Het kan niet onze bedoeling zijn, hier een wetenschappelijke indeeling
te geven, maar op enkele groote groepen of families te wijzen, als:
galmuggen, steekmuggen, langpootmuggen, dazen, zweefvliegen,
kamervliegen, vleeschvliegen, parasietvliegen, horzels, luisvliegen en
kultuurplantenbeschadigsters.
Van al deze families zullen wij nu 1 of 2 vertegenwoordigsters
beschrijven.
No 145. Hessische Mug. (Mayetiola destructor). Deze mug is maar een
klein dier, 2½ à 3½ m.M. lang, doch de schade die zij in tarwe, rogge,
gerst aanricht, is zeer groot. Men noemt haar Hessische mug, omdat de
Amerikanen meenen, dat soldaten uit Hessen haar in 1779 met stroo naar
Amerika hebben overgebracht. Het wijfje legt de eieren op de bladeren
en de larven zakken dan omlaag naar de bladscheden. Hier zuigen ze aan
de cellen, wat ten gevolge kan hebben, dat de stengels omvallen. Waar
de larven leven, verpoppen zij ook. De heele ontwikkeling kan wel in 4
tot 6 weken afloopen, zoodat meerdere generaties in één jaar optreden.
Het weer heeft hierop evenwel veel invloed. De pop kan zeer goed tegen
uitdroging. Door de landbouwers worden allerlei middelen aangewend om
deze mug te bestrijden. Vruchtwisseling is zeer aan te bevelen, omdat
die het meest afdoende bestrijdingsmiddel is. In Amerika heeft men
reeds 4 soorten van sluipwespen ontdekt, die ons helpen in den strijd;
men zou kunnen beproeven deze parasieten kunstmatig te kweeken.
No 146. Steekmug. Mannetje en wijfje. (Culex pipiens). Op Plaat I No 3
zijn afgebeeld een larve en een pop van de steekmug. Men leze nog eens
over wat daarbij is geschreven, want dat staat in ’t nauwste verband
met de bestrijding van deze muggen. Over de heele wereld zijn 500
soorten van deze steekmuggen bekend, terwijl er in ons land 10 à 12
soorten voorkomen. De eieren worden alle in ’t water afgezet, soms
vereenigd tot een vlotje van een 200 stuks. Is ’t noodig, dat de
steekmuggen bloed zuigen? ’t Schijnt van niet, want er komen veel
steekmuggen voor op plaatsen, waar de mensch niet leeft, b.v. in
bosschen en ook in ’t hooge noorden. Poolexpedities moesten daar wel
terug om de vele muggen die daar leven op visch en rottende stoffen.
Van de steekmuggen is alleen het wijfje gevaarlijk; dat steekt zijn
snuit in de huid en zuigt dan het bloed op. Het mannetje is te
herkennen aan de fraai gepluimde sprieten; het steekt niet. Dat de
steekmuggen ons een beetje bloed aftappen, is nog zoo erg niet; ieder
mensch bezit een 4 of 5 L. bloed, dus er kan zonder gevaar wel een
beetje af. Maar het gevaar zit hierin, dat deze muggen ziekten
overbrengen. Zij steken zoowel gezonde als zieke menschen, en nu is het
te begrijpen, dat daardoor smetstoffen van den een op den ander worden
overgebracht. Straks, bij het volgende plaatje, zullen wij er iets meer
van vertellen. Men hoort zoo dikwijls zeggen: „de koorts is mij op het
lijf gevallen” en als men het verloop eens kon nagaan, zou menigmaal
blijken, dat de smetstof, die de koorts veroorzaakt, door muggen,
vlooien of andere parasieten is overgebracht.
De steekmuggen overwinteren als imago, en wel alleen de wijfjes, die
zich dan verschuilen in den kelder, in gangen, onder waranda’s en
andere donkere plaatsen. Als iemand dus in ’t voorjaar vraagt: „Waar
komen die muggen toch vandaan?” dan kunnen wij hem antwoorden: „Die
hebben den geheelen winter bij U in den kelder tegen den zolder en de
muren gelogeerd.” De kelders moet men ’s winters uitzwavelen of met een
brandenden flambouw bewerken. Ook kan men de muggen dooddrukken.
En als we ’s zomers de muggen in huis hebben? Men kan als
voorzorgsmaatregel horretjes plaatsen en tegen den avond de ramen
sluiten. Een gordijn van gaas over het ledikant. De muggen, die tegen
de muren zitten, kan men ’s avonds met een glas vangen, dat aan de
binnenzijde voor een deel met petroleum is besmeerd. Als men zoo’n glas
vlug over een zittende mug brengt, dan bedwelmt ze direct. Men vangt
zoo deze dieren zonder het behang te bemorsen. De ontwikkeling der
muggen gaat zeer snel. Van ei tot mug duurt tot 3 weken en dan begint
over 2 weken het eierleggen. Zoodoende krijgen we wel 5 generaties in
één jaar. Eén mug in ’t voorjaar kan in ’t najaar reeds 100 x 100 x 100
x 100 x 100 vrouwelijke nakomelingen hebben. Gelukkig dat er velen
verongelukken als larve. De wijfjes zijn 5 tot 6 m.M. lang.
No 147. Malaria-mug. Mannetje en wijfje. (Anopheles maculipennis). Deze
mug komt ook in ons land voor en de larven leven in meer grootere
wateren dan de vorige steekmug. Men kan de kleine zwarte larven daar
vinden aan de onderzijde van het kroos en het flap. De malaria-mug is
te herkennen aan de gevlekte vleugels en de ongevlekte pooten. Er zijn
nog meer kenmerken, doch die kunnen zonder teekening niet duidelijk
worden gemaakt. Een malaria-mug zit schuin tegen een muur, met het
achterlijf naar boven; een gewone steekmug zit evenwijdig aan den muur.
Hoe bezorgt ons deze mug nu de koorts? Zelf heeft deze mug de smetstof
niet, doch als zij eerst een malaria-lijder steekt en van hem de
smetstof opneemt en daarna een gezond mensch prikt, brengt ze de
ziektekiemen over op den gezonden mensch. De malaria-mug is dus de
overbrengster van de ziektestof. Als er geen malarialijder in de buurt
is, kan de mug, ook al steekt ze ons, geen malaria overbrengen. De
wijfjes zijn 6 tot 8 m.M. Over de malaria-mug is heel wat literatuur
verschenen, ook in ons land. In de warme landen worden de gele koorts
en andere koortsen ook door steekmuggen verspreid.
No 148. Langpootmug. (Tipula oleracea). De langpootmuggen zijn wel onze
grootste muggen, vooral door haar lange pooten. De kleur is aschgrauw
tot geelbruin. Ze komen overal voor en we kennen al meer dan 30 soorten
in ons land. De mug legt haar eieren in graslanden, waar dan de larven
(emelten) aan de wortels der grassen vreten. Ook in moestuinen komen ze
voor, en overal waar ze zijn, doen ze veel schade. Tegenwoordig doen de
emelten veel van zich spreken op de nieuwe ontginningen in het oosten
van ons land. Het schijnt, dat daar te weinig vogels zijn, want die
houden gewoonlijk een flinke opruiming onder hen. De emelten
verplaatsen zich ’s avonds over den grond. Als men leege bloempotten of
glazen tot den rand ingraaft, vallen ze daar wel in.
De langpootmuggen komen ’s avonds in verlichte kamers binnenvliegen en
zijn zelf geheel onschadelijk. Omdat de dieren groot zijn, kunnen wij
ze gemakkelijk eens bekijken; de kolfjes zijn zeer goed te zien.
No 149. Runderdaas of Brems. (Tabanus bovinus). De daas behoort tot de
groep der steekvliegen; het zijn ook hier weer de wijfjes, die aan de
dieren het bloed aftappen. De daas zelf is een der grootste vliegen en
22 tot 24 m.M. lang. Zij achtervolgt de runderen, die vreeslijk bang
voor haar zijn; als dol rennen de koeien door de weide. Van dit
geslacht zijn al een 1000 soorten bekend, zoodat ze heel wat
onaangenaams veroorzaken. Sommigen brengen ook ziekten over, wat van
deze bloedzuigers is te verwachten.
De daas legt de eieren op den grond, waar de larven verder in de weide
leven. De mannetjes, die geen bloed zuigen, voeden zich met honing of
met boomsappen; men vindt ze dikwijls tegen boomstammen, waar sap
uitvloeit. Dat alleen de wijfjes bloed zuigen staat hiermede in
verband, dat zij dit bloed noodig hebben voor de ontwikkeling der
eieren.
No 150. Zweefvlieg. (Syrphus ribesii). Het komt herhaaldelijk voor, dat
wij plotseling een vlieg in de lucht zien blijven „staan”; dat is dan
een „zweefvlieg” of „staande vlieg”. Men kan ze zoo herhaaldelijk boven
de bloemen zien staan. De afgebeelde is een zeer gewone; sprieten,
pooten en buik van het achterlijf rood geel; lengte 13 m.M. De eieren
worden gelegd op de bladeren; de larven zijn bekend als uitzuigsters
van bladluizen, behooren dus tot de nuttige dieren. Het valt niet
moeilijk deze larven aan het werk te zien. Larven van andere
zweefvliegen leven in modder en andere stoffen en behooren dus tot de
opruimers. Omdat de zweefvliegen gaarne honing snoepen, en dus veel de
bloemen bezoeken, bevorderen ze in hooge mate de kruisbestuiving.
No 151. Kamervlieg. (Musea domestica). De larve en de pop zijn
afgebeeld op Plaat I No 1. Daar hebben wij toen over het leven der
larven geschreven. Wij hebben toen opgemerkt, dat die larven nuttige
dieren zijn, omdat ze veel vuilnis verwerken en opruimen, vooral
paardenmest en ook anderen afval. Zoo nuttig de larve is, zoo lastig en
gevaarlijk is de vlieg. De kamervlieg is de overbrengster van typhus,
tuberculose, cholera en nog andere besmettelijke ziekten. De
zomerdiarrhee bij kleine kinderen verspreidt zij; ook o.a. huidziekten.
Hoe zij dat doet? Een vlieg is een snoepster en zit overal op; het
vuilste en smerigste bezoekt ze evengoed als een suikerpot; daardoor
brengt ze allerlei ziektekiemen over. Als het raam van de kamer, waarin
een choleralijder ligt, openstaat, komt de vlieg naar binnen en zet
zich b.v. neer op de bevuilde beddelakens of onderkleederen, en neemt
zoo de cholerabacillen mee. Ze vliegt vervolgens weg en zet zich in een
ander huis op het brood neer, dat nu met cholerabacillen wordt besmet
en slachtoffers maakt. Daarom moet met kracht de kamervlieg bestreden
worden. Ze is een echte cosmopoliet en komt overal voor. Steken doet ze
niet; daarvoor zijn haar monddeelen niet geschikt. Het beste middel om
haar te bestrijden is den mest op te ruimen, dan ontnemen wij haar de
broedgelegenheden. Over den mest kalk en creolin; daarmede ook de naden
der stalvloeren reinigen.
De kamervlieg wordt aangevallen door een schimmel; in ’t najaar ziet
men de vliegen zitten met uitgestrekte ledematen en gezwollen
achterlijf, omringd door een wit, fijn poeder. Dat is het werk van een
schimmel. De kamervliegen komen veel meer op het platteland dan in de
steden voor; in de steden ligt geen mest bij huis.
No 152. Steekvlieg. (Stomoxys calcitrans). Als we zoo in den zomer
plotseling door kousen en kleederen heen gevoelig worden gestoken, dan
is dat het werk van de steekvlieg. Behalve den mensch steekt zij ook
het vee. Mannetje en wijfje steken beiden; bij de steekmuggen en dazen
steken alleen de wijfjes. Vooral in paardenstallen komt de steekvlieg
voor, want de eieren worden in verschen paardenmest gelegd. In
September komt ze ook veel in de huizen. Men kan ze herkennen aan den
vrij langen, dunnen, hoornachtigen zuiger; ze lijkt anders veel op de
kamervlieg. De steekvlieg schijnt in verband te staan met de
verspreiding van de kinderverlamming. Deze vlieg komt ook veel voor op
Java en veroorzaakt in Britsch-Indië de soera-ziekte onder de runderen.
Juist omdat ze cosmopoliet is, is ze zoo gevaarlijk voor den mensch.
Steekvlieg en kamervlieg zijn evenlang, 6–7 m.M.
No 153. Brom- of Vleeschvlieg. (Calliphora erythrocephala). Deze
brommer is de schrik van de huismoeders, want die vlieg heeft de
gewoonte op vleesch haar eieren te leggen. Reeds den anderen dag komen
uit de eieren de maden, en dat is dan zoo’n vies gezicht, dat men het
vleesch wegdoet. Om deze aanvallen te voorkomen, zet men het vleesch in
een vliegenkast. In de vrije natuur is de bromvlieg anders zeer nuttig,
want zij legt haar eieren daar in allerlei vleeschafval, enz., die zij
netjes door haar larven laat opruimen. En dat zij nu onze biefstuk ook
voor een stuk van een dierenlijk aanziet, is haar niet kwalijk te
nemen; ze heeft immers gelijk? En zij kan het toch niet helpen dat de
mensch ook geworden is een „opruimer” van dierenvleesch? Zoodoende zijn
bromvlieg en de mensch „concurrenten”.
De bromvlieg is 11 à 12 m.M. lang, zwart, met een glanzig staalblauw
achterlijf.
No 154. Schaakbord. (Sarcophaga carnaria). Ook deze vlieg behoort als
de vorige, tot de opruimers. De eieren worden in ’t lichaam al
uitgebroed, zoodat deze vlieg een „larvelegster” is. Vooral op
dierenlijken, doode honden, katten, enz., legt zij haar larven, die
dadelijk aan den slag trekken. Ze zijn dus zeer nuttig. Men noemt deze
vlieg „schaakbord”, omdat het achterlijf „grijs en zwart geblokt” is,
zoodat het op een schaakbord gelijkt. In huis komt ze weinig. Oogen
helrood, pooten zwart. Lengte 8 tot 15 m.M.
No 155. Nonvlinder-Parasietvlieg. (Parasetigena segregata). Deze vlieg
is zeker wel de grootste vijand van de nonvlinder-rupsen, en daardoor
is het dier van groote waarde voor de boschkultuur. Toen wij vroeger
het parasitisme bespraken, hebben wij reeds op de beteekenis van de
parasietvliegen gewezen. Zij leggen haar eieren op de rupsen, en de
larven, die hieruit komen, werken zich naar binnen, en eten allengs de
geheele rups uit. Als zij in voldoend aantal aanwezig zijn, dan brengen
zij rupsenplagen tot staan. De parasietvliegen vertoonen het echte
vliegentype, hebben niet-behaarde sprieten, en groote stekelharen op
het achterlijf. Van deze vliegen zijn reeds honderden geslachten
bekend, zoodat zij jaarlijks zeer veel slachtoffers maken. Het zijn dus
ook „opruimers”, maar zij ruimen levende dieren op. Behalve rupsen
worden ook andere insecten, b.v. hommels, geïnfecteerd. Bij het
opkweeken van allerlei rupsen komen we herhaaldelijk in aanraking met
verschillende sluipvliegen.
No 156. Runderhorzel. (Hypoderma bovis). Dit is inderdaad een mooie
vlieg, die iets op een hommel gelijkt. Ze is 13 m.M., dus lang niet
klein. Maar hoe mooi ze ook is, ieder jaar brengt ze ons een schade toe
van een paar millioen gulden, en dat is geen kleinigheid. De zaak zit
zoo. De horzel zet haar eieren af op het lichaam van een koe; hoe dat
eigenlijk gaat, waar, wanneer, weet men nog niet precies. De zaak is
nog in onderzoek. In ieder geval uit de eieren komen larven, en die
larven vindt men na eenigen tijd in de koe vlak onder de huid. Die
larve doet zich daar te goed en groeit zoo flink, dat we op den rug van
de koe bultjes kunnen zien. Met eenige handigheid drukken wij de larven
door het gaatje heen, dat ze al zelf gemaakt heeft. Is de larve
volwassen, dan is ze 22 tot 28 m.M. lang en 11 tot 15 m.M. breed, dus
een groot dier. Het blijft niet onder de huid, doch het werkt zichzelf
naar buiten en valt dan op den grond; hier wordt het een pop, graaft
zich den grond wat in en na een week 3 of 4 komt de horzel voor den
dag. De wond, die de larve in de huid heeft gemaakt, geneest wel, doch
het gat blijft bestaan, en als van de huid nu leer wordt gemaakt,
krijgen we „leer met gaatjes”, dat veel minder handelswaarde heeft.
Afgescheiden van het nadeel, dat het rund van deze „kostgangsters”
heeft, maken ze het leer voor vele doeleinden ongeschikt.
Daarom beproeft men deze horzels te bestrijden. Dat gaat op deze
manier. Men haalt de larven met een pincet of een naald uit de huid en
doodt ze daarbij. Als men dit geregeld en overal toepast—maar zoover
hebben wij het nog niet—dan vermindert het aantal horzels zoo sterk,
dat ze weinig nadeel meer kunnen doen. In Nederland ziet men nog niet
overal het groote belang van deze zaak in.