No 133. Dennenspinner. (Gastropacha (Dendrolimus) pini). Van dezen
schadelijken vlinder is de rups afgebeeld op Plaat II No 24 en daar
beschreven. De voorvleugels van den vlinder hebben een gegolfden
achterrand; grondkleur chocoladebruin tot witachtig grijs; roodbruine
banden en in ’t midden een witte stip. De achtervleugels zijn donker
roodbruin. Vlucht 50–80 m.M. De vlinder vliegt van einde Juni tot
Augustus.
No 134. Ringelrupsvlinder. (Malacosoma (Bombyx) neustria). Deze vlinder
legt zijn eieren in een ringetje om een takje; vandaar zijn naam. De
eieren worden met een klierstof vastgekleefd. Zoo overwinteren zij aan
allerlei boomen, ook aan vruchtboomen. In ’t voorjaar komen hieruit
rupsen, die eerst nog eenigen tijd gezellig samenwonen, doch als er
gebrek aan eten komt, gaat ieder haar eigen weg. Ze zijn zeer
schadelijk. In Amsterdam worden langs de grachten soms groote
verwoestingen aangebracht. De rups is bruinig en dun behaard, blauw met
oranjezwarte afgezette langslijnen en witte ruglijn. Kop blauw met twee
zwarte voorhoofdsvlekken. De vlinder is okergeel of bruinrood met
dwarslijnen; de achtervleugels zijn lichter dan de voorvleugels. Het
mannetje heeft een vlucht van 25 tot 35 m.M., het wijfje 35 tot 43 m.M.
De vlinders vliegen ’s avonds wel om lantaarns.
Om deze zeer schadelijke rupsen te bestrijden, knipt men in den winter
de eierringetjes uit de boomen; dat is een heel werk, vooral in hooge
boomen. Toch doet men het zoo in Amsterdam. Als de rupsen er zijn, kan
men de brandspuit halen en ze den boom uitspuiten. De rupsen worden
aangevallen door parasietvliegen en sluipwespen, die vaak groote
opruiming onder haar houden. De rups komt helaas door heel Nederland
voor.
No 135. Blauwe Weeskind. (Catocala fraxini). Deze vlinder en de
volgende hebben hun naam te danken aan de uitmonstering der
achtervleugels. Weeskinderen dragen en droegen gewoonlijk een kleeding,
waardoor zij gemakkelijk te herkennen zijn; in Amsterdam o.a. rood en
zwarte kleeding de kleuren van het stadswapen. De achtervleugels van
het blauwe weeskind zijn zwart met één lichtblauwen dwarsband. Het zijn
nachtdieren, die overdag met vlak dakvormig gelegde vleugels tegen
stammen, muren en schuttingen zitten. Ze zijn dan niet te herkennen. De
rups leeft op eiken, wilgen en populieren. De eieren overwinteren. Deze
vlinder behoort tot de zeldzame in ons land. Vlucht 80 tot 95 m.M.
No 136. Roode Weeskind. (Catocala nupta). De achtervleugels zijn vuil
vermiljoenrood met een zwarten midden- en randband. De rups leeft op
wilg en populier en komt in het oosten en zuiden van ons land algemeen
voor. Vlucht 65 tot 75 m.M.
No 137. Bessenspanvlinder. Harlekijn. (Abraxas grossulariata). Dit is
een heel aardig vlindertje, dat om zijn bont uiterlijk harlekijn heet;
in Groningen noemen ze hem „krentenpannekoek.” Vlucht 40 tot 45 m.M.
Het lichaam is geel en zwart bepunt; vleugels wit, met zwarte vlekken
en gelen band. Ook aan de rups zien we witte, zwarte en gele kleuren;
kop zwart. De rupsjes zien we in het voorjaar op aal- en kruisbessen en
op gekweekte ribesheesters; ook wel op frambozen, pruimen en abrikozen.
In ’t begin van Juni verpoppen de rupsen in een zeer los spinseltje,
uit eenige draden bestaand, aan de bladeren; de pop is gitzwart met
gele banden. Men ziet haar in ’t spinsel zitten. In Juli en Augustus
komen hieruit de vlindertjes, die zeer slecht vliegen; zij leggen hun
eieren op genoemde planten. In September komen hieruit weer rupsjes,
die eerst wat eten en dan met de bladeren naar beneden komen, waar ze
op den bodem overwinteren. De rupsen zijn spanrupsen. In het voorjaar
komen ze onder den rommel vandaan en beginnen haar vreterij. Men kan
deze rupsjes kwijtraken door den rommel onder de bessen bijeen te
harken en te verbranden. De rupsen worden door verschillende
sluipwespen aangetast.
No 138. Berkenspanner. (Amphidasis betularia). De rups en pop zijn
afgebeeld op Plaat II. No 22. Deze vlinder heet ook wel „peper en
zoutvlinder”; dat ziet op de vleugelteekening. De vleugels toch zijn
krijtwit of helder grijswit, zwart bestoven, met zwarten middenvlek. Er
is van dezen vlinder een variatie bekend, die geheel zwart is.
No 139. Kleine Wintervlinder. (Cheimatobia boreata). Dit zijn lastige
maar toch merkwaardige dieren. Zij zijn gekenmerkt door een sterk
sprekend dimorphisme; de mannetjes zijn normaal gevleugeld en de
wijfjes ongevleugeld of alleen voorzien van vleugelstompjes, waarmede
ze toch niet vliegen kunnen. De kleine spanrupsjes zijn in ’t voorjaar
zeer schadelijk aan allerlei vrucht- en andere loofboomen; onze kersen,
appelen en peren lijden er veel van. Zijn ze volwassen, dan verpoppen
ze in den grond. Het merkwaardige is nu, dat reeds in November en
December en gedurende den geheelen winter, als de bodem niet bevroren
is, de kleine vlindertjes uit den grond komen. De mannetjes vliegen dan
rond. De wijfjes kunnen dat niet en kruipen tegen de stammen op om bij
de knoppen eieren te gaan leggen. Om dit nu te voorkomen bindt men om
de stammen banden, waarop men lijm smeert. Willen de wijfjes nu naar
boven, dan moeten zij over dien band heen en raken dus vast. Die
lijmbanden zijn een prachtige uitvinding. De rupsen worden 20 tot 25
m.M. lang.
No 140. Nonvlinder. (Lymantria (Liparis) monacha). Rups en pop zijn
afgebeeld op Plaat II. No 21. Deze rups is de ergste vijand van onze
dennenbosschen, omdat zij zoo vraatzuchtig is en vaak in groote massa’s
voorkomt. De vlinder heeft witte voorvleugels met zwarte vlekken en
onregelmatig zwarte zigzaglijnen; de achtervleugels zijn grauw. Vlucht
30 tot 55 m.M. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes. De kleur der
vlinders is soms donkerder, ook wel bij zwart af. De eieren worden
gelegd in schooltjes van 20 tot 50 in reten van de schors; ieder wijfje
legt er een 200. De rupsjes komen vroeg in ’t voorjaar uit en beginnen
dan aan de naalden te eten; in ’t laatst van Juni, begin Juli zijn ze
volwassen en spinnen zij zich in een lossen cocon aan takken en
tusschen naalden in. Twee à drie weken daarna komen de vlinders voor
den dag.
Omdat de rups zoo schadelijk is, wordt ze krachtig bestreden. Het ligt
buiten ons bestek hierop uitvoerig in te gaan, doch wie er meer van
weten wil kan hierover een gratis-brochure aanvragen bij de Inspectie
van het Staatsboschbeheer te Utrecht. Deze brochure bevat duidelijk
gekleurde platen.
No 141. Appelvlindertje. (Carpocapsa pomonella). Dit vlindertje is
oorzaak van de wormstekigheid onzer appels en peren. Dat zit zoo. In
Juni legt het wijfje de eitjes op de dan nog zeer kleine vruchtjes. Uit
die eitjes komen rupsjes, die zich naar binnen eten, en in het klokhuis
de zaden vernielen, want daarom is het hun te doen. De „worm” is dus
een rupsje. Is het rupsje volwassen, dan graaft het zich door de vrucht
heen, en zoekt, buiten gekomen, een schuilplaats om te overwinteren. In
’t voorjaar verpoppen ze en in Juni zijn er weer vlindertjes. Wat
kunnen wij hiertegen doen? Wij verschaffen aan de rupsjes kunstmatige
winterverblijven, door om de boomstammen wat houtwol te binden en
daarover een papier, een z.g. insectenband. De rupsjes kruipen
hieronder en als het November is geworden, verbrandt men den rommel.
Deze vangbanden worden half Juli aangelegd, anders komen we te laat.
Verder moeten alle aangestoken appels worden opgeraapt; men kan ze tot
jam verwerken. Het appelvlindertje is wel mooi, doch om het groote
nadeel, dat het aanricht, moet het streng bestreden worden.
No 142. Stippelmot. (Hyponomeuta evonymi). Zij heeten stippelmotten,
omdat zij bezitten witte of grijze voorvleugels met overlangsche rijen
van zwarte stippen; de achtervleugels zijn donkergrijs en ongestippeld.
De rupsjes leven in groote spinsels bijeen, en verwoesten soms geheele
boomen. Er komen 7 soorten bij ons voor; op den appelboom leeft er een,
die men trekmade noemt. Raakt men de spinsels aan, dan laten de rupsjes
zich aan draden naar beneden zakken. Het beste is ze dood te drukken
met de hand, gedekt door een handschoen van leer. Het afgebeelde
stippelmotje leeft op kardinaalsmuts.
No 143. Witvlakvlinder. (Orgyia antiqua). Mannetje en wijfje. Ook hier
hebben wij een sterk sprekend voorbeeld van dimorphisme. Het mannetje
is gevleugeld, het wijfje heeft slechts een paar heel kleine stompjes,
zoodat het absoluut niet vliegen kan; het lijkt op een dikke larve. Van
de orgyia’s komen bij ons 5 soorten voor, en de afgebeelde komt het
meest voor. Hij heet witvlakvlinder, omdat het mannetje op de
roestbruine vleugels een witte vlek heeft. De rups is hieraan te
herkennen, dat ze 5 haarpluimen en 4 haarkwasten op het lichaam heeft;
daarom noemt men haar ook wel borstelrups. Er komen twee generaties per
jaar voor en vooral in Augustus en September vliegen overdag zeer vele
mannetjes haastig rond. Geen enkel vlindertje vliegt overdag zóó wild
en woest. De rups spint een cocon aan takjes en als daaruit nu een
wijfje komt, dan zet dit zich op den cocon neer en legt daarop de
eitjes, netjes naast elkaar. Is dit geschied, dan sterft het diertje en
valt op den grond. Het heeft dan hoogstens 2 dagen geleefd en niets
gegeten; wel een armzalig vlinderbestaan.
Heeft men in een rupsenkast deze rupsen opgekweekt en zoodoende ook
wijfjes gekregen, dan kan men daarmede een aardige proef nemen. Men zet
zoo’n wijfje in een gesloten sigarenkistje buiten en ziet, dadelijk
komen er bruine mannetjes naar toe. Wij leeren hieruit, dat de wijfjes
sterk geuren en dat de mannetjes goed kunnen ruiken. De vlucht van het
mannetje is 28 tot 32 m.M. De eieren overwinteren. De rupsen worden ook
aangevallen door sluipwespen.
No 144. Hermelijnvlinder. (Harpyia vinula). Van dezen vlinder is vooral
de rups interessant, omdat die twee staarten bezit, waaruit bij
verontrusting twee roode draden worden gestoken. Door het bezit van
deze twee staarten heeten deze rupsen ook wel „tweestaartrupsen”.
Verder scheiden deze rupsen, als zij in angst zitten, uit een halsklier
vocht af, dat met kracht wordt uitgespoten. Dit vocht is mierenzuur. De
rups leeft op wilgen en populieren en zit in rust op de bovenzijde der
bladeren, met het voor- en achterlijf omhoog en den kop ingetrokken. De
rug is stomp opgeheven; de stompe verhevenheid verdeelt den rug in twee
deelen, die van boven donker gekleurd zijn. De rups is verder groen en
spint een cocon tegen boomstammen; zij holt dan eerst de schors wat uit
en voegt het knaagsel tusschen haar cocon, die daardoor zeer stevig
wordt en haast niet opvalt. Als de vlinder later dezen cocon zal
verbreken, zondert hij een vloeistof af, die kaliloog bevat, en het
weefsel verweekt. De vlinder heeft een vlucht van 60 tot 75 m.M.
Hiermede eindigen wij de korte beschrijving der vlinders. Wij willen er
nog op wijzen, dat het eenige middel om gave vlinders te krijgen is;
rupsen zoeken en opkweeken. Dat is bovendien een zeer onderhoudend en
leerrijk werkje.