1 en 2 hebben poetspooten, de anderen niet.

Tot de nachtvlinders behooren:

1. Sphingiden of pijlstaarten; ze bezitten een vleugelhaakje; de

sprieten zijn in het midden verdikt; goede vliegers.

2. Bombyciden of spinners; geen vleugelhaakje, slechte vliegers.

Verschil tusschen mannetjes en wijfjes in de sprieten.

3. Lipariden met vleugelhaakjes.

4. Noctuiden of uilen; met draadvormige sprieten.

5. Geometriden of spanvlinders; die hebben vleugels als de

dagvlinders.

6. Microlepidopteren of motvlinders. Deze worden weer verdeeld in

bladrollers en motten; deze laatste hebben smalle vleugels met

franje.

Dagvlinders.

No 109. Citroentje. (Gonepteryx (Rhodocera) rhamni). Het mannetje is

citroengeel, van onder bleek; het wijfje groenachtig wit. Op elken

vleugel een oranje-stip, die van onder bruin is. Vlucht 49 tot 58 m.M.

De mooie vlinders vliegen tweemaal in ’t jaar; in ’t voorjaar en van

Juli tot het najaar. In Juli verschijnen de eerste van de nieuwe

generatie en deze blijven den geheelen zomer en verschuilen zich dan

gedurende den winter. Zij overwinteren dus als vlinder. In ’t voorjaar

worden de eieren gelegd op den vuilboom en kruisdoorn. De rups is dof

groen met een witten zijlijn. Komt in ’t geheele land voor. Geen

poetspooten. Eén generatie.

No 110. Koninginnepage. (Papilio machaon). Rups en pop zijn afgebeeld

op Plaat II. No 14. Onze prachtigste vlinder, daarop doelt ook zijn

naam. Grondkleur geel; verder met zwarte aderen, vlekken en banden. Een

in het midden blauwachtige band op de achtervleugels, die in een

oranjebruine oogvlek op den staarthoek eindigt. Twee generaties, in ’t

voor- en najaar; de pop overwintert. In ’t oosten en zuiden van ons

land. Vlucht 62 tot 88 m.M. Geen poetspooten.

No 111. Koolwitje. (Pieris brassicae). Voor de beschrijving verwijzen

wij naar het eerste hoofdstuk: „De Geschiedenis van het Koolwitje”.

No 112. Kleine Vos. (Vanessa urticae). De rups leeft gezellig in

troepjes op den brandnetel. Ze zijn te vinden in ’t laatst van Mei en

begin Juni. Ook later nog, doch dat is dan de tweede generatie in

Augustus. De pop hangt aan de bladeren. Ze zijn gemakkelijk in huis op

te kweeken. Rups donker met groen en gele langslijnen. Op den

voorvleugel verstrooide zwarte vlekken en één witte. Donkere

achterranden met blauwe vlekjes. Grondkleur oranje met geel. Vlucht 38

tot 49 m.M. Zeer algemeen. Komt op mooie dagen in Februari al uit zijn

schuilhoek.

No 113. Parelmoervlinder. (Argynnis paphia). De vleugels van de

parelmoervlinders zijn helder roodgeel met zwarte vlekken of teekening.

Onderzijde der vleugels met parelmoervlekken; de afgebeelde soort heeft

3 parelmoerstrepen. Vlucht 57–69 m.M. De rups leeft op viooltjes.

No 114. Groote Vos. (Vanessa polychloros). De rups leeft op allerlei

boomen, ook wel op vruchtboomen, en wordt in Juni en Juli daarop

aangetroffen. In Juli en Augustus vliegt dan de vlinder, die, zijn naam

zegt het reeds, veel gelijkt op den kleinen vos. Dof oranjebruin, met

geel gemengd: verstrooide zwarte vlekken op de vóór-, en één dergelijke

vlek op de achtervleugels. Onderzijde geel van grondkleur, geheel

donkerbruin gewaterd. Vlucht van 48 tot 60 m.M. Overwintert als

vlinder. Wordt soms op peren wel eens schadelijk.

No 115. Dagpauwoog. (Vanessa Io). De rups en pop zijn afgebeeld op

Plaat II No 15. De vlinder is paarsachtig roodbruin; op elken vleugel

een groote oogvlek, vandaar zijn naam. De onderzijde is geheel

donkerbruin, zwart gewaterd. Hij vliegt vooral in Augustus en

September; in tuinen zit hij dan, evenals alle Vanessa’s, gaarne op

dahlia’s, zonnebloemen en andere composieten. Vlucht 52 tot 60 m.M. Hij

overwintert als vlinder en komt weer vroeg voor den dag in het

voorjaar. Op heldere dagen vliegt hij al in Februari en Maart.

No 116. Koningsmantel. (Vanessa antiopa). Dit is een heel prachtige

vlinder; zijn naam wijst er op. De bovenzijde is koffie- of kersbruin

met gelen rand, en daarvoor paarse vlekken. De onderzijde is nog

zwarter dan bij Vanessa Io, met een meer witten rand tegenover den

gelen van de bovenzijde. Vlucht 58 tot 71 m.M. Hij vliegt in Augustus

en September, overwintert en komt in ’t voorjaar weer voor den dag en

legt eieren op wilgen, berken en populieren. De rups is zwart met roode

rugvlekken en witte haartjes. Vliegt wel overal en is toch zeldzaam.

No 117. Nummervlinder. (Vanessa (Pyrameis) atalanta). Deze vlinder is

een mooie verschijning op de bloemen. Van boven is hij zwart met een

helrooden schuinen band over de voorvleugels; zoo’n band zien we ook

aan den rand van de achtervleugels. Witte vlekken aan de bovenpunt der

voorvleugels. De onderzijde der achtervleugels is zeer woelig

geteekend; men ziet er het getal 18, 98 of 89 op. Hieraan dankt hij

zijn naam; hij heet ook wel schoenlapper of admiraal. Vlucht 52 tot 56

m.M. Hij vliegt in Augustus en September, overwintert, en komt in ’t

voorjaar weer voor den dag. De rups leeft op brandnetel, is evenwel

niet gemakkelijk te zien, want zij zit in saamgesponnen bladeren. Maar

heeft men er eenmaal een paar gevonden, dan herkent men de

rupsenverblijven gauw. Soms zitten er in de samengesponnen bladeren

spinnen of bladrollers. De poppen zijn met goud afgezet. Als het een

mooi najaar is vliegen de vlinders tot in ’t laatst van October, ja tot

in November. Het zijn prachtige rupsen om op te kweeken. Zij komen

overal voor.

No 118. Groote Weerschijnvlinder. (Apatura iris). Eveneens een

prachtige, groote vlinder met een vlucht van 64 tot 75 m.M. Van boven

bruinzwart, bij het mannetje met helder blauwen weerschijn. Op de

voorvleugels witte vlekken en op de achtervleugels een witten band. De

rups is groen met witte puntjes en gele lijnen en leeft op waterwilg.

De vlinder vliegt in Juli en wordt in het oosten en zuiden van ons land

waargenomen.

No 119. Het Goudvlindertje. Mannetje en wijfje. (Chrysophanus

(Polyommatus) virgaureae). Bij deze kleine vlindertjes,—de vlucht is

van 31 tot 33 m.M.—die ook wel vuurvlindertjes heeten, nemen wij een

zeer duidelijk dimorphisme in de vleugels waar. De bovenzijde van de

vleugels van het mannetje is roodachtig goud zonder weerschijn, bij het

wijfje goudgeel met 2 rijen zwarte vlekken op de voor- en 3 rijen op de

achtervleugels. De rups is groen met gele rug- en zijlijn; kop zwart.

Zij leeft op zuring en komt vooral op droge gronden voor. Het

vlindertje vliegt in Juli en Augustus.

No 120. Het Blauwtje. Mannetje en wijfje. (Lycaena icarus). Ook bij

deze vlindertjes zien wij een duidelijk dimorphisme. Het mannetje is

boven geheel licht paarsachtig hemelsblauw en het wijfje is donker

zwartbruin. De onderzijde van de vleugels van het mannetje is

lichtgrijs, bij het wijfje meer donker en bruinachtig grijs met vele

vlekken. Vlucht 27 tot 32 m.M.; 2 of 3 generaties per jaar. Op heide,

bloemrijke weiden. De rups leeft op vlinderbloemigen en is dofgroen.

Deze vlindertjes zijn een aangename verschijning en laten zich

gemakkelijk uit rupsen opkweeken. Dan leert men tegelijk de aardige

poppen kennen.

Nederlandsche Insecten · 第 57 / 72 题