
„Bravo!” riep Raffles uit, „gij begrijpt mij, het doet mij genoegen,
dat ik mij tot u heb gewend.
„Ik wil, als ambtenaar, niet zelf in het openbaar tegen mijn chef
optreden.
„Maar gij, een vreemdeling, een journalist, de redacteur van de
beroemde Alarmkreet, gij kunt hem de duimschroeven aanleggen en tot hem
zeggen:
„„Of gij betaalt ons een flinke afkoopsom, of—”” Raffles maakte een
beweging, alsof hij iemand de keel afsneed.
„Fameus! Uitstekend!” riep de redacteur en wreef zich opnieuw in de
handen, „dat is een prachtige zaak.
„Hoe hoog is het tegoed, dat die heer op de Bank heeft?”
„Voor zoover ik weet, bedraagt het 15,000 pond sterling.”
„De man zal wel meer bezitten. Bedenk eens, wat dergelijke zaken voor
een winst opleveren! Reeds alleen zijn relatie met Raffles!”
„Zeker, zeker,” lachte de groote onbekende, „dat alleen moet den
inspecteur dit jaar minstens een kwart millioen hebben opgebracht.”
„Veel meer,” antwoordde Mr. Röttger, „de man heeft meer gestolen dan
een half millioen. Wat een prachtige zaak! Op deze wijze kunnen wij
indirect de winst deelen, die Raffles behaalt.”
„Dat wil ik juist,” riep Lord Lister uit, „en nu laat ik het aan u
over, om de zaak te regelen.”
De kleine journalist stond op en sprak:
„Laat ons dadelijk naar een notaris gaan, een afschrift maken van den
brief en het origineel daar deponeeren. Maar gij kent den inspecteur
van politie toch wel nauwkeurig?”
„Zeer zeker,” antwoordde Raffles, „ik werk reeds verscheiden jaren met
hem.”
„All right,” sprak de redacteur, „is hij buitengewoon dapper?”
„Volstrekt niet,” klonk het uit den mond van Raffles.
„Gij denkt dus,” vervolgde de redacteur, „dat een brief reeds voldoende
zou zijn om hem te doen betalen?”
„Hij betaalt,” lachte Raffles.
„Hoeveel denkt gij, dat wij kunnen vorderen?”
John Raffles haalde de schouders op.
„Ik denk, dat wij voorloopig drieduizend pond sterling kunnen vragen,
later meer! Zijn geldbronnen zijn onuitputtelijk, zoolang hij
samenwerkt met John Raffles.”
„Gij hebt gelijk!” stemde de groote onbekende lachend toe, „wanneer
Raffles niet sterft, kunt gij jaren lang alleen van hem leven op een
vorstelijke manier!”
Met een duivelschen glimlach wreef de redacteur der Alarmkreet zich
opnieuw de magere handen, daarop nam hij zijn viezen hoed op en sprak:
„Ga nu met mij mee naar een notaris. Ik zal al het verdere in orde
maken!”
Toen Raffles de trap afging, sprak hij tot zichzelf:
„Ziezoo, de val is dicht! Een van de heeren heb ik, de andere zal wel
volgen!”
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN SCOTLAND YARD.
Detective Marholm, de secretaris en rechterhand van inspecteur Baxter,
had zich, zooals reeds herhaaldelijk was geschied, over zijn chef
geërgerd.
Zijn chef, die zeer accuraat was, had hem een standje gegeven, omdat
Marholm bij het schrijven van de processen-verbaal geen zorg had
gedragen voor het vrij laten van een tweevingers breeden witten rand.
Hij had de vellen papier geheel beschreven en zoodoende den noodigen
eerbied uit het oog verloren.
„Het is om je dood te ergeren,” bulderde Marholm, „alsof het niet
precies hetzelfde is, of een rechter een volgeschreven blad krijgt dan
wel een met witten rand. Het komt immers op hetzelfde neer, de
hoofdzaak is dat, wat er op geschreven staat.
„Al die beuzelarijen hangen mij eigenlijk de keel uit!”
Verontwaardigd kauwde hij op zijn pennehouder en deed zijn best om nu
aan den voorgeschreven witten rand te denken.
En dat was, hoe belachelijk het ook moge schijnen, niet zoo
gemakkelijk.
Zoodra Marholm aan het eind van een regel kwam, bevatte het woord, dat
hij juist schreef, eenige letters meer of hij was midden in een
lettergreep en met den besten wil van de wereld wist hij niet, waar hij
met die overtollige letters zou blijven, om een witten kant vrij te
laten.
„Mooi,” mompelde hij tot zichzelf, „verder dan tot hier mag ik niet
komen, afkorten gaat niet, dus ik laat de rest van de letters eenvoudig
weg.
„Laat anderen zich gek praktiseeren; als zij zoo op die tweevingers
breeden rand gesteld zijn, moeten zij ook maar trachten te begrijpen
wat hier staat. Mij laat het verder koud.”
Zonder er verder over na te denken, schreef hij maar door en zoodra hij
den blanco rand genaderd was, eindigde hij het woord, dat hij bezig was
te schrijven, al mankeerden er ook nog tien letters aan.
Toen het koffieuurtje was genaderd, haalde hij zijn eenvoudige
boterhammen te voorschijn en begon te eten, terwijl de inspecteur zich
uit een naburige restauratie een warme lunch liet komen.
„Wacht,” dacht de vloo, zooals Marholm door zijn collega’s werd
genoemd, „ik zal je je biefstuk met een flinke dosis Raffles kruiden.
Dan zal ze je zoo zwaar in den maag liggen, dat je ze even moeilijk
kunt verdragen dan je den grooten onbekenden doet.”
De inspecteur van politie vermoedde niets van de booze plannen van zijn
secretaris en toen deze het laatste hapje van zijn boterham had
gegeten, terwijl Baxter aan zijn biefstuk begon, sprak hij:
„Het is toch eigenlijk onbegrijpelijk, dat wij gedurende de laatste
weken niets van Raffles hebben gehoord!”
Een woedende blik van den inspecteur trof Marholm.
Deze deed, alsof hij dit niet bemerkte en vervolgde:
„Waarschijnlijk zet hij een nieuw meesterstuk in elkaar, dat ons heele
bureau eerstdaags op den kop zet.
„Een geniale kerel die Raffles!”
Een kauwend gebrom van den politieinspecteur was het antwoord en deze
sprak:
„Gij ziet, Marholm, dat ik eet. Kunt jij met uw gezanik over Raffles
niet wachten totdat ik klaar ben? Gij weet immers, dat die naam
voldoende is om mij allen eetlust te benemen!”
„Jawel,” knikte de vloo, „dat weet ik.”
„Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „gij bekent dus, dat gij mij
mijn eten wilt bederven?”
„Ja,” antwoordde de vloo op onverschilligen toon.
De politieinspecteur hijgde naar lucht.
Deze brutaliteit was toch wel wat heel erg.
„Wat bezielt u? Ik zal dit onthouden! Ik zal u aanklagen wegens
insubordinatie in den dienst!”
„Wij hebben nu geen dienst,” antwoordde Marholm, „nu eten wij. Op het
oogenblik zijn wij alle twee particuliere personen en gij weet, dat ik
dan volgens de Engelsche wet mag zeggen wat ik wil. Dat kan mij zelfs
de Koning van Engeland niet beletten, want ik ben Engelsch
Staatsburger. En voor de rest wreek ik mij een beetje op u. Gij hebt
mij met uw tweevingersbreeden witten rand eveneens den eetlust
bedorven.”
Inspecteur Baxter zette een gezicht als een onderwijzer van een
volksschool, die de kinderen de zondenval van Adam en Eva gaat
vertellen.
Vol geleerdheid begon hij:
„Het is een voorschrift van den Lord Major van Londen, dat elk
officieel stuk een tweevingers breeden witten rand aan de rechterzijde
moet hebben. Deze wet stamt uit het jaar 1680 en is tot dusverre steeds
gerespecteerd. Gij hebt niet het recht, gij, detective Marholm, om deze
oude wet op anarchistische wijze met voeten te trappen.
„Maar het vervloekte moderne socialisme schijnt zich ook in uw hersens
te hebben genesteld, gij wenscht u niet meer te storen aan dergelijke
oude voorschriften.
„Ik merk ook uit uw gedrag jegens mijn persoon, dat gij allen eerbied,
dien gij mij als uw chef verschuldigd zijt, opzettelijk uit het oog
verliest.”
Marholm glimlachte ironisch.
„Heer inspecteur,” antwoordde hij op denzelfden zalvenden toon, dien
Baxter had aangeslagen, „het komt niet in mij op, mij te vergrijpen aan
de eeuwenoude wetten van ons koninkrijk en ik zie in, dat ik een
afschuwelijk mensch ben, om den rand van twee vingers breed te willen
weglaten.
„Voortaan zal ik dergelijke abnormale afwijkingen niet meer hebben, dat
beloof ik u. Gij zult u nooit meer behoeven te beklagen, dat ik u
beleedig.
„Maar dit alles verandert niets aan het feit, dat Raffles sinds vier
weken niets van zich heeft laten hooren, dat Raffles— — —”
„Houd op, houd op!” schreeuwde de inspecteur van politie, „ik wil niets
meer hooren! Ik wil er niets meer van weten! De duivel moge Raffles
halen.
„Ik wensch nu mijn biefstuk rustig op te eten en daarvoor heb ik noch
u, noch Raffles noodig, die kauw ik liever zelf.”
Marholm, die zag, dat hij zich voldoende gewroken had, stak zijn neus
weer in de papieren en zweeg.
Nadat hij een poosje geschreven had, sprak hij op half luiden toon,
zoodat Baxter het moest hooren:
„De onbekende misdadiger is tot dusverre nog niet door Scotland Yard
ontdekt.”
Baxter keek van terzijde naar hem.
„Wat mompelt gij daar?”
„O, mompelde ik iets!” vroeg de vloo. „Ik meende dat ik schreef en wel
iets, waarvan ik ’s nachts in mijn slaap droom.
„Ik zou willen voorstellen, om die woorden te laten hectografeeren, dat
zou mij veel tijd besparen, daar ik hem geregeld elken dag aan den Lord
Major moet schrijven.”
„Welken zin?” vroeg Baxter, hoewel hij vist wat Marholm bedoelde.
„De onbekende misdadiger is ondanks de ijverigste nasporing van den
politieinspecteur Baxter en diens detectives tot op heden nog niet
ontdekt.”
„Laat mijn naam er buiten,” schreeuwde Baxter en zijn gelaat werd
purperrood.
„Waarom,” meesmuilde de vloo, „dacht gij, dat de Lord Mayor niet weet,
dat gij de inspecteur van politie van Scotland Yard zijt?”
„Dat wel,” bromde Baxter, „maar het is niet noodig, dat het
neergeschreven wordt.”
„Och, kom,” sprak Marholm, „geneert gij u? Zal ik u eens wat zeggen? Op
den dag, waarop ik eindelijk zal moeten schrijven, dat wij den grooten
onbekende in handen hebben, neem ik een pen van vijf karaats goud,
gouden inkt en dan laat ik het stuk in een lijst zetten.”
„Gij schijnt vandaag bijzonder geestig te zijn,” sprak Baxter. „Wij
hebben in den loop der laatste maand 380 personen gevangen genomen.”
„Dat is waar!” klonk het op spottenden toon uit Marholm’s mond.
„Nu dan!”
„Ja, dat is waar,” herhaalde de vloo, „maar dat waren bekende
misdadigers. Ik zeg maar: De onbekende misdadigers, de groote
onbekenden, zooals bijvoorbeeld Raffles— —”
Baxter schoof onrustig op zijn stoel heen en weer en voelde zich niets
op zijn gemak.
„Kijk eens,” vervolgde de vloo, „daar hebben wij dien schurk, die in
Eastend een dozijn vrouwen een messteek heeft gegeven, wij hebben
inbrekers-moordenaars, wier misdaden ten hemel schreien en waarvoor
onze galgen bestemd zijn—maar de kroon op alles wordt ten slotte toch
gezet door den wereldberoemden grooten onbekende, onzen langgezochten
vriend Raffles— —”
Bom!
Een vuistslag van Baxter kwam donderend op de schrijftafel neer, zoodat
de inkt omhoog spatte.
„Houd op, vervloekte kerel, houd uw mond! Gij schijnt uw best te doen
om verslaggever te worden. Ik zal u laten verplaatsen.”
„Hoe eer hoe liever,” zuchtte de vloo, „dat is mijn vurigste wensch.
„De duivel moge den onderwijzer halen, die mij heeft leeren schrijven.
Aan hem heb ik dit ellendige baantje van secretaris te danken.
„En dat ik geen detective kan zijn, is uw schuld. Maar ik heb mijzelf
plechtig beloofd, alles in het werk te stellen om hier vandaan te komen
en weer in de buitenlucht te werken.
„Ik ken helaas onder mijn collega’s geen enkelen, die behalve zijn naam
en een rapport vol fouten, in staat zou zijn om een acte leesbaar en
duidelijk op papier te brengen.
„Maar dit zeg ik u: Zoodra ik een Ier of voor mijn part een Schot vind,
die in staat is om een Engelschen zin zonder fouten te schrijven, dan
komt hij zoo stellig en zeker hier in mijn plaats, als twee maal twee
vier is.
„Als gij mij met verplaatsing dreigt, dan doet gij mij het grootst
mogelijk genoegen.
„Ik smeek elken avond den hemel, dat hij u uw plan mag laten volvoeren
om mij de deur uit te gooien. De pers maakt ons elk oogenblik
belachelijk. Want omdat ik uw rechterhand ben, ben ik er mede
verantwoordelijk voor, dat Raffles—”
„Kerel, zwijg!” bulderde Baxter met een nieuwen vuistslag.
Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt.
Met een zucht van verlichting riep Baxter:
„Binnen!”
De dienstdoende beambte, die bezoekers aan moest dienen, trad binnen,
bleef in eerbiedige houding bij de deur staan en meldde:
„Twee heeren, een zekere Mr. Kroyzer en een Mr. Röttger wenschen u te
spreken.”
„Laat de heeren binnenkomen,” sprak Baxter. Hij nam aan zijn
schrijftafel plaats en deed, alsof hij druk bezig was. Hij doopte de
pen in en zette zijn naam onder de opgestapelde acten en papieren.
Terwijl Baxter onder het eerste stuk met stijlschrift zijn naam
plaatste, kwamen de heeren vertegenwoordigers van de Alarmkreet de
kamer binnen.
Baxter keek de heeren met scherpen blik aan.
„Pardon, heer inspecteur,” sprak de redacteur der courant, terwijl hij
langzaam Baxter naderde, „wij hebben een zeer kiesche aangelegenheid
met u te bespreken.”
„Ik ben tot uw dienst,” antwoordde Baxter, „als gij mij maar wilt
zeggen, wat gij wenscht. Maar weest kort, want mijn tijd is beperkt.”
„Dat mocht zoo zijn!” dacht Marholm. „Hij moet zijn biefstuk verteren.”
„Wij zouden u gaarne onder vier oogen spreken, heer inspecteur,” sprak
Mr. Röttger, „wat wij u hebben te zeggen betreft u persoonlijk.”
Baxter werd onrustig.
Deze woorden maakten hem zenuwachtig. Wat wilde deze man van hem?
Het was alsof de vreemde bezoeker zijn superieur was, die hem ter
verantwoording kwam roepen.
„Het spijt mij,” antwoordde hij schouderophalend, „mijn persoonlijke
aangelegenheden kan ik hier gedurende mijn diensttijd niet behandelen.
Dan moet gij mij in mijn woning bezoeken.
„Met wien heb ik de eer?”
De kleine redacteur stak de borst vooruit als een haan op een mesthoop
en kraaide:
„Mijn naam is Röttger. Ik ben de redacteur van de Alarmkreet.”
Als antwoord weerklonk een luide kuch van Marholm en dat klonk zoo
spottend, dat de kleine, magere redacteur den detective woedend aankeek
en hem met een minachtenden blik opnam.
Baxter daarentegen kreeg, toen hij vernam wie Röttger was, een
panischen schrik.
Zijn particuliere leven was ten gevolge van de vele Don Juan-streken,
die hij steeds uithaalde, niet vrij van smet of blaam, zoodat hij vroeg
of laat een schandaal vreesde.
Ongetwijfeld betrof het bezoek van deze gevaarlijke heeren zijn galante
avonturen.
„Laat mij eenige oogenblikken met de heeren alleen,” sprak hij tot
Marholm.
De vloo kon niet snel genoeg de kamer verlaten.
Hij was altijd blij van zijn bundels acten weg te komen.
Toen hij in de voorkamer was, stopte hij op zijn gemak een pijpje, stak
dat aan en daar hij er belang in stelde om te weten, wat de beide
journalisten bij zijn chef kwamen doen, luisterde hij met zijn oor
tegen een dunne plek, waarop hij, om ze gemakkelijk terug te kunnen
vinden, een kruisje had geteekend.
Dichtbij hem bevond zich het kijkgaatje, bedekt door een metalen
klepje, dat hem in staat stelde om in de kamer te kunnen kijken. Baxter
had deze spionnage-opening laten aanbrengen, om Marholm bij den arbeid
ongezien te kunnen gadeslaan.
Hij dacht er niet aan, dat zijn beambten het wederkeerig tegenover hem
zelf konden gebruiken.
Duidelijk hoorde Marholm het volgende gesprek:
„Gij weet,” sprak Mr. Röttger, „dat ik redacteur ben van de Alarmkreet,
de onpartijdige, bekende courant, die strijdt voor recht en waarheid.
„Het is het doel van ons blad om alle mistoestanden, die wij ontdekken,
zonder aanzien des persoons, aan de openbaarheid prijs te geven, ten
einde ze te verbeteren.
„Wij zijn strijders voor recht en billijkheid, wij wenschen de
modderpoelen der moderne maatschappij met harde bezems te reinigen, wij
strijden tegen al het onrechtvaardige, dat om ons heen geschiedt!”
„Mooi,” antwoordde Baxter, „dat heb ik begrepen, maar nu zou ik wel
eens willen weten, wat gij van mij wenscht. Ik was in het geheel niet
nieuwsgierig naar een lofzang op uw courant.”
„Hoe?” piepte de kleine redacteur, „denkt gij soms, dat ik zonder doel
tegen u sta te redeneeren? Mijnheer, mijn woorden zijn voor mij de
tolken van mijn gedachten.
„Elke letter is goed doordacht, er is geen overbodig woord bij, kortom,
ik herhaal u, dat ik strijd voor recht en waarheid!”
„Een kolossale kerel!” mompelde de vloo aan de andere zijde van de
deur, „de vingers jeuken mij om hem eens flink op een zeker
lichaamsdeel te ranselen.
„Hij ziet eruit als iemand, die aan de galg is ontsnapt en hij spreekt
als een officier van het heilsleger. Een nette jongen!”
„Laat mij ook eens even aan het woord,” sprak nu de mooie Guido terwijl
hij zijn zakdoek te voorschijn haalde en zich op kokette wijze frissche
lucht toewuifde.
De tabaksrook scheen hem te hinderen. Hij was in dit opzicht zeer
fijngevoelig.
„Wij hebben gisteren,” zoo begon hij, „een opzienwekkende mededeeling
gekregen. Het betreft Raffles.”
„Oef!” zuchtte de inspecteur van politie, zijn bezoekers aankijkend,
alsof hij hen de deur uit wilde gooien.
Raffles scheen vandaag onophoudelijk zijn nachtmerrie te moeten zijn.
„Waar is Raffles?” vroeg Baxter eindelijk. „Hebt gij hem ontdekt?”
De redacteur en de mooie Guido zetten een gezicht als een Engelsche
Lady, wanneer iemand in haar nabijheid sterk naar alcohol riekt.
„Neen,” sprak de mooie Guido, „het ontdekken van Raffles kunnen wij
gerust aan u overlaten.
„Wij zijn geen detectives, wij zijn courantenmenschen!
„Maar wij hebben een andere ontdekking gedaan, die u en het publiek
zeker sterk zullen interesseeren.”
„En dat is?”
De mooie Guido wachtte even, zooals een krokodil doet, die zijn
slachtoffer reeds in den muil heeft en het in het volgend oogenblik
naar binnen wil slikken.
Een duivelsche grijns misvormde zijn gelaat, hij haalde zijn monocle
uit zijn vestzakje te voorschijn, beademde dat, poetste het op aan zijn
linkermouw en klemde het daarop in zijn oog.
Hij keek den politie-inspecteur scherp aan in de houding van Lord
Chamberlain en sprak:
„Hebt gij inderdaad geen vermoeden, welke ontdekking wij in het
algemeen belang hebben gedaan?”
„Sir!” stoof Baxter op, „ik ben niet van plan, mij raadsels door u te
laten opgeven. Vertel mij duidelijk, wat gij van mij wenscht en spreekt
niet zoo onbegrijpelijk.”
„Mooi!” kraaide de magere redacteur, „dan zal ik het u vertellen.
„Wij hebben een brief ontvangen en in ons bezit gekregen, die aan u is
geschreven door Raffles.”
Baxter zette verbaasde oogen op.
Hij ontving meermalen brieven van Raffles en aangenaam waren ze hem
nooit.
Hij had ze allemaal genummerd in een lade van zijn schrijftafel
weggesloten en kon niet begrijpen, hoe een dezer brieven in handen van
die twee heeren geraakt kon zijn.
Als dat werkelijk het geval was, dan was het zeer onaangenaam voor hem.
Hij dacht even na en kwam tot het resultaat, dat het in elk geval goed
voor hem zou zijn, het met het tweetal op een accoordje te gooien want
wanneer een dezer brieven werd gepubliceerd, zou geheel Londen zich ten
zijnen koste amuseeren en de spotbladen opnieuw werk krijgen.
Hij haatte deze tijdschriften, die, dank zij Raffles, reeds maandenlang
den spot dreven met den inspecteur van Scotland Yard.
Raffles had hem op die manier zoo populair gemaakt, alsof hij de koning
in eigen persoon ware.
Hij trok de la van zijn schrijftafel open, om er zich voor alles van te
overtuigen, of alle brieven van Raffles nog in zijn bezit waren.
Mr. Röttger, die de bewegingen van Baxter volgde, zag dadelijk, wat
deze van plan was.
Hij lachte hoonend en sprak:
„Gij zult tevergeefs naar den brief zoeken, die in onze handen is. Het
schrijven is toevallig niet aan zijn adres gekomen, door iemand, die u
niet genegen is, onderschept en bij ons gebracht.”
Baxter vroeg op zenuwachtigen toon:
„Is dat een feit? Men heeft den brief onderschept? Duivels—zou
detective Marholm—”
Bij het hooren van dezen naam trapte de redacteur den mooien Guido op
de teenen.
De zaak was in orde.
Hij had nu vasten grond onder de voeten.
Tot nu toe was hij er nog niet geheel zeker van geweest, of de beambte
inderdaad in staat was, zich brieven, geadresseerd aan den
politie-inspecteur, toe te eigenen.
Nu hoorde hij het van Baxter zelf, dat dit wel mogelijk was.
Hij besloot nu, geen medelijden te hebben en eischen te gaan stellen.
„Ja, mijn waarde heer inspecteur, daarom sprak ik zooeven over recht en
waarheid.
„De brief behelsde zeer compromitteerende dingen voor u en gij hebt het
alleen te danken aan onze fatsoenlijke manier van handelen, dat wij u
komen opzoeken en den inhoud van den brief niet eenvoudig openbaar
maken.
„Uit uw verhouding tot Raffles, die wij tot in de kleinste
bijzonderheden kennen, ik herhaal het—” hij drukte den klemtoon op
elken lettergreep—„tot in de kleinste bijzonderheden! zult gij kunnen
besluiten, hoeveel een dergelijke wetenschap ons waard is?!
„Dat kost u minstens, als wij den brief, publiceeren, uw betrekking.”
Nu brak het angstzweet den inspecteur uit.
De kleine redacteur wreef zich innig voldaan de handen.
De visch zat aan den hengel.
Hij wist niet, dat achter de coulissen Raffles stond, die hen alle drie
als marionetten aan een touwtje hield.
„Is de brief werkelijk zoo compromitteerend?” vroeg Baxter en hij dacht
aan den dag, waarop Raffles hem door middel van Charly Brand zijn
portefeuille had ontstolen en zoodoende inzage had verkregen in zijn
Don Juan-avonturen.
„Kan ik den brief inzien?”
„Neen mijnheer,” antwoordde de kleine redacteur, „wij hebben het
schrijven gedeponeerd bij een notaris voor geval van een proces. Het
moet u voldoende zijn, als ik u zeg, dat de openbaarmaking van dezen
brief u voor eeuwig zou ruïneeren.”
Baxter zuchtte en hield zijn hoofd met beide handen vast.
„Ik word krankzinnig! Ik word gek!—Die Raffles rooft mij mijn
verstand!” kermde hij.
„Dat is niet noodig,” sprak Mr. Röttger, „ik neem aan, dat gij
verstandig genoeg zijt om niet gek te worden, maar om liever met ons te
overleggen, hoe gij uw eigen ondergang kunt voorkomen.”
Met onzekeren blik keek Baxter den spreker aan.
Plotseling kwam het vermoeden in hem op, dat hij zich met geld uit deze
netelige zaak kon redden.
„Ik ben bereid,” sprak hij, „indien uwe eischen eenigszins aannemelijk
zijn, zal ik er mij aan onderwerpen.”
„Dat dacht ik wel,” antwoordde Röttger, „wij zullen het wel eens
worden.
„Denk eens na over het bedrag, dat u hoog genoeg voorkomt, om ons de
schade te vergoeden, die wij lijden door het niet openbaar maken van
een dergelijk schrijven.”
„Schade?” vroeg Baxter, „in hoeverre schade?”
Nu mengde de mooie Guido zich weer in het gesprek.
„Dat kan ik u precies voorrekenen. Denk eens aan een artikel, dat het
opschrift droeg: „Onthullingen omtrent Raffles en inspecteur Baxter—”
wij zouden er in Londen minstens een millioen exemplaren van
verkoopen.”
Baxter hijgde als een visch, die uit het water wordt gehaald.
„Gij—gij—meent, dat ik een millioen exemplaren zou moeten betalen?”
„Niet alleen dat,” antwoordde de mooie Guido met een onverschillig
glimlachje, „het materiaal, dat wij hebben verkregen, is niet alleen
genoeg voor één nummer, maar voor minstens tien.
„Dat maakt dus, zuinig berekend, een oplage, van week tot week stijgend
met 25 procent, van ongeveer 20 millioen exemplaren.”
Alles draaide voor Baxters oogen in het rond.
Getallen van eindelooze lengte dwarrelden voor zijn oogen.
Hij zag in, dat zijn beide bezoekers hem het bloed uit de aderen wilden
zuigen.
Tevergeefs dacht hij na, hoe hij een uitweg zou kunnen vinden.
Zijn kwaad geweten, in zake de Don Juan-avonturen, hield hem er van
terug, de beide kerels op straat te gooien. Hij was inderdaad bang voor
zijn naam en betrekking.