2. Het borststuk.

Aan dit deel van het lichaam zijn de pooten en de vleugels bevestigd,

waarmede het dier zich verplaatsen kan; ’t is dus een belangrijk

lichaamsdeel.

De pooten zijn goed ontwikkeld; toch worden zij in ’t algemeen niet

zooveel gebruikt als bij de kevers. Bij de vanessa’s,

paarlemoervlinders en zandoogjes zijn de voorste pooten vervormd tot

poets-pooten; ze zijn sterk behaard. De poetspooten zijn verkort en

zonder klauwtjes. Het zullen dus reinigingsorganen zijn geworden.

De vleugels. Wie een ernstige vlinderstudie wil maken, komt telkens op

de vleugels terug. Groote verschillen worden waargenomen in het verloop

der aderen. Ons kort bestek laat niet toe daarop in te gaan. De

vleugels zijn beschubd; een schub is een vervormde, platte haar,

afgescheiden door één cel. De vleugels zijn doode aanhangsels, er zit

geen leven in. Al wordt een vleugel dus beschadigd, doet dit het dier

geen leed. Aan het ondereinde zitten spieren, waardoor de vleugels in

actie kunnen worden gebracht. Bij vele nachtvlinders komt een

vleugelhaakje voor aan den wortel van de achtervleugels. Bij de

mannetjes bestaat dit haakje uit eenige verkleefde haren; bij ’t wijfje

zijn het meer losse haren. ’t Eerste verband is steviger; daarom zijn

de mannetjes beter vliegers. Bij de dagvlinders komen geen

vleugelhaakjes voor. Daarom zijn de dagvlinders slechte vliegers, zij

„fladderen” meer. De pijlstaartvlinders daarentegen „snorren” ’s avonds

met kracht door de lucht. Teekenend voor de vlinders in de

vleugelhouding. In rust hebben de dagvlinders de vleugels opgericht met

het bovenvlak naar binnen; men ziet dan alleen de ondervlakte, die

anders van teekening is, in ieder geval veel minder opvallend, dus meer

beschuttend tegen vijanden. Als een Atalanta tegen den stam van een

wilg rust, is hij alleen door een geoefend oog waar te nemen. Spanners

houden de vleugels altijd uitgespreid en vlak. Bij de meeste andere

vlinders liggen de voorvleugels dicht aan ’t achterlijf aangesloten en

bedekken de achtervleugels geheel. De vleugelteekening munt uit door

groote verscheidenheid, óók in kleur. Men treft allerlei lijnen,

strepen, banden, maanvormige en ronde vlekken (z.g. oogen), enz., enz.,

aan. Daardoor ontstaat een rijkdom aan kleur en teekening, die wij in

geen enkele andere insectengroep aantreffen.

3. Het achterlijf. Ook hierin is veel variatie; het is dicht bedekt met

haren en schubben. Dat het achterlijf uit ringen of segmenten bestaat

is goed te zien. Bij het opzetten van vlinders met een zwaar achterlijf

dient men te zorgen, dat dit niet doorzakt.

Leefwijze.

De voeding hebben wij reeds besproken. Sommige vlinders, die maar

enkele dagen leven, eten niets; hun monddeelen zijn geheel

teruggeloopen, ze hebben ze ook niet meer noodig.

Vliegtijd.

Het is belangrijk hierop eens te letten. Wie vlinders verzamelen wil

moet trouwens den vliegtijd kennen om ze te kunnen verschalken. Overdag

vliegen de dagvlinders, de sesia’s, enkele uilen en kleine motjes. Die

houden dus van de zon. Gaat de zon weg, dan komen veel kleine motjes of

uiltjes. Is het schemer, dan komen de pijlstaarten; iedere soort komt

op een bepaald uur; ’t is of ze een horloge op zak hebben, zoo geregeld

gaat alles in de natuur. De lindepijlstaart vliegt tusschen 9 uur en

half tien, de populierenpijlstaart komt een uurtje later. Wordt het

nacht, dan komen de uilen, spanners en spinners. Wordt het nu weer wat

lichter, dan krijgen we dezelfde volgorde, doch nu in tegenovergestelde

richting. De vlinderwereld is dus den geheelen dag en nacht in actie;

telkens verschijnen andere groepen, maar de menschen zien de meeste

niet. Het is een interessant stuk dierenleven, dat zich ’s avonds en ’s

nachts afspeelt, ook bij andere diergroepen dan de insecten.

Levensduur.

Sommige vlinders leven maar kort, één of twee dagen; andere leven maar

enkele uren. Als het eierleggen is afgeloopen gaan ze heen.

Pijlstaarten en eenige uilen leven maar een paar weken. Kleine motjes

en uiltjes leven soms maanden. De Vanessa’s en de Citroentjes

overwinteren als vlinder; die leven dus van Augustus en September tot

April en Mei. Dat is een zeer lange tijd, waarin ze geen voedsel

gebruiken.

Generaties.

Van veel vlinders komt maar één generatie per jaar voor, b.v.

pijlstaarten, ringelrups. Van andere 2, soms 3 generaties, b.v. het

koolwitje.

Verspreiding der vlinders.

De verspreiding der vlinders hangt samen met de aanwezigheid van

voedselplanten voor de rupsen en met het klimaat. Hoe warmer het

klimaat, hoe meer vlinders. Omdat in ’t oosten en ’t zuiden van ons

land gewoonlijk meer warmte heerscht dan in ’t noorden en westen

(zeeklimaat), vinden wij aan de oost- en zuidgrens vaak vlinders, die

men elders bij ons tevergeefs zoekt. B. v. de koninginnepage, die in ’t

westen zelden, maar in ’t oosten veel voorkomt; en zoo zijn er meer.

Nederlandsche Insecten · 第 54 / 72 题