MIEREN.

We komen thans aan de meest intelligente insecten, aan de

statenvormers, die een soort samenleving, een maatschappij, vormen. Een

maatschappij, ook een mierenmaatschappij, berust op o.m. verdeeling van

arbeid. Maar die is alleen niet voldoende; er moet ook eensgezindheid

heerschen, hulpvaardigheid. En die nemen we bij de mieren in hooge mate

waar. Ze bewijzen elkaar vele „vriendendiensten”, o.a. verzorgen ze

elkaars toilet. Niettegenstaande de mieren altijd in en op de aarde

werken, voortdurend met stof bestoven worden, met allerlei zoete en

kleverige stoffen in aanraking komen, ook met dierlijken afval, zien ze

er toch altijd netjes en schoon uit. Ze poetsen elkaar in de nesten op!

Maar laten we eerst eens zien hoe een mierenstaat in elkaar zit.

Polymorphisme. Reeds vroeger (Algemeen gedeelte blz. 9.) hebben wij

gesproken over het polymorphisme of de veelvormigheid bij de insecten.

Daarmede wordt bedoeld, dat er naast de mannetjes en wijfjes nog andere

individuen voorkomen; die derde groep zijn de werksters. Deze werksters

zijn niet volledig ontwikkelde wijfjes. Die mindere ontwikkeling hebben

ze te danken aan de slechtere voeding.

In veel mierenkolonies nemen wij waar, dat de werksters weer in

verschillende groepen zijn ingedeeld, al naar haar functie is. Zoo zijn

er werksters met „groote koppen en groote kaken” die voor de

verdediging der kolonie hebben te zorgen; die noemt men de soldaten.

Zij houden de wacht aan de nestopeningen en moet er gevochten worden,

dan zijn ze er bij. Door de grooten kop zijn het echte monsters.

Aan de gewone werksters, die nooit vleugels hebben, is de zorg voor de

heele kolonie opgedragen. Zij bouwen het nest, verzorgen de jongen,

voeden die; in één woord, de werksters houden het huishouden gaande. De

wijfjes leggen alleen eieren, laten zich door de werksters voeden, en

zien verder naar niets om.

In een mierenkolonie zijn dus 3 kasten: mannetjes, wijfjes en

werksters. De mannetjes zijn maar heel kort in de kolonie, zoodat het

overgroote deel van het jaar een mierennest bezet is met één of meer

wijfjes en verder een groot aantal werksters. ’s Winters is de kolonie

op dezelfde wijze bezet. Net als bij de honingbijen overwinteren dus de

koningin (het wijfje) met de werksters. Bij de honingbijen is maar één

koningin in den korf, bij de mieren zijn er meestal meer in het nest.

Alle merkwaardigheden, die men van de mieren weet te vertellen, komen

dus hoofdzakelijk voor rekening van de werksters; de kolonie, dat zijn

de arbeidsters. De wijfjes zijn het grootst en evenals de mannetjes,

gevleugeld. Na de copulatie verliest het wijfje de vleugels.

Ontwikkeling.

De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago.

Als de eieren gelegd worden, zijn ze klein. Door een regelmatige

bevochtiging met speeksel van de werksters, worden de eieren grooter;

men zou kunnen zeggen: het ei eet. Als men de eieren droog bewaart

verschrompelen ze. Na eenige weken komt uit het ei een larve, zonder

pooten, zonder oogen; het is een made, die hulpeloos in ’t nest ligt.

Deze maden worden door de werksters gevoed met kliervochten. Maar bij

de voeding alleen laten zij het niet. Ze brengen de larven ook naar

buiten om lucht- en zonnebaden te genieten! Als de zon onder gaat,

worden de larven weer naar beneden gebracht.

Na langer of korter tijd wordt de larve een pop. Sommige spinnen een

stevigen cocon; zulke cocons noemt het publiek miereneieren, die een

gewild voedsel voor insectenetende kooivogels zijn.

Uit die cocons komen dan later de mieren, maar daarbij hebben zij hulp

noodig van de werksters; die bijten met haar scherpe bovenkaken de

cocons door.

Het eierleggen gaat maar geregeld door en soms vele jaren achtereen

blijft hetzelfde wijfje in het nest. Gewoonlijk kan men in een nest

tegelijk eieren, larven en poppen vinden.

Nestbouw. De nestbouw van de mieren staat lang zoo hoog niet als die

bij wespen en bijen. Een „mierenstad” is een doolhof van steegjes en

gangen, hier en daar onderbroken door grootere „hallen”. Een bepaalde

methode schijnen ze er ook niet op na te houden. Intusschen is er toch

nog al wat verschil. We kennen aardnesten, nesten onder steenen, nesten

in boomstammen, onder boomschors, in zolderbalken, nesten gedeeltelijk

in, gedeeltelijk boven den grond. Ook worden er nesten in holle boomen

gemaakt, door eenige verdiepingen op elkaar te zetten; het

bouwmateriaal bestaat dan uit gekauwd hout doorwerkt met kliervocht;

deze mieren noemt men cartonwerkers.

Sommige nesten staan met elkaar in verbinding, terwijl weer andere een

paar mierensoorten herbergen.

Kunstnesten. Het leven der mieren kan men niet alleen in de vrije

natuur, maar ook in huis, in school bestudeeren. Naast rupsenhuizen,

insectaria, terraria en aquaria zijn sedert eenige jaren in gebruik

formicaria of myrmicaria. Dat zijn kunstmatige mierennesten. Men kan

deze o.a. zien in het Insectarium in Artis. In deze formicaria kan men

veel van het mierenleven waarnemen, bovendien kan men verschillende

proeven met de mieren nemen.

Het ligt buiten ons bestek, deze nesten nader te beschrijven; alleen

willen wij nog mededeelen, dat er verschillende systemen van deze

nesten bestaan, n.l. van Lubbock, Janet, Wasmann, Viehmeyer, Dankler en

Wheeler. Zoo’n formicarium of myrmicarium is in den handel.

Mierengasten. In mierennesten worden allerlei gewilde en ongewilde

gasten gevonden. Tot de gewilde behooren o.a. de bladluizen en enkele

kevers, die zoete vochten afscheiden, waarop de mieren verlekkerd zijn.

Onder No 31 hebben we zoo’n mierengast, een kevertje, beschreven.

Er zijn ook indringers, die leven van den afval, van mierenlijken, van

mijten; ook rooven zij wel de voedingsstoffen op het oogenblik dat de

larven gevoederd worden. Het komt voor, dat eieren, larven en poppen

worden geroofd. Vooral veel kevers worden in de nesten aangetroffen.

Het gaat in zoo’n mierennest als in een groote stad: er huist van

alles.

Voeding. Mieren zijn snoepsters van zoete stoffen of vleescheters. Die

zoete stoffen halen ze uit de bloemen (honing) en verwoesten daarbij de

bloemen soms geheel, vooral als de honing wat diep zit. Een andere bron

van zoetigheid zijn de bladluizen. Wij hebben er reeds op gewezen, dat

de uitwerpselen van de bladluizen suikerhoudend zijn; dat behoeft ons

niet te verwonderen, want zij zuigen de beste sappen uit de planten en

in alle planten zit suiker. Om niet altijd zoo ver van huis te moeten

om suiker te halen, houden de mieren er bepaalde

„bladluizenkweekerijen” op na. Zoo zetten zij verschillende bladluizen

op wortels van planten, en als zij nu suiker noodig hebben, gaan zij

hun koetjes „melken”. Door het achterlijf der bladluizen met haar

sprieten te bewerken, brengen de mieren haar tot afscheiding.

Zij klimmen ook langs de met bladluizen bezette planten en boomen, en

gaan daar melken. Gelijktijdig vermoorden zij o.a. de larven van het O.

L. Heersbeestje, die vijanden van de bladluizen zijn, zooals wij bij No

72 hebben beschreven. De snoeplust der mieren is ons dus zeer nadeelig,

want daardoor wordt de bladluizenplaag bevorderd.

Andere mieren zijn vleescheters, b.v. de roode boschmier (No 169–171).

Deze eet vooral veel insecten en behoort dus tot de nuttige

„boschwachters”. Men heeft uitgerekend dat een roode-boschmierenkolonie

iedere minuut 28 insecten noodig heeft dat is per dag 100000 en in één

zomer meer dan 10 millioen. Daarom is het in Duitschland verboden, deze

mierennesten te verstoren of er de poppen (z.g. miereneieren) uit te

halen. In Stiermarken daarentegen laat men dit nog wel toe en worden er

jaarlijks 50 à 60 H.L. miereneieren verzameld, die een waarde hebben

van f. 6.— à f. 7.—per H.L. Voor dit luttele bedrag worden jaarlijks 96

tot 134 millioen mieren vernietigd. Een groote domheid. Bij ons is het

verzamelen van mierenpoppen ook niet verboden; maar onze boschkultuur

heeft ook niet dien omvang als elders. Intusschen zou het voor de

opvoeding van ons volk ook goed zijn, als het hier verboden werd. De

roode boschmier moet gespaard worden.

Verdedigingsmiddelen. Mieren hebben stevige bovenkaken en kunnen zich

daarmede goed verdedigen. In het nest zijn bovendien nog „soldaten”,

wier kaken nog grooter zijn. Verder bezitten alle mieren giftklieren in

het achterlijf, maar niet alle mieren hebben een angel. De roode

boschmier b.v. heeft er geen. De angeldragende mieren doorpriemen haar

vijand en spuiten tegelijk het gift er in. De andere mieren bijten

eerst een wonde en spuiten er dan gift in. De uitwerking is in beide

gevallen dezelfde. De mannelijke mieren steken niet en bezitten ook

geen giftklieren.

Economische beteekenis der mieren:

De mieren, die insecten eten, zijn nuttig. Alle anderen, die bij ons

voorkomen, zijn lastig of schadelijk. Door haar bladluizenkweekerij

worden ze indirect schadelijk; ook door het verwoesten van bloemen.

Verder zijn ze lastig door haar nestbouw; zij werpen hoopen op in

weilanden en gazons, waardoor het maaien wordt bemoeilijkt. De mieren,

die in boomstammen nestelen, maken het hout technisch onbruikbaar.

Verder zijn alle mieren lastig, die in huis op bezoek komen.

Buiten ons land komen allerlei nuttige mieren voor. Reizende mieren

bezoeken in grooten getale de woonhuizen, zuiveren die van alle

ongedierte en gaan dan verder. De theeplanten worden aangetast door een

wants; hierop laat men nu de mieren los, die de wantsen te lijf gaan.

Men noemt dit het „bemieren” van een theetuin. In Afrika leeft een

mierensoort, waarbij aan eenige werksters is opgedragen den honing voor

de kwade dagen te reserveeren. De honing wordt bewaard in de krop, die

zeer sterk opzwelt; het geheele achterlijf neemt reusachtig in omvang

toe. In Amerika (Mexico) worden deze mieren op de markt verkocht. Voor

1 K.G. honing heeft men wel een 1000 mieren noodig.

Het bestrijden van de mieren. Dit kan alleen afdoende geschieden door

het nest te verwoesten en de inwonenden te dooden. In ’t nest zitten de

wijfjes, liggen de eieren, larven en poppen, en als men dat alles niet

vernietigt, komen er telkens weer nieuwe werksters bij. Nesten, die

buitenshuis liggen, in den tuin of in ’t weiland kan men het

gemakkelijkst „uitmoorden”. Men werpt dan vergiften in ’t nest, doet de

mieren door giftige dampen stikken, of tracht ze door warmte te dooden.

Men giet kokend water in ’t nest. Gebruikt men zwavelkoolstof, dan

stikken ze. Men onthoude, dat de zwavelkoolstofdampen zeer giftig zijn.

Lost men 28 gram cyankali (een zeer zwaar vergift) op in 3¾ L. water,

en overgiet men hiermede het nest, dan gaan ze ook dood. Kan men flink

wat ongebluschte kalk in ’t nest brengen en dit met water overgieten,

dan ontstaat daarbij zooveel warmte, dat de dieren dood gaan.

En hoe bestrijdt men de mieren, die zich in huis vertoonen? Van

bestrijden is eigenlijk geen sprake, wel van wegvangen. Men zet lage

schoteltjes of borden neer met honing, stroop of sterk suikerwater en

doe er wat gist door; de beestjes, die er van gesmuld hebben komen niet

meer terug. Men legt een spons neer waarin wat suiker; de mieren komen

er op af en als ze in de spons zitten wordt deze in het water geworpen.

Maar afdoende is alleen het verstoren der nesten. In de steden kan men

die niet gemakkelijk vinden, omdat ze onder de huizen zitten. Soms

zitten de nesten 3, 4 of 5 huizen verder.

Voorkomen in Nederland. Er komen in ons land nog heel wat mierensoorten

voor. Een beruchte mier is de Pharaomier, uit warme landen

hierheengevoerd, die voor een 30 jaar het postkantoor te Leeuwarden

totaal onbewoonbaar heeft gemaakt. Het zijn kleine diertjes; de

werksters zijn niet grooter dan 1½ à 2 m.M. Verder komen er gele,

zwarte en roode mieren voor; een van deze laatsten zullen wij nu

bespreken.

No 169, No 170 en No 171. Roode Boschmier. (Formica rufa). Mannetje,

wijfje en werkster. Wij hebben deze drie laten afbeelden, om er nog

eens de aandacht op te vestigen, dat er 3 soorten individuen, 3 kasten,

in een mierennest voorkomen. Het mannetje is effen bruinzwart; het is

11 m.M. lang. Het wijfje is iets kleiner; het is glanzig zwartbruin of

zwart, terwijl het achterlijf bruinrood is. De werksters zijn nog

kleiner; het borststuk is bruinrood, het achterlijf zwartbruin. De

werksters zijn altijd ongevleugeld. Voor de wijfjes met eierleggen

beginnen, worden haar de vleugels uitgetrokken. De mannetjes, die

altijd gevleugeld zijn, leven maar kort.

In het nest van de roode boschmier komen gewoonlijk vele wijfjes voor;

zoodoende kunnen deze kolonies zeer volkrijk worden. De onderbouw van

het nest zit in den grond; de bovenbouw vertoont zich als koepel

daarop. Bij den nestbouw wordt allerlei plantenafval gebruikt. ’s

Avonds en bij regenachtig weer trekken de werksters het nest in; met

zonnig weer zijn ze zeer bedrijvig. De roode boschmier komt overal voor

en in onze bosschen zijn de mierennesten wel bekend. Omdat zij leven

van andere insecten, zijn ze zeer nuttig. De poppen van deze mier

worden uit de nesten gehaald en verhandeld als „miereneieren”. De roode

boschmier heeft geen angel. Het vocht uit de giftklieren kan zij

intusschen ver weg spuiten. ’s Winters wordt de kolonie niet

opgebroken, doch wijfjes en werksters blijven in de nesten. Dat is een

verschil met de wespen en hommels, die haar kolonies in den nazomer

opbreken.

Graafwespen.

Deze vormen een zeer eigenaardige groep. Het zijn dieren, die geen

kolonies of staten vormen, doch geheel alleen leven; ’t zijn solitaire

wespen, in tegenstelling met de gewone, statenvormende wespen, die

sociale wespen heeten. Iedere graafwesp heeft een eigen menu; er

bestaat dus voorkeur en daardoor beperking. Al deze dieren leven van

andere insecten. De oude wespen vangen het een of andere insect, en

door het eenige prikken met den angel te geven, wordt het dier wel

verlamd maar niet gedood. Het slachtoffer wordt geprikt in den

buikzenuwstreng. Nu komt voor de graafwesp het zwaarste werk; ’t

verlamde dier moet getransporteerd worden, want het slachtoffer moet

dienen tot voedsel voor de jonge graafwesp. Hier of daar is door de

graafwesp een holletje gemaakt, waarheen het slachtoffer wordt gesleept

of gedragen; in dat kuiltje of gangetje wordt het neergelegd. Is dit

geschied, dan legt de graafwesp op of bij het slachtoffer een ei, en

doet dan het kuiltje dicht. Verder kijkt de oude graafwesp er niet naar

om.

Intusschen komt uit het ei een larve, en die vindt haar boterham klaar,

ze kan aan het eten gaan. Het aangestoken, verlamde slachtoffer, leeft

gewoonlijk nog en is nog niet in rotting overgegaan. De larve zal het

nu gaan verwerken.

Deze vorm van voeding is eigenlijk een soort van parasitisme; de

graafwesplarve zuigt haar slachtoffer uit. Een enkele graafwesp valt

wel eens een nuttig insect aan. Zoo rooft Philanthus apivorus wel

honingbijen; die is dus schadelijk, maar de andere graafwespen zijn

nuttige dieren.

No 172. Rupsendooder. Graafwesp. (Ammophila sabulosa). Dit zijn bekende

dieren. Het achterlijf is lang gesteeld. Het achterste lid van dezen

steel en een gedeelte van ’t achterlijf zijn lichtrood; het andere deel

van het achterlijf is zwart. Het zeer beweeglijke dier varieert nog al

in grootte die wel van 15 tot 30 m.M. loopt. Hoe beter het dier in de

jeugd zich kon voeden, des te grooter wordt het. Men moet wel in ’t oog

houden, dat het zelf zijn voedsel als larve niet kan opzoeken. Daarvoor

zorgt de moeder, en nu valt het eene hapje wel eens wat grooter uit dan

het andere. Het is een zeer interessant gezicht deze sluipwesp te zien

sleepen met rupsen, die zij verlamd heeft. Het is vaak een heel werkje

voor haar ’t slachtoffer te vervoeren. Natuurlijk zijn het alleen de

wijfjes, die met de rupsen sleepen; de mannetjes bemoeien zich er niet

mede. Vooral op zandgronden. De mannetjes vindt men veel op bloeiende

braamstruiken.

No 173. Vliegendooder. Graafwesp. (Mellinus arvensis). Deze graafwesp

is zwart, geel geteekend met een zeer glanzig achterlijf. Het wijfje

heeft een lengte van 13 tot 15 m.M.; het mannetje is wel 4 m.M.

kleiner. Dit dier vangt vliegen, ook kamervliegen en bewerkt die op

dezelfde wijze als de vorige dat haar slachtoffer deed. Zij maakt nog

al diepe nesten in den grond, en men kan haar heel vaak ook in de

tuinen vinden.

Wespen.

Deze groep vliesvleugeligen behoort tot de „gevreesde afdeeling”; zij

zijn geangeld en als zoodanig moeten wij op onze hoede voor haar zijn.

Intusschen zijn wespen mooie dieren en is haar kolonieleven zeer

merkwaardig.

De monddeelen zijn kauwend of bijtend; zij eten allerlei insecten als

bladluizen, vliegen, ook wel bijen; maar grootendeels zijn het nuttige

dieren. Ze lusten ook wel zoete stoffen; men kan ze honing zien proeven

in de bloemen en ook zuigen, sabbelen en knagen zij aan vruchten, om

zoete stoffen machtig te worden. „Het zijn de slechtste vruchten niet

waaraan de wespen knagen”. De oogen zijn niervormig, met den inham naar

de binnenzijde. De vleugels kunnen in rust omgevouwen worden; ze toonen

dan kleiner dan ze zijn.

De kleur is bijna bij allen zwart en geel; zeldzamer ten deele

roodbruin.

De wespengroep is te verdeden in tweeën:

A. Solitaire en B. Sociale wespen. De laatste vormen kolonies of staten

en leven in nesten.

Sommige solitaire wespen leven als de graafwespen; bij andere worden de

jongen voortdurend gevoed door de moeders. De zorg is hier dus al

grooter dan bij de graafwespen.

In onze volgende beschouwing zullen wij ons uitsluitend bezig houden

met de sociale of statenvormende wespen.

Polymorphisme. Evenals bij de mieren treffen we bij de wespen ook 3

kasten aan: mannetjes, wijfjes en werksters. Men is gewoon de wijfjes

bij de wespen, bijen en hommels „koninginnen” te noemen. Deze

koninginnen overwinteren in allerlei schuilhoeken, ook onder afval. In

’t voorjaar komen ze voor den dag en beginnen dan met het bouwen van

een nest. Als zij een stukje van het nest klaar hebben, leggen zij

daarin eieren, waaruit larven komen, die de koninginnen zelf voeden.

Die eerste larven groeien uit tot werksters; deze zijn kleiner dan de

koningin. Die werksters zijn niet volledig ontwikkelde wijfjes.

Intusschen beginnen deze werksters mede te helpen. Zij halen voedsel en

voltooien het nest. De koningin komt nu niet meer naar buiten. De

eerste cellen in het wespennest zijn klein, de latere worden grooter.

De eerste maanden worden er uitsluitend werksters geboren. Midden in

den zomer komen er ook mannetjes en iets later verschijnen ook de

nieuwe koninginnen. Nu is de kolonie compleet: koninginnen, mannetjes

en werksters. Maar nu wordt de kolonie spoedig opgebroken.

Als het laatste broedsel verzorgd is, vliegt alles weg en niemand komt

weer terug in het nest; de heele familie is verstrooid. Nu vliegt het

buiten vol wespen. Maar de koude nachten komen, en allengs sterven alle

mannetjes en werksters; alleen de nieuwe koninginnen blijven den winter

over, in een of anderen schuilhoek, maar niet in het oude nest.

Nestbouw. De nestbouw van de wespen staat hooger dan die van de mieren;

een wespennest wordt volgens een vast plan opgebouwd. De grondstof, die

hiervoor wordt gebruikt is vermolmd hout, ook boomschors. Dit hout

wordt met kliervocht bewerkt tot een soort papier. Daardoor is het

heele nest brandbaar. De bijen maken haar raten van was, en die zijn

smeltbaar.

We kennen 2 soorten wespennesten: boomnesten en aardnesten. De eerste

worden gemaakt boven den grond en zijn de stevigste; de aardnesten

worden vervaardigd onder den grond en zijn de zwakste. De wespennesten

bestaan uit étages of verdiepingen, die door balken aan elkander

hangen. Onderaan is het vlieggat. Alle wespennesten hangen.

Wespengasten. Evenals in de mierennesten „mierengasten” voorkomen, zoo

is een wespennest ook met allerlei „wespengasten” bezet. Er leeft een

rups, die de larven opeet; verder een viertal kevers, 4 vliegen,

waaronder sluipvliegen, en ook sluipwespen. Waarom worden al deze

gasten geduld? ’t Is mogelijk, dat zij aangename stoffen afscheiden of

een aangename lucht afgeven; misschien ontsnappen ze door haar snelheid

of kleinheid aan het oog van de wespen, die slecht zien; ’t kan ook

zijn dat haar huid te hard is of dat ze, in den loop der tijden, een

beschermende nestlucht hebben aangenomen. Een bepaald antwoord is nog

niet te geven. Wat de wespengasten eten? Allereerst peuzelen enkelen

wat larven op; dan eten verschillende de schimmels, die zich in het

nest of op de excrementen der wespen ontwikkelen.

Uit een biologisch oogpunt is een wespennest dus wel belangrijk.

Economische beteekenis der wespen. Die hangt samen met het voedsel, dat

ze gebruiken, en de wijze, waarop ze dit halen; ook spreekt de

grondstof mede, waaruit zij de nesten bouwen. De wespen eten veel

andere insecten en zijn daarom nuttig. Zij kauwen de insecten uit, de

vloeibare sappen gaan naar binnen en het harde, chitineuse gedeelte,

werpen ze weg. Haar groote voorliefde voor zoete vruchten is haar

schadelijke zijde. De meeste wespen gebruiken vermolmd hout om daaruit

de cellen te maken; de hoornaar schilt ook de schors van jonge boompjes

en jonge takken af; die is dus schadelijk. De opgejaagde wespen steken

en veroorzaken soms bloedvergiftiging, omdat ze overal opzitten en

allerlei smetstoffen op deze wijze aan het lichaam kunnen krijgen. Zij

zitten ook graag op vruchten en jams en kunnen die op deze wijze ook

bevuilen. Uit hygiënisch oogpunt dienen wij ons dus in acht te nemen

voor de wespen.

Het vangen van wespen. Wespen worden in wespenglazen gevangen, waarin

wat zoete vloeistof is gedaan. Eenvoudiger en meer afdoende is het, de

wespennesten te vernietigen, ten minste als men die ontdekt heeft.

Boomnesten kan men met een brandende lap, op een stok gebonden, in

brand steken. Grondnesten vernietigt men door in de vlieggaten

zwavelkoolstof te gieten en dan de gaten dicht te trappen. Ook kan men

kokende teer nemen.

Zeer eenvoudig is het om in ’t voorjaar de koninginnen met een

vlindernet te vangen. Op gekweekte korenbloemen en andere bloemen, die

in Mei al bloeien, komen de koninginnen honing halen. Met een

vlindernet zijn ze dan gemakkelijk te vangen. En als men de koninginnen

in zijn buurt wegvangt, krijgt men daar geen wespennesten.

Het steken der wespen. Wespen hebben angels. Zijn we gestoken, dan

vermindert de pijn als wij de gewonde plaats met azijn of vliegenden

geest koel houden. Is de verwonding hevig, zoodat de huid sterk opzwelt

en zeer pijnlijk is, dan moet dadelijk hulp van een geneesheer worden

ingeroepen. Natte aarde of anderen rommel mag men er nooit op doen; dan

zouden we juist vergiftiging kunnen veroorzaken.

No 174. Gewone Wesp. (Vespa vulgaris). Van het geslacht Vespa komen bij

ons 8 soorten voor, en daarvan is „vulgaris” een der meest gewone. Zij

maakt groote nesten, waarin wel 3000 en wellicht meer individuen zich

ontwikkelen. Veelal worden de nesten in den grond gemaakt, doch als het

niet anders kan, nemen ze ook andere gelegenheden te baat. Deze soort

komt overal voor. De koningin is 13 à 14 m.M. lang en heeft een vlucht

van 35 m.M.; het mannetje 11 m.M. bij een vlucht van 31 à 32 m.M. en de

werksters zijn 9 à 10 m.M. lang en hebben een vlucht van 24 m.M.

Vijanden hebben de wespen weinig of geen; alleen in de nesten een paar

parasieten, zooals wij zagen.

Honingbijen.

Nu zijn we genaderd aan de insecten, waarvan niets dan goeds kan worden

verteld. Honingbijen leveren aan den mensch honing en was; of juister,

wij halen dat van de dieren weg. Bovendien zorgen zij voor de

bestuiving van veel bloemen, waardoor de oogst van veel gewassen weer

is verzekerd.

Onze honingbij komt niet meer in ’t wild voor. Vroeger schijnt zij in

’t wild in het zuiden van Europa geleefd te hebben, maar precies is het

toch niet meer aan te geven. Soms verwildert zij nog wel eens hier of

daar, maar dan is zij toch goed te herkennen.

Polymorphisme. Ook in een bijenstaat treffen we weer drie soorten

individuen aan, 3 kasten: mannetjes (darren), wijfjes (koninginnen) en

werksters. Allereerst verschillen zij in grootte. De mannetjes of

darren zijn 14 tot 15 m.M. lang; zij hebben groote facetoogen, waaraan

ze dadelijk te herkennen zijn. Ze zijn langer dan de werksters, ook

plomper. Zij bezitten geen angel en verzamelen geen stuifmeel.

De koningin is de grootste; haar lengte loopt van 15 tot 18 m.M. Haar

achterlijf is meer kegelvormig dan dat van de werksters. Zij is niet

strijdlustig, maar wel tegen andere koninginnen. Ze bezit wel een

angel, doch verzamelt geen stuifmeel. Zij gebruikt haar angel alleen

tegen andere koninginnen. De werksters zijn het kleinst en meer stomp

dan de koningin; ze worden 12 à 13 m.M. lang. Zij bezitten ook een

angel en verzamelen stuifmeel en honing. Het stuifmeel wordt verzameld

in het z.g. korfje; dat is een holte met haren aan den rand aan de

buitenvlakte van de scheen. Alleen de werksters bezitten een

stuifmeelkorfje en zij alleen halen dus stuifmeel. Behalve aan de

lichaamslengte zijn dus de werksters ook te herkennen aan ’t korfje,

dat alleen aan de twee achterpooten voorkomt.

Tevens bezitten de werksters aan het eerste tarslid, dat volgt op de

scheen, aan de binnenkant een kam-apparaat, dat bezet is met steviger,

dikker haren. Met dit kamapparaat wordt het stuifmeel dat aan de haren

van het lichaam is gekomen, bijeen geharkt. Ook dit apparaat komt

uitsluitend bij de werksters voor. De honing, dien de bijen uit de

bloemen oplikken, wordt verzameld in de krop of honingmaag. Is die vol,

dan keeren de werksters naar den korf en spuwen hem daar weer uit.

Zoo’n honingmaag is dus feitelijk een flesch, waarin de honing

tijdelijk wordt bewaard; in den korf wordt de flesch door de

mondopening weer geledigd. De honing wordt in de honingmaag waterarmer;

in de bloemen bevat hij nog 75% water, en als de maag geledigd wordt

nog maar 15 à 20% water. Bovendien is er in de honingmaag nog wat

mierenzuur bij gekomen om den honing te conserveeren, voor bederf te

bewaren. Dat mierenzuur zit ook in het bijengift.

De koningin haalt alzoo geen honing of stuifmeel, doch legt alleen

eieren. Verder is de regeling van het bijenhuis opgedragen aan de

werksters.

Lichaamsbouw. De monddeelen zijn zeer sterk gewijzigd in de onderkaken;

de tong is zeer aanzienlijk veranderd, wat in verband staat met het

opnemen van honing. De tong bereikt hier het maximum van lengte. De

roltong der vlinders is van een ander type, zooals wij daar hebben

aangegeven. Een bij likt, een vlinder zuigt.

Verder zijn van belang de haren; die zijn meestal, gevederd, wat in

verband staat met het opnemen en medenemen van stuifmeel, dat tusschen

de haren blijft zitten. De bijen zijn donkerder gekleurd dan de wespen

en ook langer behaard. Dat zit, zooals wij zagen, in verband met het

opnemen van stuifmeel, dat de wespen nooit doen. De wespen en bijen

voeden haar larven dan ook verschillend. De eersten geven aan haar

jongen dierlijk voedsel, de laatsten honing en stuifmeel.

Gedaanteverwisseling. Dit is volkomen: ei, larve, pop, imago. De

ontwikkeling van ei tot imago is verschillend; een koningin heeft

daarvoor noodig 21 dagen, een mannetje 24 dagen en een werkster 15

dagen. Dat zijn dus belangrijke verschillen. De werksterslarven krijgen

minder voedsel dan de koninginnenlarven.

Nestbouw. De wespen bouwen haar nesten op uit hout; de bijen gebruiken

daarvoor was. Waar halen zij de was vandaan? De was wordt door de bijen

zelf geproduceerd. Zij zweeten die uit aan de 4 laatste segmenten van

het lichaam. Zoo’n zweetplaat noemt men een „spiegel”; de chitinehuid

is daar dun en glad; daarover ligt het behaarde gedeelte van het vorige

segment. Onder den spiegel liggen de wasklieren. De was „zweet” door de

poriën heen en komt dan op den gladden spiegel te liggen; daar wordt

het een plaatje. Met den achterpoot wordt het weggehaald en afgeknipt.

Het hiervoor noodige knipapparaat wordt gevormd door den scheen en het

eerste tarslid. Vervolgens wordt de was met den mond gekauwd en verder

verwerkt. Om 1 K.G. was uit te zweeten hebben de bijen eerst 18 K.G.

honing moeten nuttigen; voor de beestjes is dat dus een dure

geschiedenis en ook voor de imkers. Daarom gebruikt men tegenwoordig

voor den onderbouw der raten „kunstraat”. Dat geeft aan de bijtjes

besparing van was, wat weer den honingvoorraad ten goede komt. Verder

kan men nu de bijen allerlei kleine raten laten maken, z.g. „secties”,

die een hooge handelswaarde hebben. En ten slotte kan de kunstraat

meermalen gebruikt worden.

De raten, dat zijn de cellenlagen, hangen verticaal naar beneden en de

cellen zitten horizontaal. Bij de wespen is dat juist andersom, zooals

wij gezien hebben. Daar hangen de raten of étages horizontaal en de

cellen verticaal.

De bijencellen zitten mooi naast elkaar; ze vormen een prachtig geheel.

Vroeger meende men, dat de bijen hier de oplossing hadden gevonden van

een moeilijk wiskundig vraagstuk. Zij zouden n.l. met een minimum van

stof (was) een maximum van cellen kunnen maken. Men heeft de zaak nog

eens opnieuw onderzocht, doch het bleek niet zoo mooi te zijn als men

zich vroeger had voorgesteld. De hoeken van de zeshoeken varieeren te

veel en zijn niet zuiver. Er wordt geen theoretisch minimum voor den

bouw bereikt.

Er zijn twee hoofdvormen van cellen: honingcellen en broedcellen. De

eerste zijn dunner en dienen voor de opberging van den honing. De

broedcellen zijn dikker, steviger en ook bruiner. Hierin worden de

eieren gelegd en de larven grootgebracht.

De broedcellen verschillen in grootte en vorm; de kleinste 6-hoekige

zijn voor de werksters, de wat grootere 6-hoekige voor de darren of

mannetjes, terwijl de veel grootere voor de koninginnen zijn. Deze

cellen zijn eenvoudiger gebouwd en hangen; de imkers noemen ze

„doppen”. Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de bijen de binnenwanden

van haar korven besmeren met propolis, dat is een kleverige stof, die

zij van allerlei knoppen van boomen halen. Het is bekend, dat b.v. de

knoppen van een kastanjeboom erg kleverig zijn; die kleverige stof

beschermt de knoppen tegen regen. De bijen nu gebruiken propolis om

haar korven te dichten en te beschermen tegen regen en kou. En als er

vijanden in den korf komen, worden ze in de propolis „ingewikkeld”.

De voeding der larven. Omdat de vorm der cellen verschillend is, moeten

de bijen invloed hebben op de dieren, die geboren zullen worden. En dat

hebben ze ook. De mannetjes worden geboren uit onbevruchte eieren; de

koninginnen en werksters uit bevruchte eieren. Waarom blijven een deel

der eieren onbevrucht? Bij de overgroote meerderheid der dieren

ontstaan toch de mannetjes ook uit bevruchte eieren. De oplossing is

nog niet gevonden.

De koningin beslist wat ze leggen zal. Legt ze een ei in een

koninginnecel, dan wordt de larve opgekweekt tot een koningin; maar was

dit ei gelegd in een kleine, werksterscel, dan werd de larve opgekweekt

tot een werkster. Die opkweeking, voeding, gaat aldus. De eerste drie

dagen worden alle larven gevoed met vloeistoffen uit klieren, die in

den kop der werksters zitten. Er zijn 6 van zulke kopklieren, waarvan

sommige zoo groot zijn, dat ze nog in het borststuk overhangen.

Na deze 3 dagen krijgen de larven, die werksters moeten worden of

mannetjes, wat minder kliervloeistof en wat meer honing en stuifmeel,

en eindelijk houdt de heele voeding met kliervloeistof op.

De larven, die evenwel koninginnen moeten worden, worden voortdurend

gevoed met genoemde kliervloeistof; bovendien krijgen ze er ook nog wat

honing en stuifmeel bij.

Het verschil zit dus in de hoeveelheden kliervloeistof, dat een

geconcentreerd en gemakkelijk verteerbaar voedsel moet zijn. Wij kunnen

dus zeggen dat een werkster een in haar jeugd slecht gevoede koningin

is. En dat dit werkelijk zoo is, wordt hierdoor bewezen, dat een larve

in een werksterscel opgekweekt kan worden tot een koningin. Dat gebeurt

ook wel in den bijenkorf, maar dan wordt door de bijen eerst de

werksterscel uitgebroken, omdat die te klein is. Twee cellen worden tot

één vereenigd en bovendien nog wat uitgebouwd. Zulke koninginnecellen

vindt men dan op de raten. De normaal gebouwde koninginnecellen zitten

aan de randen der raten.

Deze „hulpdoppen” worden gemaakt als de koningin b.v. gebrekkig wordt

of te oud, zoodat het eierlegggen gaat ophouden. Komt de koningin

plotseling te sterven, dan zijn de werksters er direct bij om een

werksterslarve op te kweeken tot een nieuwe koningin.

Het is dus wel heel merkwaardig, dat het verschil tusschen werksters en

koninginnen uitsluitend ontstaan is door verschil in voeding.

Het aantal individuen in een bijenkorf kan wel 30.000 en meer bedragen;

hieronder zijn dan maar een paar honderd mannetjes. In één zomer legt

een koningin niet meer dan 4 of 5 eieren, waaruit nieuwe koninginnen

worden geboren.

Het zwermen der bijen. Het doel van ’t zwermen is overbevolking te

voorkomen. Wanneer toch alles maar bij elkaar bleef, zou ten slotte de

korf te klein worden. Bij het zwermen maakt de oude koningin plaats

voor de nieuwe. Tegen den tijd, dat een jonge koningin zal uitkomen,

begint het onrustig te worden in den korf; dat is een voorteeken van

het zwermen. De jonge koningin maakt, terwijl zij nog in de cel zit,

geluid: kwak-kwak, dat door de oude koningin wordt beantwoord met:

tuut-tuut. Eerst als dit laatste ophoudt, komt de jonge koningin uit

haar cel. Soms heeft er nog een vechten plaats tusschen de oude en

nieuwe koningin.

De eerste uittocht, de eerste zwerm, heet de voorzwerm; de latere

zwermen heeten nazwermen. De zwermen worden door de imkers

„opgeschept”, die daarmede nieuwe korven vullen. Bij het zwermen hebben

alweer de werksters de leiding.

Het einde van een bijenkolonie. Wij hebben gezien, dat er door het

zwermen telkens nieuwe kolonies werden gevormd, en dat er in de oude

korven geregeld nieuwe koninginnen komen, waardoor het oude volk meer

verdeeld wordt. De bijenwereld breidt zich uit en blijft in stand door

voortdurende splitsing. Een bijenkolonie wordt dus nooit opgeheven,

zooals een wespenkolonie. Vandaar dat in den winter in een bijenkorf

aanwezig zijn een koningin en een leger werksters. De mannetjes leven

maar kort; die zijn ’s winters nooit in den korf.

Vijanden en ziekten der bijen. De bijen worden door allerlei

insectenetende vogels aangevallen en opgepeuzeld: zwaluw, roodborstje,

koolmees. Verder maken de wespen (die allen van roof leven) het den

bijen ook lastig. De mieren komen honing snoepen, evenals de muizen,

die er geen bezwaar in zien, haar nest in een korf te maken. Ze zitten

dan warm en vlak bij de „restauratie”. De padden, dat anders zulke

beste dieren zijn, omdat ze veel schadelijke insecten vangen, pikken

ook menig bijtje op. In den korf brengt de wasmot veel schade, d.w.z.

het rupsje van de wasmot. Dat vreet uitsluitend was, en misschien nog

wat rommel, doch zij is ook wel opgekweekt met was alleen. Zij peuzelt

de raten op en spint er een spinsel overheen.

Een ander gevaarlijk dier is de bijenluis, Braula coeca; zij

parasiteert bij voorkeur op de koninginnen en is daardoor zoo

verderflijk. Zij leeft van het speeksel van de koninginnen en om dit te

verkrijgen, plaatst de luis zich tusschen de kaken van de koningin en

prikkelt zoo de speekselklieren tot grootere productie, waardoor de

koningin wordt ondermijnd. Dit is dan een der oorzaken, waardoor het

bijenvolk „moederloos” wordt. Tot de ziekten behooren „doorloop”,

„vuilhoed”, „bijenpest”. Wij gaan hierop niet verder in, maar wie bijen

wil houden, heeft er op te letten. Veel ziekten zijn „bacteriënziekten”

en als we deze niet rationeel bestrijden, gaat de eene korf na den

anderen er aan.

Economische beteekenis der bijen. De waarde van den honing, die door de

bijen wordt verzameld en door den mensch wordt weggehaald, is zeer

groot. Toch moet men hieruit nu niet opmaken, dat de bijenteelt in ons

land een bestaan kan geven. Bijenteelt is goed voor den boer en den

tuinder, als nevenbedrijfje, maar men kan er zijn kostje alleen niet

mede ophalen. Het is ook een heel aardig liefhebberij-bedrijf; ’t geeft

aangename bezigheid en men leert het insectenleven wat beter kennen.

De grootste beteekenis evenwel heeft de bijenteelt voor de bestuiving

der bloemen. Boomgaarden, waarin bijenkorven worden geplaatst, dragen

gewoonlijk rijkelijk vrucht. Daarom moet de bijenteelt overal bevorderd

worden. Behalve honing, leveren de bijen ons nog was, dat voor velerlei

doeleinden o.a. wrijfwas, wordt gebruikt.

Tegenwoordig wordt de bijenteelt in ons land veel beoefend. In 1850 was

er een daling ingetreden door de opkomst van de bietsuiker en

rietsuiker.

No 175, No 176, No 177. Honingbijen. Koningin, werkster, en mannetje

(dar). (Apis mellifera). Na het bovenstaande hebben we weinig meer bij

de plaatjes te zeggen. Wij hebben alle 3 soorten laten afbeelden, om

goed de verschillen te doen uitkomen en vooral om goed vast te leggen,

dat in een bijenkolonie 3 soorten individuen voorkomen: mannetjes,

wijfjes en onontwikkelde wijfjes. Uit den aard der zaak moesten wij in

onze beschouwing zeer kort zijn; daarom hebben wij alleen de aandacht

gevestigd op de hoofdzaken. Voor uitvoerige beschrijving moeten wij

verwijzen naar de speciale handboeken over bijenteelt.

Hommels.

Deze laatste groep insecten is een zeer aantrekkelijke. Iedereen kent

ze, want ze komen overal voor in grooten getale. Ze vliegen van het

vroege voorjaar tot het late najaar. Als het een gunstig najaar is,

zooals o.a. in 1913, zoodat ook de bloemenwereld lang en mooi getooid

blijft, dan gaan de hommels ook niet spoedig weg. We zien ze dan in

November nog op bloemenbezoek. Hommels worden heel vaak gewoonweg bijen

genoemd. Nu behooren ze wel tot de groote groep der bijen, maar als we

de plaatjes vergelijken waarop de honingbijen en de hommels zijn

afgebeeld, dan merken wij het verschil toch wel op. Hommels zijn

grooter, zwarter, meer donker gekleurd. Ze vallen ook meer op. Wie de

honingbijen niet goed kent, ziet de werksters voor een soort vliegen

aan. Dat een bij 4 vleugels heeft en een vlieg maar 2, valt niet zoo

dadelijk op. Maar wie eenmaal een hommel heeft gezien, zal zich nooit

weer met deze beestjes vergissen, hoeveel soorten er ook in ons land

voorkomen.

Gekleed in haar lief pelsje is de hommel de ziel van onze bloementuin,

maar ook van de bloeiende randen langs wegen en dijken. Altijd zijn ze

ijverig en driftig gonzen ze van bloem tot bloem. Haar leven is niet

zoo uitvoerig beschreven als dat van de honingbij—ze verschaft den

mensch ook geen honing en was, zooals de honingbij dat doet—maar wie de

hommels in haar doen en laten volgt, vindt dat niet minder interessant

dan dat van de honingbij. En sedert men ook kunstmatige hommelkolonies

heeft gemaakt, waardoor men de dieren beter bestudeeren kan, nu komen

ook vele belangrijke zaken aan het licht.

Hommels zijn sterker en ijveriger dan bijen; ze maken bovendien langer

arbeidsdag. De bij is teer en als er geen zon is, is de honingbij niet

in haar element. Maar ’s morgens vroeg, vóór de bijen uitgaan, haalt de

hommel al honing en stuifmeel. Betrekt de lucht, of begint ’t wat te

regenen of te waaien, de hommel trekt er zich niets van aan en gaat

maar stil door met haar werk. En als de avond begint te vallen en de

honingbijen reeds lang in den korf zijn, sleept de hommel nog haar

laatste vrachtje naar huis. Zoo’n ijverig, onvermoeid dier! Overal zijn

ze en den heelen dag kunnen wij ze aan ’t werk zien. Daarom raden wij

ieder aan met wat meer aandacht de hommels te bestudeeren; men zal dan

eens zien, wat een mooi stuk dierenleven daar afspeelt.

Hommels halen, precies als de bijen, honing en stuifmeel voor de

larven; zij vervullen dus dezelfde rol als de honingbijen en hebben

gelijke beteekenis voor de huishouding der natuur. Laten we haar nu wat

nader bezien.

Lichaamsbouw. Van het grootste belang zijn de monddeelen; haar tong is

zeer lang, zoodat zij den honing nog kunnen halen, die zeer diep in de

bloemen ligt. De langste tong wordt gevonden bij de tuinhommels (No

179); die ziet men dan ook b.v. op ridderspoor, waar de honing diep

zit. Andere hommels ziet men op deze bloemen zelden en als ze er komen,

merken ze gauw, dat ze aan een verkeerd kantoor zijn.

In verband met het naar de kolonie medenemen van stuifmeel, bezitten

zij, evenals de honingbijen, een verzamelinrichting aan de

achterpooten; men noemt die ook het korfje evenals bij de bijen. Het is

hier ook de scheen, die daarvoor wordt gebruikt. De buitenzijde is een

weinig hol, kaal en glimmend, terwijl langs de randen stevige haren

staan tot steun van het stuifmeelklompje. Dat klompje of kluitje

stuifmeel is door de hommel tot een kneedbare massa verwerkt, zoodat

het stevig blijft zitten. Als we er op letten, valt het niet moeilijk

hommels te zien, die aan de beide achterpooten zoo’n stuifmeelklompje

hebben. Vangt men ze voorzichtig met een net of verschalkt men ze met

het doodingsglas, dan blijven de kluitjes aan de pootjes zitten en kan

men de dieren zoo opzetten. Omdat de kleur van het stuifmeel nog al

verschillend is, zijn de kluitjes ook verschillend van kleur. Een goed

kenner ziet aan de stuifmeelklompjes welke bloemen bevlogen zijn. Bij

de honingbijen halen alleen de werksters stuifmeel; bij de hommels doen

het de werksters en de koninginnen; die zijn dus gekenmerkt door het

bezit van zoo’n korfje. Het is een mooi gezicht als een groote

hommelkoningin de beide korfjes vol stuifmeel heeft; maar niet minder

mooi is het als een klein werkstertje met haar last naar de kolonie

vliegt.

De chitinehuid is zwart, doch bezet met een dicht, tamelijk lang

haarkleed; sommige segmenten zijn anders gekleurd dan de overige, en

lijken daardoor meer op banden, die het geheel breken. Elke hommelsoort

heeft zoo haar eigen kleurpartij of kleurteekening, hoewel er nog al

eens afwijkingen voorkomen. Ook zijn er wel éénkleurige hommels.

Het aantal vleugels is 4; de voorvleugels zijn ’t grootst en evenals de

achtervleugels bruin-gelig aangeslagen; ze lijken min of meer berookt.

De koningin en de werksters bezitten tot verdediging een angel. De

mannetjes missen dien. Als men de hommels met chloroform doodt, dan

komt de angel gewoonlijk het lichaam uit. Anders blijft hij

ingetrokken. Hommels zijn lang zoo vechtlustig niet als sommige bijen,

al zijn ze dan ook grooter en brommen ze luider.

Polymorphisme. Evenals bij de wespen, mieren en bijen, treffen we ook

bij de hommels het polymorphisme aan. Er is één koningin, die eieren

legt; verder zijn er werksters van verschillende grootte, en in den

zomer komen er ook mannetjes of darren. Alweer dus 3 kasten:

moederhommels, mannetjes en werksters. De verdeeling van arbeid is

precies dezelfde als elders bij de statenvormende vliesvleugeligen.

Hoe zoo’n hommelkolonie is geordend, volgt nu.

Nestbouw en stichting der kolonie. Op een zonnigen dag in Maart, als de

crocussen, het kleine hoefblad en de wilgen bloeien, dan worden we

buiten al verrast door een eerste ontmoeting met de hommels. Dat zijn

dan de eerste boden, die het vroolijke leger aankondigen. Het valt ons

op, dat die eerste exemplaren bijzonder groot zijn. En geen wonder, ’t

zijn de koninginnen. Waar ze vandaan komen? Ze hebben het geheele

najaar, den geheelen winter, verborgen gezeten onder allerlei afval.

Dat was wel geen koninklijk verblijf voor de koninginnen, maar zij

zaten er toch schijnbaar veilig. Intusschen kan men haar toch aanzien,

dat ze niet zoo fijn gehuisvest waren, want ze zijn gewoonlijk bezet

met een betrekkelijk groot aantal mijten. Deze mijten zijn afvaldieren,

die van allerlei rommel leven, maar de hommels geen last veroorzaken.

Wat ze dan op de hommels doen? Ze gebruiken haar als „vliegmachines”

want deze mijten zijn blind en laten zich op goed geluk door de hommels

vervoeren. Deze mijt heet Parasitus carnivorus, maar een parasiet is ze

toch niet; dat dacht men vroeger wel toen het dier zijn naam kreeg.

Laten we nu onze hommelkoningin weer volgen. Ze snoept wat van den

honing en gaat nu een geschikt plaatsje zoeken om een kolonie te

stichten. Zooveel werk als de wespen en de bijen er van maken doet zij

niet; ze sticht ook zoo’n groote kolonie niet. Vele hommels bouwen haar

kolonie in den grond, anderen boven den grond, doch altijd zóó, dat het

geheel verscholen ligt. We hebben wel een hommelnest gevonden in een

verlaten nest van een winterkoninkje; dat is een geheel gesloten nest,

alleen met één vlieggat. Ook zagen we wel hommelnesten in

„nestkastjes”, die voor meezen waren opgehangen. Overal, waar een

donkere holte is, kan een hommelkoningin haar kolonie bouwen. Onder mos

vinden wij ze dikwijls.

Is de koningin gereed met de plaats, waar ze haar „paleis” zal

stichten, dan begint ze te zorgen voor de „bevolking”. Zij gaat eieren

leggen; doch omdat de larven zelf geen voedsel kunnen halen, moet de

koningin hier voor zorgen. Zij haalt zelf honing en stuifmeel en bij

elk ei, dat zij legt, wordt wat voedsel voor de larve neergelegd. Komt

die nu uit, dan gaat ze dadelijk aan ’t eten. De eerste larven hebben

het nooit erg „breed”; ze worden maar schraaltjes gevoed, wat ook

hieraan kan liggen, dat er nog niet zooveel buiten te halen is en de

koningin voor alles alleen moet zorgen. De larven spinnen zich ten

slotte een cocon, verpoppen, en dan komen de eerste werksters weldra

voor den dag. Die eerstelingen zijn gewoonlijk maar heel klein

vergeleken bij de andere werksters, die nu van lieverlede geboren

worden. Die kleine werksters komen direct in dienst van de kolonie; zij

moeten voedsel halen, het paleis ordenen, en tenslotte zorgen, dat de

komende jongen goed gevoerd worden.

In den eersten tijd vliegt de koningin nog mee uit, doch dit wordt van

lieverlede minder en eindelijk blijft ze geheel thuis en houdt zich dan

uitsluitend bezig met het eierleggen.

We zien dus een belangrijk verschil tusschen een bijenkoningin en een

hommelkoningin; de eerste haalt nooit honing of stuifmeel en bemoeit

zich in ’t geheel niet met de voeding der kolonisten; de laatste zet

zelf haar „hofhouding” op, haalt in den beginne zelf het voedsel, en

staakt hiermede niet voor zij voldoende hulp heeft.

Raten, dat zijn netjes geordende cellengroepen, worden door de hommels

niet gemaakt. De eerste larven maken cocons van spinsel, die later

worden gebruikt voor honingvaten. Zoodra er evenwel meer en grootere

werksters komen, worden er ook cellen van was gemaakt. In zoo’n cel

vinden we dan geregeld een paar eieren gelegd; iets later wordt dit

beperkt tot één ei. Deze cellen liggen niet geordend en zijn

ovaalvormig; den meer hoogeren zeshoekigen vorm als bij de bijen,

hebben ze nog niet bereikt.

Met het stijgen van de zonnewarmte wordt de kolonie volkrijker.

Eindelijk verschijnen ook de mannetjes en wat later komen ook de nieuwe

koninginnen. Nu heeft de kolonie haar toppunt bereikt en zooals dat

meer in de dierenwereld gaat, volgt nu spoedig een uiteenspatting. De

mannetjes en de nieuwe koninginnen verlaten de kolonie; er is voor hen

niets te doen. Zij vliegen naar de bloemen en zorgen nu voor haar eigen

voeding. De nieuwe koninginnen schijnen wat honingvooraad in haar maag

op te slaan en zoeken dan al spoedig een goed heenkomen om den winter

door te brengen. Lang voor de koude invalt bergen zij zich al op. Dat

zien we bij meer insecten, die gaan overwinteren, dat zij vroeg zich

verschuilen. Zeker is het, dat zij op deze wijze aan veel gevaren

ontsnappen, want hoe langer zij zwerven, hoe meer kans er bestaat, dat

zij door een of ander dier worden opgepikt. Het is dus een

veiligheidsmaatregel reeds zoo vroeg „van de vlakte” te verdwijnen.

De mannetjes doen het anders. Die weten, dat hun bestaan toch gauw

geëindigd is, dat zij toch den winter niet kunnen halen, en die blijven

dan ook maar zwerven. Op zonnebloemen, dahlia’s en andere nazomer- en

herfstbloemen kan men ze vinden; ’s morgens zijn ze geheel versuft en

kan men ze met de hand van de bloemen nemen; bovendien steken ze niet,

want ze hebben geen angel. En als nu het slechte weer komt, regen en

wind, dan sterven ze, vallen omlaag, en dienen ten slotte als mest voor

de planten voor het volgende jaar. ’t Was een kort bestaan voor die

mannetjes. Maar dit hebben ze gemeen met alle mannetjes bij de mieren,

wespen en bijen.

En nu er in de kolonie geen larven meer zijn te verzorgen, want de

koningin legt geen eieren meer, is er voor de werksters ook niets meer

te doen, zoodat deze uitvliegen en aan het zwerven raken om ten slotte

ook te sterven. De koningin heeft, na al haar eieren gelegd te hebben,

ook geen levensdoel meer en, oud als ze al is—ze is van den vorigen

zomer—verlaat ze ten slotte ook de kolonie en sterft spoedig.

Zoo is de heele kolonie opgebroken en het nest verlaten.

Maar het volgend voorjaar komen de nieuwe koninginnen uit haar

schuilhoeken, en dan begint de formatie opnieuw. Dat is de levenscyclus

van de hommels.

Als we nu nog even herinneren wat we vroeger over de andere

staten-vormende vliesvleugeligen hebben gezegd, dan blijkt ons: dat in

de mieren- en honingbijenkolonies veel werksters met haar koningin den

winter overblijven, doch dat de wespen en de hommels haar kolonies vóór

den winter opbreken, en dat alleen de koninginnen overwinteren buiten

de oude kolonie.

Wat er van die oude, verlaten nesten ten slotte wordt? Er leven, zooals

we vroeger reeds zagen, allerlei kleine „afvaldieren” in die nesten;

die hebben nu vrij spel, en breken de verlaten paleizen af. Zoo is

alles netjes in de natuur geregeld: de opbouw maar ook de afbraak. Het

is komen en gaan.

Hommelgasten. Evenals in de wespen- en mierennesten komen er ook in de

hommelnesten verschillende andere dieren voor, die daar hun kostje

ophalen. Zoo leven er een paar rupsjes, verwant aan de wasmot, die de

bijenraten verstoort, enkele kevertjes, die van afval leven, enkele

vliegenlarven, enz. Groote verwoestingen brengen ze evenwel niet aan.

Een bijzonder soort gasten zijn de koekoekshommels; daarover nu nog een

en ander.

Koekoekshommels. Het is bekend, dat een koekoek zijn eigen jongen niet

groot brengt. De vogel legt zijn eieren in nesten van andere vogels,

laat ze door deze uitbroeden en de jongen verzorgen. Van het eigen

broedsel dezer vogels komt gewoonlijk niets terecht. De vreemde

indringer wordt niet alleen geduld doch door zijn pleegouders goed

verzorgd. Dit is zeker een eigenaardig geval van „samenwonen”. Het

eigen kroost van de pleegouders komt om en de vreemde indringer wordt

verzorgd als een kind des huizes. Hoe zoo’n toestand is ontstaan,

kunnen wij niet nader bespreken, maar eigenaardig is het zeker wel.

Een soortgelijk geval doet zich ook onder de hommels voor. Er komen in

ons land een 5 tal soorten hommels voor, (in Midden-Europa 8) die

geheel leven op kosten van de andere nijvere hommels. Het zijn

commensaals of kostgangers, die hun kostje opdoen in de hommelkolonies

en voor haar eigen nakomelingen niet zorgen. Wij hebben gezien, dat het

in een hommelkolonie de werksters zijn, die voedsel halen en de jongen

voeden. Welnu, de koekoekhommels schijnen van de meening uit te gaan,

dat waar de andere hommels zooveel jongen groot brengen, zij best ook

nog de jongen van de koekoekshommel kunnen voeden.

Haar leven is aldus ingericht.

Als de gewone hommels reeds aan het werk zijn en de eerste werksters al

uit- en aanvliegen, komt de vrouwelijke koekoekshommel eindelijk ook

voor den dag. Zij heeft hier of daar onder rommel overwinterd, net als

de koninginnen der gewone hommels. Is haar winterdut uit, dan gaat ze

aan het zoeken naar een „kosthuis” naar een hommelkolonie. Is ze

geslaagd, dan gaat ze naar binnen en blijft daar. Merkwaardig is het,

dat ze geduld worden. Vermoedelijk heeft er een vergissing plaats van

de zijde der gewone hommels, die in de indringster een soortgenoot

zien. Ze eten van den honingvoorraad mede. Maar dit is nog niet genoeg.

Ze gaan eieren leggen en volgen de koningin trouw. Heeft die in de

broedcellen een ei gelegd, dan haalt de koekoekshommel dat er uit en

legt er zelf een ei in, dat nu door de werksters verzorgd wordt alsof

het van de eigen koningin ware. Het gevolg is, dat het eigen volk niet

talrijk wordt en soms wordt de heele kolonie ten slotte verwoest. Maar

voor het zoo ver is, zijn er een voldoend aantal nieuwe mannetjes en

wijfjes van den koekoekshommel geboren, die nu achtereenvolgens het

nest verlaten. Zij zwerven ook nog wat rond en vooral de mannetjes zijn

traag; men kan die soms wel zoo van de bloemen nemen. Ten slotte gaan

de mannetjes nog denzelfden zomer dood en blijven de wijfjes over, die

wegkruipen en in het voorjaar weer voor den dag komen.

Omdat zij in de kolonies leven van het voedsel dat de gewone werksters

halen, hebben zij zelf geen eigen werksters noodig; bij de

koekoekshommels komen dus alleen maar mannetjes en wijfjes voor. Deze

wijfjes halen, zooals we gezien hebben, geen stuifmeel en daarom missen

ze aan de achterpooten ook het korfje, dat wij bij de koninginnen en de

werksters der gewone hommels wel aantreffen.

Men ziet het, ook in de hommelmaatschappijen heeft men individuen, die

geheel ten koste van anderen leven.

De hommels als bloemenbestuivers. Doordat de hommels zooveel stuifmeel

noodig hebben voor haar larven, zijn zij van den morgen tot den avond

bezig met bezoeken van bloemen. Daardoor bewerken zij de

kruisbestuiving, die de vruchtzetting bevordert. Wie de hommels wel

eens bij haar bloemenbezoek heeft gadegeslagen, zal hebben opgemerkt,

dat zij maar niet in het wilde van de eene bloemensoort naar de andere

bloemensoort vliegen, maar dat zij zich op één tocht meestal bepalen

tot één soort. Daardoor is het uitgesloten, dat onwerkzaam stuifmeel op

de stempels wordt gebracht.

Omdat de tong nogal lang is, kunnen ze den honing diep uit de bloemen

halen. Soms zit die toch te diep, maar dan vinden zij er wel wat anders

op. Met haar bovenkaken bijten ze aan de buitenzijde van het ondereinde

der bloemkroon een gaatje, en zijn dan vlak bij den honing. Ze hebben

nu maar haar tong naar binnen te steken en ze zijn den honing meester.

Maar aan zoo’n bezoek heeft de bloem niets, omdat de hommel de

meeldraden niet passeerde en evenmin den stamper. Het bezoek is voor de

bloemen nutteloos. Men noemt deze handelwijze van de hommels „diefstal

met inbraak”.

Als we er op letten, dan kunnen wij de inbrekers geregeld aan het werk

zien bij het bezoeken van de bloemen van den smeerwortel en van de

groote boonen. Bijna altijd worden deze bloemen „aangevreten”.

Zeer druk worden door de hommels de composieten bevlogen, en alle

bloemen met klokvormige bloemkroon. In den nazomer zijn het vooral de

dahlia’s en de zonnebloemen, waarop zij gaarne vertoeven. Vooral de

zonnebloemen zijn zoo honingrijk.

Wie de hommels bestudeeren wil, dient verschillende exemplaren te

vangen. Dat gaat het gemakkelijkst met een vlindernet. Zitten ze er in,

dan brengt men de ontkurkte doodingsflesch in het net en zit de hommel

er spoedig in. Ze kruipt dan nog tegen het net, doch als men aan de

buitenzijde van het net dan de kurk op het glas plaatst—het net zit er

dan nog tusschen—dan is het dier dadelijk bedwelmd. Heeft men met

hommels met stuifmeelkluitjes aan de pooten te doen, dan moet men

voorzichtig te werk gaan, omdat die kluitjes gemakkelijk losraken.

Door de bestuiving van de bloemen behooren de hommels tot de nuttigste

insecten.

Vijanden der hommels. Het spreekt vanzelf, dat de hommels ook

achtervolgd worden. Allereerst worden er velen door de vogels opgepikt;

dan door de mollen en de muizen. Over de hommelgasten, waaronder

parasieten, spraken we reeds.

Hommelsoorten. In ons land komen 17 soorten voor, en in heel Europa

meer dan 40. Het is voor ons doel niet noodig op de soortverschillen

uitvoerig in te gaan. Bovendien is het lang niet gemakkelijk hommels te

determineeren, ook al, omdat de kleur der beharing aan zooveel variatie

onderhevig is. We geven 3 afbeeldingen van veel voorkomende hommels;

als men er op let kan men ze op de bloemen gemakkelijk onderscheiden.

No 178. Aardhommel. (Bombus terrestris). Deze is zeer algemeen, kleur

zwart; voorborststuk en 2de achterlijfsring geel; de top van het

achterlijf wit. De koningin is 20 tot 22 m.M. lang; de vlucht 40–42

m.M. De werksters zijn veel kleiner, en zooals we hebben opgemerkt, is

de grootte verschillend; lengte 10–17 m.M. De lengte der mannetjes

loopt van 14 tot 16 m.M., met een vlucht van 30–33 m.M.

No 179. Tuinhommel. (Bombus hortorum). Ook deze hommel is zeer gewoon.

Zij lijkt op het eerste gezicht veel op de vorige, omdat de

kleurteekening ongeveer dezelfde is. De hommel is zwart; voor- en

achterborststuk geel evenals de 1ste achterlijfsring; zij heeft dus 1

gelen band meer dan de aardhommel. De top van het achterlijf is wit,

net als bij de aardhommel. Deze hommels hebben de langste koppen en de

langste tongen. Daarom treft men haar ook juist aan in de bloemen met

zeer diep liggenden honing. Lengte van de koningin 17–20 m.M.; vlucht

35 tot 39 m.M. De werksters zijn 11–16 m.M. en de mannetjes 14–15 m.M.;

vlucht 29–32 m.M.

No 180. Steenhommel. (Bombus lapidarius). Een zwarte hommel, die

dadelijk te herkennen is aan den rooden top van het achterlijf. Het

mannetje heeft een gelen kop en een geel voorborststuk. De koningin is

20–22 m.M. lang; vlucht 37–40 m.M. De werksters zijn 11–16 m.M. en

gelijken geheel op de koningin. Ze verschillen alleen in grootte.

Mannetje 14–16 m.M. lang, vlucht 27–30 m.M.

Alle drie opgenoemde hommels maken haar nest in den grond.

Nederlandsche Insecten · 第 69 / 72 题