EERSTE TOONEEL.

Londen. Een zaal in het paleis.

Koning Hendrik komt op, met Gloster en Exeter.

KONING HENDRIK. Hebt gij de brieven van den paus doorlezen,

Den keizer en den graaf van Armagnac?

GLOSTER. Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt:

Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan,

Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk

Een christenvrede dra gesloten worde.

KONING HENDRIK. En hoe behaagt die voorslag uw genade?

GLOSTER. Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg

Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten

En veil’ge rust te gronden aan weerszij.

KONING HENDRIK. Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor,

Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk,

Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten,

Bij hen, die één geloof zijn toegedaan.

GLOSTER. Om zulk verbond des te eerder te bewerken

En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt

Graaf Armagnac, een naverwant van Karel,

Een man van veel en groot gezag in Frankrijk,

Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid

Ten echt aan, met een grooten, rijken bruidsschat.

KONING HENDRIK. Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd!

O, beter passen mij nog vlijt en boeken,

Dan dartel minnekoozen met een bruid.

Maar toch, roep de afgezanten voor en geef

Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt;

Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts

Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land.

(Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van

Winchester in kardinaalsgewaad.)

EXETER. Wat! is mylord van Winchester verhoogd

En met den kardinaalsrang nu bekleed?

Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn,

Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde:

„Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden,

Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.”

KONING HENDRIK. Gij heeren afgezanten, uwe wenschen 34

Zijn grondig overwogen en getoetst.

Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig;

En daarom namen wij alsnu ’t besluit,

Voorwaarden voor een vrede vast te stellen,

Die onverwijld mylord van Winchester

Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal.

GLOSTER. En wat betreft het aanbod van uw heer

Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo,

Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden,

Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat,

Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn.

KONING HENDRIK. Breng als bewijs en pand voor dit verdrag

Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.—

En nu, mylord protector, laat de heeren

Naar Dover begeleiden tot aan boord;

En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee.

(Koning Hendrik met zijn Gevolg, Gloster, Exeter en de Gezanten

af.)

WINCHESTER. Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst

De geldsom in ontvangst, die ik beloofde

In dank te kwijten aan zijn heiligheid

Voor de bekleeding met dit plechtgewaad.

LEGAAT. Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde.

WINCHESTER. Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen,

Noch wijken voor den fiersten dezer pairs.

Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu,

Dat evenmin in rang als in geboorte

De bisschop zich door u verduistren laat;

Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen,

Of twist en omkeer zal dit land vernielen!

(Beiden af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 39 / 165 题