Aan dit deel van het lichaam zijn de pooten en de vleugels bevestigd,
waarmede het dier zich verplaatsen kan; ’t is dus een belangrijk
lichaamsdeel.
De pooten zijn goed ontwikkeld; toch worden zij in ’t algemeen niet
zooveel gebruikt als bij de kevers. Bij de vanessa’s,
paarlemoervlinders en zandoogjes zijn de voorste pooten vervormd tot
poets-pooten; ze zijn sterk behaard. De poetspooten zijn verkort en
zonder klauwtjes. Het zullen dus reinigingsorganen zijn geworden.
De vleugels. Wie een ernstige vlinderstudie wil maken, komt telkens op
de vleugels terug. Groote verschillen worden waargenomen in het verloop
der aderen. Ons kort bestek laat niet toe daarop in te gaan. De
vleugels zijn beschubd; een schub is een vervormde, platte haar,
afgescheiden door één cel. De vleugels zijn doode aanhangsels, er zit
geen leven in. Al wordt een vleugel dus beschadigd, doet dit het dier
geen leed. Aan het ondereinde zitten spieren, waardoor de vleugels in
actie kunnen worden gebracht. Bij vele nachtvlinders komt een
vleugelhaakje voor aan den wortel van de achtervleugels. Bij de
mannetjes bestaat dit haakje uit eenige verkleefde haren; bij ’t wijfje
zijn het meer losse haren. ’t Eerste verband is steviger; daarom zijn
de mannetjes beter vliegers. Bij de dagvlinders komen geen
vleugelhaakjes voor. Daarom zijn de dagvlinders slechte vliegers, zij
„fladderen” meer. De pijlstaartvlinders daarentegen „snorren” ’s avonds
met kracht door de lucht. Teekenend voor de vlinders in de
vleugelhouding. In rust hebben de dagvlinders de vleugels opgericht met
het bovenvlak naar binnen; men ziet dan alleen de ondervlakte, die
anders van teekening is, in ieder geval veel minder opvallend, dus meer
beschuttend tegen vijanden. Als een Atalanta tegen den stam van een
wilg rust, is hij alleen door een geoefend oog waar te nemen. Spanners
houden de vleugels altijd uitgespreid en vlak. Bij de meeste andere
vlinders liggen de voorvleugels dicht aan ’t achterlijf aangesloten en
bedekken de achtervleugels geheel. De vleugelteekening munt uit door
groote verscheidenheid, óók in kleur. Men treft allerlei lijnen,
strepen, banden, maanvormige en ronde vlekken (z.g. oogen), enz., enz.,
aan. Daardoor ontstaat een rijkdom aan kleur en teekening, die wij in
geen enkele andere insectengroep aantreffen.
3. Het achterlijf. Ook hierin is veel variatie; het is dicht bedekt met
haren en schubben. Dat het achterlijf uit ringen of segmenten bestaat
is goed te zien. Bij het opzetten van vlinders met een zwaar achterlijf
dient men te zorgen, dat dit niet doorzakt.
Leefwijze.
De voeding hebben wij reeds besproken. Sommige vlinders, die maar
enkele dagen leven, eten niets; hun monddeelen zijn geheel
teruggeloopen, ze hebben ze ook niet meer noodig.
Vliegtijd.
Het is belangrijk hierop eens te letten. Wie vlinders verzamelen wil
moet trouwens den vliegtijd kennen om ze te kunnen verschalken. Overdag
vliegen de dagvlinders, de sesia’s, enkele uilen en kleine motjes. Die
houden dus van de zon. Gaat de zon weg, dan komen veel kleine motjes of
uiltjes. Is het schemer, dan komen de pijlstaarten; iedere soort komt
op een bepaald uur; ’t is of ze een horloge op zak hebben, zoo geregeld
gaat alles in de natuur. De lindepijlstaart vliegt tusschen 9 uur en
half tien, de populierenpijlstaart komt een uurtje later. Wordt het
nacht, dan komen de uilen, spanners en spinners. Wordt het nu weer wat
lichter, dan krijgen we dezelfde volgorde, doch nu in tegenovergestelde
richting. De vlinderwereld is dus den geheelen dag en nacht in actie;
telkens verschijnen andere groepen, maar de menschen zien de meeste
niet. Het is een interessant stuk dierenleven, dat zich ’s avonds en ’s
nachts afspeelt, ook bij andere diergroepen dan de insecten.
Levensduur.
Sommige vlinders leven maar kort, één of twee dagen; andere leven maar
enkele uren. Als het eierleggen is afgeloopen gaan ze heen.
Pijlstaarten en eenige uilen leven maar een paar weken. Kleine motjes
en uiltjes leven soms maanden. De Vanessa’s en de Citroentjes
overwinteren als vlinder; die leven dus van Augustus en September tot
April en Mei. Dat is een zeer lange tijd, waarin ze geen voedsel
gebruiken.
Generaties.
Van veel vlinders komt maar één generatie per jaar voor, b.v.
pijlstaarten, ringelrups. Van andere 2, soms 3 generaties, b.v. het
koolwitje.
Verspreiding der vlinders.
De verspreiding der vlinders hangt samen met de aanwezigheid van
voedselplanten voor de rupsen en met het klimaat. Hoe warmer het
klimaat, hoe meer vlinders. Omdat in ’t oosten en ’t zuiden van ons
land gewoonlijk meer warmte heerscht dan in ’t noorden en westen
(zeeklimaat), vinden wij aan de oost- en zuidgrens vaak vlinders, die
men elders bij ons tevergeefs zoekt. B. v. de koninginnepage, die in ’t
westen zelden, maar in ’t oosten veel voorkomt; en zoo zijn er meer.