VLIEGEN. VLOOIEN. BLADWESPEN. SLUIPWESPEN.

No 157. Schapenhorzel. (Oestrus ovis). De runderhorzel, op het vorige

plaatje afgebeeld, is een z.g. huidbewoner; er zijn ook horzels die in

de maag of darmen van zoogdieren leven, b.v. de paardenhorzel. Een

derde soort horzels worden holtebewoners genoemd en daartoe behoort de

schapenhorzel. In den zomer en nazomer vertoont de horzel zich. Als ze

vliegt in de nabijheid van de schapen worden deze dieren beangst en

trachten de neusgaten te verbergen; op alle mogelijke wijzen willen zij

de horzel ontgaan. Maar ’t baat niet. De horzel komt toch naderbij en

legt in de neusholte wat larven; de eieren waren in ’t horzel-lichaam

al uitgekomen. De larven werken zich naar boven en ook den

voorhoofdsboezem in. Hier leven ze van het slijm en andere stoffen van

den kop. Doordat zij de vliezen prikkelen heeft er een ruime

vochtafscheiding plaats. In ’t voorjaar, als de larven volwassen zijn,

verlaten ze de neusholten op tijdstippen, dat het schaap niest. Ze

komen dan tusschen het gras terecht en verpoppen daar. In Juli tot

September komen er dan weer nieuwe horzels. Het spreekt vanzelf, dat de

aanwezigheid van deze larven hoogst onaangenaam voor de schapen is. Zij

raken veel slijm kwijt, wrijven met den neus over den grond, loopen met

den kop te slingeren, worden duizelig. De schapen vermageren zichtbaar.

Zoodra men iets van de maden merkt, geeft men de schapen wel wat snuif

om ze sterk te laten niezen, waardoor de larven of maden naar buiten

komen. Men zegt van zulke aangetaste schapen dat ze lijden aan de

valsche draaiziekte.

No 158. Koolvlieg. (Chortophila brassicae). Dit 6 m.M. lange vliegje

heet ook wel Anthomyia antiqua, maar hoe klein het ook is, het

veroorzaakt heel wat schade. Daar weten de koolbouwers in Langendijk,

in de Streek en op andere plaatsen in N.-Holland en elders, van mee te

praten. Het vliegje is de oorzaak van de „vallende ziekte” in de

koolplanten. De ontwikkeling is aldus. Het vliegje overwintert op

allerlei plaatsen, waar het een beetje beschut zit. Zoodra nu op de

kiembedden of koolbanen de plantjes flink aan den groei zijn, komt het

koolvliegje en legt zijn eitjes vlak bij den jongen wortel. De larven

vreten zich verder naar boven den stengel in, soms in de bladstelen. De

koolplanten worden dus ondermijnd en als er nog een matige kool van

groeit, valt die gewoonlijk om; dat zijn dan de vallers. Behalve op de

kiembedden valt het vliegje de koolplanten ook op het veld aan. In één

jaar komen verscheidene generaties, zoodat het met recht een

vreeselijke plaag kan worden. Veelal gaan de aangetaste planten nog

kankeren ook; dan is er een zwam bij gekomen. Wat kan men nu tegen het

koolvliegje doen? Het eenige is te beletten, dat de eieren bij den

wortel worden gelegd en dit wordt voorkomen door om de planten op den

bodem een papieren kraag te leggen. Men knipt een rond of zeshoekig

stuk papier; daarna knipt men van den rand naar het midden de kraag

open en legt haar zoo om de plant. Dat middel schijnt goed te helpen.

In ieder geval weert men op deze wijze het vliegje af.

De koolvlieg valt ook de kool aan, die in de schuren wordt bewaard; ’t

is dus wel een boosdoenster. Eenige kevers, mijten en een sluipwesp

maken jacht op de larven. Ook heeft men waargenomen dat kraaien de

aangetaste planten uit den grond trokken om zoo de larven te

bemachtigen.

No 159. Kaasvlieg. (Piophila Casei). Dit vliegje, 4–5 m.M. lang, is

veel minder bekend dan zijn larven; dat zijn de z.g. „maaien” of

„kaasmaden”. ’t Is een zwart vliegje, zonder beharing, met vuilgele

pooten. De vleugels zijn glashelder. De eieren worden op kaas gelegd en

de maden, die hieruit komen, doen zich hieraan te goed; zoo’n kaas is

een luilekkerland voor haar. De maden worden 8 m.M. lang, zijn wit en

rolvormig. Raakt men haar aan, dan rollen zij zich cirkelvormig op en

springen dan plotseling weg door het lichaam te strekken. Dit komt bij

weinig larvensoorten voor. In kaaspakhuizen komen ze nog al eens voor;

de vliegjes zitten dan wel tegen de ramen. In één jaar komen

verscheidene generaties voor. Het eenige middel om zich te wapenen

tegen de kaasvlieg is de kaas b.v. door een blaas af te sluiten. Ook

papier is goed, want daarop legt de vlieg geen eitjes.

No 160. Wortelvlieg. (Psila rosae). Deze vlieg is de oorzaak van de

wormstekigheid van de peen en omdat deze kwaal nog al veel voorkomt en

niet allen de oorzaak en de bestrijding kennen, willen we deze vlieg

wat uitvoeriger bespreken. Wie peen teelt, kan er dan zijn voordeel

mede doen. Het vliegje is glanzend zwart, zeer klein, slechts 4½ m.M.

lang. Het diertje legt de eieren aan de wortels van peen, selderie,

peterselie en ook wel aan die van karwij. Uit de eieren komen maden en

die vreten gangen in de wortels. Hoe meer maden er zijn des te erger is

de verwoesting. Na drie of vier weken is de made volwassen en verpopt

zich even onder de oppervlakte van de aarde. Na 8 dagen komt hieruit

reeds het vliegje, dat weer eieren gaat leggen. Meerdere generaties

krijgen we zoodoende in één jaar. De allerlaatste generatie verpopt ook

in den grond, doch dan blijven de poppen den heelen winter in den grond

liggen en eerst in ’t voorjaar komen de vliegen voor den dag. De

deugnieten blijven dus den winter over in onze tuinen. Wat kunnen wij

hiertegen doen?

1. Omdat de vliegjes den grond inkruipen om aan de wortels eieren

te leggen, moeten wij zorgen, dat er zoo weinig mogelijk

scheurtjes, gleufjes of andere openingen in den grond zijn. Den

grond dus bedekken met zand, kalk, asch enz.

2. Na het dunnen de gaatjes aanvallen, zooals hiervoor is gezegd.

Uit een wortelbed geen wortels trekken, want dan maken wij gaten,

waardoor de vliegjes weer gemakkelijk bij de wortels kunnen komen.

3. Tusschen de planten zand, gedrenkt in petroleum, strooien; dat

houdt de vliegen weg, die niet op petroleum gesteld zijn.

4. Men maakt een petroleum-emulsie: 5 L. water, 1 L. petroleum en 1

K.G. groene zeep, worden goed dooreen gemengd. Hiermede begiet men

het zaadbed na het zaaien, na het opkomen en na het uitdunnen der

wortels.

5. Men tele eens geen wortelen, selderie of peterselie. De vlieg

blijft dan weg. (Maar misschien krijgen we ze het volgende jaar

weer uit buurmans tuin).

6. In den herfst den grond flink omspitten en gespit laten liggen;

de poppen die dan boven zijn gekomen, gaan in den winter misschien

dood. Is het voorjaar geworden, dan dezen grond diep omspitten,

zoodat de overgebleven poppen ook flink diep komen te liggen, en de

vliegjes die uit de poppen komen, niet door de dikke aardlaag naar

boven kunnen kruipen.

No 161. Schapenluisvlieg. (Melophagus ovinus). Dit is de laatste vlieg,

die wij beschrijven. Goeds valt er niets van te vertellen; ’t is een

uitwendige parasiet, die den dieren bloed aftapt. De groep, waartoe

deze vlieg behoort, noemt men luisvliegen. Andere soorten leven op

paarden, herten, reeën, en vogels. Men noemt ze wel „poppenleggers”

omdat men meende, dat zij poppen legden; dit is onjuist. Zij brengen

volwassen larven ter wereld, telkens één, die zich dadelijk gaat

verpoppen. Door de parasitische leefwijze is haar voorkomen geheel

veranderd. Ze hebben forsche pooten met krachtige klauwtjes, om zich

goed te kunnen vasthouden. Het lichaam is plat en de vleugels

ontbreken. Het dier is 5. m.M. lang, bruin van kleur, en vrij dicht,

kort en stekelig behaard. De zuiger is hoornig en binnenin zit nog een

hoornige stift.

Om deze luisvliegen te bestrijden gebruikt men verschillende

waschmiddelen. Intusschen verdient het ook aanbeveling de

schapenstallen goed te reinigen, want daarin huizen er ook

verscheidene, die op de een of andere manier van de schapen afraken.

Hiermede eindigen wij de beschrijving der muggen en vliegen. Uit ’t

medegedeelde is gebleken, dat deze insecten velerlei rol vervullen in

de huishouding der natuur.

Vlooien.

No 162. Menschenvloo. (Pulex irritans), 17de Orde der insecten. Er is

al geen onaangenamer parasiet dan de vloo. Zij plaagt ons dag en nacht,

en bij elke gelegenheid. Ons er volkomen tegen wapenen kunnen we niet,

want in trams, booten, spoor, openbare gebouwen, in vergaderzalen,

overal kunnen ze ons bespringen. Behalve de mensch, worden ook veel

dieren door vlooien gekweld; dat zijn dan andere soorten. Totaal zijn

er in ons land 16 soorten bekend. Laten we eerst iets over het lichaam

zeggen. De oogen zijn puntoogen; de facetoogen zijn verloren gegaan. Er

zijn vele vlooien zonder oogen. Sprieten zijn 3-ledig; het eerste lid

heeft 9 à 10 inkervingen.

De monddeelen zijn stekend-zuigend. Eerst wordt een wonde gemaakt,

(geprikt), dan vloeit het bloed er heen en wordt opgezogen. Om het

bloed rijkelijk te doen vloeien, brengt de vloo speeksel in de wonde.

Mannetje en wijfje steken beiden.

Op het borststuk komen 3 paar stigma’s voor; alle andere insecten

hebben daar maar 2 paar. Vleugels ontbreken. Als ze nog vleugels

hadden, waren ze in ’t geheel niet te vangen. Het aantal pooten is

normaal, dus 6; de voorste zijn de kleinste, de achterste zijn

springpooten met forsche dijen. Vlooien, die op vogels en vleermuizen

leven, springen in ’t geheel niet. Het achterlijf is groot, vooral bij

de wijfjes.

De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago. De eieren

zijn betrekkelijk groot, wit, glad, en ongeveer 20 in aantal. De larven

hebben geen pooten en geen oogen, en worden 5 m.M. lang. De larve spint

zich in een klein coconnetje, en daarin komt een pop met zichtbare

organen. De heele ontwikkeling van ei tot vloo duurt ongeveer één

maand. We kunnen dus heel gauw een leger vlooien in huis hebben.

Voedsel der larven. Hierover bestaat nog verschil van gevoelen. Men kan

de dieren niet gemakkelijk kweeken en daarom weinig of geen proeven met

hen nemen. Intusschen gebruiken ze de stikstofhoudende schilfers, die

van de menschelijke huid vallen, en terecht komen in de naden der

vloeren, vooral van slaapkamers. Ook in hooi leven wel larven. Als

larve leeft dus de menschenvloo niet op den mensch, doch op plaatsen,

zooals de naden van vloeren, waar veel afval terecht komt.

Hoe zullen wij nu de vlooien bestrijden? Door haar te vangen raken wij

ze toch niet kwijt, want uit de vloernaden komen telkens weer nieuwe.

Insectenpoeder geeft ook niet. We moeten de vlooien geen gelegenheid

geven eieren te leggen, en zoo dit toch is geschied, de larven dooden.

Daarom moeten wij de vloeren der slaapkamers en vooral de naden, met

kokend sodawater reinigen; dat doodt de eieren en de larven. De

vlooienbestrijding moet dus op den vloer plaats hebben.

In musea laat men mannen loopen met bloote beenen, waaromheen geteerd

papier; de vlooien springen hiertegen en blijven vastzitten. Ten slotte

willen wij er op wijzen, dat de vlooien zeer gevaarlijk zijn door het

overbrengen van ziekten, net als de steekmuggen. Zoo brengt de

rattenvloo de pest van de ratten over op den mensch. Deze vreeslijke

ziekte heerscht op het oogenblik op Java, en eischt dagelijks veel

slachtoffers. De pest is eigenlijk een rattenziekte, die de vlooien van

rat tot rat overbrengen. Wij dienen de vlooien dus overal krachtig te

bestrijden. Op allerlei dieren komen vlooien voor.

Uit het bovenstaande blijkt voldoende, dat het niet waar is, dat

vlooien zoo maar uit niets in vuil kunnen ontstaan. Iedere vloo is

ontstaan uit een vlooien-ei, dat door een oude vloo is gelegd.

Vliesvleugeligen.

Thans beginnen we met de laatste of 19de Orde der insecten, de

Vliesvleugeligen of Hymenoptera. Dit is de hoogst georganiseerde groep

en daarom dan ook zeer belangrijk. Hiertoe behooren: blad-, hout-,

gal-, sluip- en goudwespen, mieren, graafwespen, gewone wespen, bijen,

hommels. Er zijn al een paar duizend soorten bekend, maar zeker is het,

dat er nog een massa onbekend zijn. Vermoedelijk is deze orde de

talrijkste.

Algemeene beschrijving.

1. De gedaanteverwisseling is volkomen.

2. De volwassen dieren hebben een stevige, dikke chitinehuid, veel

dikker dan de vliegen.

3. Sprieten meestal eenvoudig; toch zijn het zeer belangrijke

organen.

4. Behalve de 2 oogen zijn er gewoonlijk 3 puntoogen op den

schedel.

5. De monddeelen zijn kauwend, dus eenvoudig gebouwd; alleen bij de

bijen en hommels zijn de onderkaken en onderlip gewijzigd tot een

zuig- of likorgaan. De bovenkaken zijn sikkelvormig en scherp

gepunt en meestal getand; het zijn dus organen waarmede arbeid kan

verricht worden. Die bovenkaken worden gebruikt:

a. voor het grijpen en kneuzen van het voedsel;

b. om den cocon open te bijten;

c. om zich te reinigen;

d. bij den woningbouw (wespen, bijen).

6. Vleugels. De voorvleugels zijn het grootst; voor- en

achtervleugels zijn verbonden door haakjes, net als bij de

bladluizen. Daardoor zijn het goede vliegers. Soms ontbreken de

vleugels. De werksters bij de mieren zijn ongevleugeld.

7. Pooten. Deze zijn vaak eigenaardig gebouwd; zoo bezitten sommige

stuifmeelverzamelende vliesvleugeligen korfjes aan de achterpooten.

Daarop komen we nog terug.

8. Achterlijf. Hier treffen we een legboor aan; soms is die legboor

gewijzigd tot een angel (bijen, wespen, hommels). Hommels zijn

dicht behaard, sluipwespen zijn kaal.

9. Larven. De hymenoptera-larven zijn in 2 groepen in te deelen:

a. rupsvormige (bastaardrupsen), b. madevormige, en zoo zijn de

meeste. Bastaardrupsen zijn de larven van bladwespen (No 6 en

No 11). De madevormige hebben geen pooten en leven in gallen

(galwespen), ook wel parasitisch (sluipwespen), worden ook wel

door de moeder van voedsel voorzien (graafwespen) of worden

door andere imago’s gevoerd (bijen, mieren, wespen).

10. Poppen. De poppen zijn altijd vrij, de vleugel-, de poot-, de

legscheden, ze zijn alle vrij van elkaar gebleven. Het heele dier

is aan de pop al te herkennen.

11. Verschillen tusschen de mannetjes en de wijfjes. De wijfjes

hebben een legboor of een angel; de mannetjes steken niet. Het

mannetje is meestal kleiner, teerder en slanker, maar het bezit

vaak langere sprieten.

Bijna alle vliesvleugeligen zijn zeer bedrijvige en rustelooze dieren;

zie de bijen, hommels en wespen maar eens bij haar bloemenbezoek. En

dan de mieren. „Ga tot de mieren, gij luiaard, en wordt wijs”. Alleen

blad- en galwespen zijn niet zoo vlug; daarom zien de leeken deze

dieren aan voor vliegen.

Zooals we reeds zeiden, zijn de vliesvleugeligen de hoogst ontwikkelde

insecten; dat blijkt uit haar technische vaardigheid en uit haar

staten-vorming (sociale insecten).

Achtereenvolgens zullen wij nu beschrijven:

1. bladwespen (No 163 en No 164),

2. houtwespen (No 165),

3. galwespen (No 166),

4. sluipwespen (No 167 en No 168),

5. mieren (No 169–No 171),

6. graafwespen (No 172 en No 173),

7. wespen (No 174),

8. bijen (No 175–No 177),

9. hommels (No 178–No 180).

De vier eerste groepen bezitten een legboor, de andere een angel.

Bladwespen.

Bladwespen zijn in ’t algemeen trage dieren; vaak kan men ze met de

hand van het blad nemen. De wijfjes hebben een zaagboor; daarmede zagen

zij een gleuf in een bepaald plantendeel, en leggen daarin haar eieren.

Sommige bladwespen leggen de eieren gewoon op de bladeren. De larven

heeten bastaardrupsen; zie Plaat I No 6 en No 11. Zij lijken veel op

rupsen; de meeste komen daarmede ook overeen in leefwijze, omdat ze op

planten leven. Een leek ziet een bastaardrups voor een rups aan. Reeds

vroeger hebben wij de verschillen opgenoemd: een bastaardrups heeft 2

puntoogen en een rups 12; bovendien heeft de eerste veel meer

buikpooten, n.l. 16.

Als een bastaardrups verontrust wordt, als er sluipwespen in de buurt

zijn, dan neemt zij een schrikstand aan, de S-houding. Andere

bastaardrupsen hullen zich in een laagje witte was of in een slijmlaag;

sommige spuiten vocht uit (No 6).

Bladwespen komen veel voor; men treft ze aan op: kruisbessen, roode en

witte aalbessen, berk, den, els, knollen, rapen, mosterd, ooftboomen,

roos, spar en wilg. Men kan ze dus overal vinden.

No 163. Kruisbessenbladwesp. (Pteronus ribesii of Nematus ventricosus).

De eerste is de nieuwe, de tweede de oude naam. Deze bladwesp is zeer

berucht in ons land, omdat de bastaardrupsen groote verwoestingen in de

bessenstruiken aanbrengen. Als men in Mei of Juni hoort van een

„rupsenplaag in de bessen”, dan is het altijd over deze bastaardrups.

De tuinders maken geen onderscheid tusschen rupsen en bastaardrupsen;

trouwens de meeste kennen het verschil ook niet. Vroeg in ’t voorjaar

komt de bladwesp uit den grond; ze is 8 m.M. lang; vlucht 16 à 17 m.M.

Roodachtig geel met zwarten kop; vleugels helder. Als deze wesp uit den

grond komt en zich op de bladeren zet om eieren te leggen, merken de

bessenkweekers dit niet; ’t dier lijkt precies een vlieg. Uit de eieren

komen de bastaardrupsen, die zich aan den rand der bladeren zetten en

deze zoo oppeuzelen. Ze zijn groen, met zwarte puntjes; achter den kop

en op het einde van het lichaam geel; kop glimmend zwart.

Einde Mei, begin Juni, zijn ze volwassen en dan 15 m.M. lang. Nu gaan

ze naar omlaag, kruipen den grond in, verpoppen daar, en na 3 à 4 weken

komen er weer bladwespen uit den grond. Deze gaan ook weer eieren

leggen en nu worden de bessenstruiken geteisterd door de tweede

bastaardrupsenplaag. Is het weer zeer gunstig, dan kan er een derde

generatie komen. Op deze wijze komt er van de bessen weinig terecht.

Hoe kan men deze dieren nu bestrijden? Het goedkoopste middel is de

struiken te bespuiten met koud water. Heeft men vooruit kranten onder

de struiken gelegd, dan rollen de bastaardrupsen daarop, en kan men ze

vernietigen. Verder zou men de struiken kunnen besproeien met de

volgende oplossing: 100 L. water en daarin 5 H.G. versch gebluschte

kalk en 1 H.G. uraniagroen (vergift). Deze besproeiing is de dood voor

de larven.

Heeft men maar een klein bessentuintje, dan kan men de bastaardrupsen

er in Mei afzoeken. De laatste generatie overwintert in den grond.

No 164. Dennenbladwesp. (Lophyrus pini). Op Plaat I No 11 is de

bastaardrups van deze wesp afgebeeld; uitvoerig is deze larve

beschreven. Van de wesp valt niet veel te vertellen. Het mannetje is

slanker dan het wijfje; de sprieten zijn bij de eerste gekamd, bij de

tweede gezaagd. Het mannetje is grootendeels zwart, het wijfje in den

regel ook zwart, met veel geel, roodgeel of geelachtig groen er

doorheen. De cocons zijn vast en leerachtig.

Houtwespen.

Deze leggen haar eieren meestal in zieke boomen, ook wel in geveld

hout. De larven vreten zich in het hout in en maken daarin

„vreetgangen”, die dicht opgevuld zijn met kleine spaanders en

excrementen. De gangen zijn cylindrisch. De larven hebben zeer korte

(rudimentaire) borstpooten en zeer kleine buikpooten (vleezige

knobbels); ze zijn blind en kleurloos. Op het einde van het lichaam een

zwarte hoornachtige punt; daaraan zijn ze te onderscheiden van de

boktorlarven, die ook in hout leven. De larven bederven het hout, dat

technisch minder waarde krijgt. Ze leven lang in het hout, gewoonlijk 2

jaar, maar ook wel langer. Ze komen nog wel uit het bewerkte hout, uit

meubelen, als wij die in huis hebben. De poptoestand duurt niet lang.

De wespen vreten zich naar buiten, zelfs door lood en blik heen.

No 165. Gewone Houtwesp. (Sirex juvencus). Het wijfje is 26 m.M. lang,

’t mannetje gewoonlijk maar de helft. De kleur van ’t wijfje is

staalblauw; de pooten zijn geelachtig rood en de vleugels geel. Het

mannetje heeft een breeden geelbruinen gordel om het achterlijf. Ze

leven meest in sparren, en komen nog al eens uit de meubels te

voorschijn.

Galwespen.

Dit zijn maar heel kleine dieren, hoogstens 5 m.M.; de kleur is meestal

zwart, ook wel bruin, rood of geel. Op de eiken komen veel gallen voor;

op de bladeren, katjes, eikels, wortels, en takken. Bij de galvorming

doet zich dikwijls generatiewisseling voor; één generatie overwintert

in de gallen, en dat zijn de wijfjes; de tweede generatie maakt andere

gallen, van korten duur; hieruit komen mannetjes en wijfjes. De studie

der gallen is zeer interessant, maar het onderwerp is wat te uitgebreid

om het hier te behandelen.

In verschillende gallen zit veel looistof, die gebruikt wordt bij het

looien van leer en het maken van inkt; voor andere doeleinden worden de

gallen ook nog gebruikt.

Er zijn enkele galwespen, die leven als parasiet in andere insecten;

dat zijn dus overgangen tot de sluipwespen.

No 166. Eikengalwesp met gal. (Cynips kollari). De gallen, die deze

galwesp maakt, zijn zeer bekend; ze zijn rond en hard. Tot voor korten

tijd waren alleen de vrouwelijke vormen bekend van de eene generatie.

Prof. Beyerink (Delft) heeft evenwel ook de tweede generatie, mannetjes

en wijfjes, ontdekt. Wanneer men de gallen opent, vindt men daarin de

larven. Het komt evenwel voor, dat deze larven weer zijn aangetast door

sluipwespen, zoodat men bij kweeking geen gal- maar sluipwespen krijgt.

Sluipwespen.

Deze wespen vormen een belangrijke groep, die een groote economische

beteekenis heeft, omdat de sluipwespen enorme massa’s rupsen dooden en

daardoor ten slotte ook rupsenplagen tot staan brengen, Zij gaan op de

rupsen af en door middel van een lange legboor doorpriemen zij de

rupsenhuiden, en schuiven tegelijk haar eieren in het lichaam van de

rups. De larven (maden) die uit deze eieren komen leven geheel ten

koste van haar gastheer, die dit bezoek met den dood moet bekoopen.

Als de sluipwesp naar rupsen gaat zoeken, komen haar goede oogen en

vooral haar goeden reuk haar goed te pas. Er zijn wel sluipwespen, die

door het hout heen haar legboor steken en zoo de larven infecteeren van

de houtwespen (No 165). Zij kunnen die larven niet zien, moeten ze dus

wel ruiken. De sprieten (reukorganen) der sluipwespen zijn dan ook lang

en altijd in beweging. Het komt bij sommige soorten voor, dat de eieren

op den gastheer worden gelegd. Als de larven volwassen zijn verpoppen

ze; dit gebeurt binnen, ook wel buiten den gastheer. In dit laatste

geval kruipen de larven eerst naar buiten. Behalve rupsen vallen de

sluipwespen ook wel vliegen, bladluizen en kevers aan.

De infectie geschiedt zoowel in het ei, als in de larve, de pop en de

imago. Ei-parasieten zijn er niet veel; larve-parasieten komen het

meest voor; dat poppen en imago’s geïnfecteerd worden komt ook niet zoo

druk voor. Bladluizen en O. L. Heersbeestjes worden intusschen wel

aangevallen.

De keuze van ’t voedingsdier is nog al afwisselend; sommigen houden

zich aan één soort gastheer; anderen hebben een ruimer keuze. Sommige

geslachten tasten zoo wat alles aan.

Hoeveel maden van een sluipwesp komen er nu wel voor? In sommige

geïnfecteerde eieren vindt men nog wel 12 sluipwespen; of die dan ook

klein zijn. Uit rupsen zijn wel 1000 tot 2500 wespen gekomen; er zijn

dan niet zooveel eieren gelegd, doch uit één ei komen dan vele wespen.

Het einde van den gastheer is, dat hij sterft; gewoonlijk is de rups

één dag na het uitkruipen der larven dood. Soms brengt de rups het nog

tot pop.

Omdat de sluipwespen bekend staan als uitstekende rupsendooders,

bezitten zij veel waarde voor onze kulturen. In Amerika heeft men

daarom de sluipwespen kunstmatig gekweekt, om ze daarna op de rupsen

los te laten. Ook in Deli (Sumatra) is men aan het werk om met

sluipwespen rupsen te bestrijden, die op tabak leven. Ten slotte nog

een curiositeit. Wanneer een rups inwendig bezet is met larven van een

sluipwesp, dan gebeurt het wel, dat een andere soort sluipwesp komt en

haar eieren legt in de larven van de eerste soort. Deze noemt men

sluipwespen van de 2de orde. Zij dooden dus de eerste maden door ze uit

te eten en daarom zijn de sluipwespen van de 2de orde schadelijk. Er

komen ook sluipwespen van de 3de orde voor; die zijn dan weer nuttig.

Men leert de sluipwespen het best kennen door allerlei insecten in huis

op te kweeken.

No 167. Pijlstaart-Sluipwesp. (Trogus lutorius). Dit is een van onze

grootste sluipwespen; ze is 27 m.M. en in hoofdzaak roodgeel; de borst

is zwart; geel zijn de sprieten bij ’t mannetje en de sprietspits bij

het wijfje; ook de pooten grootendeels. De vleugels zijn geelachtig.

Het is geheel toevallig als we met deze groote sluipwespen kennis

maken. Bij het opkweeken van pijlstaarten gebeurt het wel, dat enkele

poppen schijnbaar niet uitkomen. Doch dan zien we plotseling uit die

poppen zoo’n groote sluipwesp komen. Dat is dan een Trogus. De

pijlstaartrups heeft het dus nog tot verpoppen gebracht.

No 168. Koolsluipwesp. (Apanteles glomeratus). In de Inleiding over de

„Geschiedenis van het Koolwitje” hebben we over deze sluipwesp reeds

gesproken; wij mogen dus daarheen verwijzen. Als men in ’t najaar wat

koolrupsen opkweekt, krijgt men zeker daaruit ook wel sluipwespen. Het

zijn kleine diertjes van een paar m.M. lengte.

Nederlandsche Insecten · 第 66 / 72 题