KONING EDWARD. Draag zorg, dat hij geleid wordt naar den Tower;—

(De Edelman af.)

En, broeders, gaan wij zien, wie hem gevat heeft,

Dat die de toedracht van de zaak ons meld’.—

Ga, vrouwe, mede.—Lords, houdt haar in eere.

(Allen af, behalve Gloster.)

GLOSTER. Ja, Edward houdt de vrouwen steeds in eere.—

Dat hij verteerd wierd, merg en been en alles,

Opdat geen groene spruit uit zijne lenden

Den gulden tijd, waar ik naar haak, vertraag!

Doch tusschen mij en wat mijn ziel begeert,—

Al wierd des wulpschen Edwards recht begraven,—

Staan Clarence, Hendrik, en zijn zoon, prins Edward,

En al hun onverhoopte lijflijke erven,

En vallen in, eer ’t mijne beurt nog is;

Een killende overweging bij mijn plan!

Ja, ja, zoo is ’t, ik droom van kroon en rijk,

Als een, die op een voorgebergte staat

En naar een verre kust tuurt, waar hij zijn mocht,

En voor zijn voet den spoed wenscht van zijn oog,

De zee bekijft, die van zijn wensch hem scheidt,

Haar uit wil hoozen om een weg te erlangen;

Zoo wensch ik naar die verre, verre kroon,

En kijf op al wat mij van haar terughoudt,

En neem mij voor, wat hindert weg te ruimen,

En vlei mij steeds met wat onmoog’lijk is.

Mijn oog is al te rasch, mijn hart te driest,

Tenzij mijn hand en kracht hen evenaren.

Want stel, er is geen koninkrijk voor Richard,

Wat and’re vreugd biedt hem de wereld aan?

Mijn hemel zij in eener jonkvrouw schoot,

In rijke kleedren hulle ik ’t lijf, betoov’re

De schoonste vrouwen met mijn woord en blik;—

Armzalige inval, minder nog bereikbaar,

Dan ’t winnen van een twintig gouden kronen!

De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf;

En, opdat ik haar zachte wet zou derven,

Heeft zij natuur, die zwak is, omgekocht

Met een geschenk, om de’ arm mij te verschromp’len

Gelijk een dorre struik, om op mijn rug

Een boozen berg te plaatsen, waar misvormdheid

Op troont en om mijn lichaam mij beschimpt;

Om mij de beenen ongelijk te vormen,

Alom mijn lichaam evenmaat te onthouden,

Als aan een warklomp of een berenwelp,

Die, ongelikt, niet naar de moeder zweemt.

En ben dan ik een man, die liefde wekt?

O razernij, ooit zulk een waan te voeden! 164

Nu, wijl mij de aarde dus geen vreugde biedt

Dan heerschen, teug’len, and’ren onderwerpen,

Die schooner van gestalte zijn dan ik,

Zoo zij ’t mijn hemel van een troon te droomen,

En de aard, terwijl ik leef, een hel te reek’nen,

Totdat op mijn misvormden romp dit hoofd

Omtuind is van een glorierijke kroon.

Maar ’k weet nog niet, hoe ik die kroon erlang,

Want vele levens scheiden mij van ’t doel.

Als een, die, in een doornig bosch verdwaald,—

De dorens scheurend, zelf er door geschramd,—

Een weg zoekt, maar zich van den weg verwijdert,

Niet weet, hoe hij het vrije veld bereikt,

Doch steeds wanhopig worstelt en het zoekt,—

Zoo martel ik mij af om Englands kroon;

En van die mart’ling wil ik mij bevrijden,

Of ’t pad mij houwen met een bloedige aks.

Glimlachen kan ik en glimlachend moorden,

En roepen: „mooi!” bij wat mijn ziele grieft,

En kunstig mijn gelaat met tranen vochten,

Mijn trekken plooien naar den eisch des tijds.

’k Wil zeelui doen verdrinken, meer dan ’t zeewijf,

Meer kijkers dooden dan de basilisk,

Voor reed’naar beter nog dan Nestor spelen,

Bedriegen, fijner dan Ulysses deed,

Een Sinon zijn en nog een Troje nemen;

Ik kan ’t kameleon zelfs kleuren leenen,

Als Proteus mij verand’ren, beter zelfs;

Den wreeden Macchiavelli lesjes geven;—

En zou een kroon mij onbereikbaar zijn?

Al waar’ zij verder weg nog, zij wordt mijn!

(Gloster af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 134 / 165 题