No 97. Rugzwemmer, Bootsmannetje. (Notonecta glaucus). Het
bootsmannetje zwemt zeer goed en meestal op den rug. Dit staat in
verband met zijn voeding, want het leeft van insecten, die op het water
vallen. Ligt hij nu op den rug, dan kan hij het terrein goed overzien
en snelt direct weg als er wat voor hem te halen is. In het voorjaar
legt het wijfje de eieren aan waterplanten of op den bodem. De larven
zijn ook al echte roovers, zwerven den heelen dag in het water rond en
toch groeien zij niet hard. In ’t najaar zijn ze volwassen. Het
bootsmannetje roeit snel met de achterpooten en bemachtigt zijn prooi
met de voorpooten. Dan zwemt hij er mede weg en verwerkt het verder met
zijn krachtigen snavel.
Droogt ’s zomers de sloot op, waarin hij leeft, dan zoekt hij vliegend
een ander water. Houdt men hem in een aquarium, dan moet men dit
bedekken. Door vliegen op ’t water te werpen kan men hem voeden. Men
onthoude, dat hij ook den mensch gevoelig steken kan. Het diertje
overwintert in den modder. Het is langwerpig, van boven bol, van onder
vlak; dus precies een bootje; kleur bruingeel. Lengte 14 tot 15 m.M.
No 98. Duikerwants. (Corixa geoffroyi). Dit is ook een heel gewone
wants, 13 m.M. lang. Het lichaam is van boven en onder zwak gewelfd.
Van boven donker, groenachtig zwartbruin, sterk glimmend, van onder
bruingeel. Hij komt overal voor. Hij voedt zich voornamelijk met larven
van steekmuggen en andere dieren.
No 99. Schuimbeestje. (Philaenus spumarius). Wanneer wij ’s zomers
buiten loopen, zien wij vaak aan verschillende planten „speeksel”
zitten; ’t is of iemand er tegen gespuwd heeft. Bij nader onderzoek
blijkt, dat in dat speeksel—men noemt het koekoekspog—een klein beestje
zit. Dat beestje is de larve van het schuimbeestje. Het speeksel komt
niet uit den mond, doch uit klieren aan het achterlijf; door het
inpersen van lucht ontstaat dan het schuimachtig voorkomen. Vroeger
meende men dat het schuim uit vloeibare uitwerpselen bestond. Het
schuim schijnt voor het dier een beschutting te zijn. Na de laatste
vervelling verlaat het dier zijn schuimverblijf en vliegt rond. Het
legt eieren op de schors van boomen, waar die overwinteren. In ’t
voorjaar komen de larven daaruit. Het diertje is 5 tot 6 m.M. lang en
zeer algemeen. Hoewel het op verschillende cultuurplanten voorkomt,
doet het toch feitelijk nooit schade. Het is dus van geen economische
beteekenis.
Plantluizen. Bladluizen.
Nu komen wij aan een groep insecten, die van het grootste belang zijn
voor ieder; voor den land-, tuin- en boschbouwer en ook voor den
particulier, die wel eens bloemen of groenten kweekt. Bladluizen en
schildluizen komen overal voor. En wanneer wij in het voorjaar onze
planten bekijken, en zien hoe de bladluizen al aanwezig zijn, dan
vragen wij ons af: Waar komen de bladluizen in het voorjaar vandaan? Om
die vraag te kunnen beantwoorden, zullen wij in ’t kort en zeer in ’t
algemeen iets uit de biologie of levensleer van de bladluizen
vertellen. Wij zullen dat doen zeer in ’t algemeen, want er zijn
zooveel bijzonderheden van te vertellen, dat wij daarmede alleen wel
verschillende albums kunnen vullen. In 1885 waren er in Europa al 700
soorten bladluizen bekend en nu kennen wij er al over de 1000. Op den
populier leven 36, op den eik 30 soorten bladluizen. Het krioelt overal
van bladluizen. De ontwikkeling gaat aldus:
In den winter kunnen wij vinden wintereieren. Uit die wintereieren
komen in het voorjaar ongevleugelde wijfjes en die worden nu de
moeders, de stichtsters van de groote luizenkolonies; daarom noemt men
ze fundatrices. Zoo’n fundatrix brengt levende jongen voort, die in ’t
bezit zijn van vleugels; deze gevleugelde bladluizen zijn ook weer
allen wijfjes. Zij vliegen weg naar andere planten, ze gaan verhuizen,
en daarom noemt men ze migrantes, verhuizers. Deze migrantes ziet men
in April en Mei door de lucht vliegen. Zijn ze op de geschikte plant
beland, dan brengen deze gevleugelde bladluizen jongen voort, die
evenwel ongevleugeld zijn; bovendien zijn het allen weer wijfjes. Deze
ongevleugelde wijfjes, brengen op hun beurt weer andere ongevleugelde
wijfjes voort en zoo gaat dat in den zomer maar door, 6, 7, 8 en meer
geslachten achtereen; dan zitten de planten vol luis. Tegen den nazomer
ontstaan gevleugelde wijfjes, die weer terugvliegen naar de plant, waar
de fundatrix werd geboren. Deze terugvliegers noemt men remigrantes.
Zijn ze daar aangekomen, dan brengen ze op haar beurt jongen voort en
nu komen er voor het eerst mannetjes bij. Vervolgens leggen de wijfjes
eieren; die eitjes zijn de wintereieren, waaruit in ’t voorjaar weer de
fundatrices komen. Laten wij het nu nog eens in volgorde opschrijven,
1. een winterei; hieruit komt
2. een fundatrix, een ongevleugeld wijfje; dit brengt voort:
3. gevleugelde wijfjes, migrantes, die wegvliegen en op andere
planten gaan voortbrengen:
4. ongevleugelde wijfjes, die in eenige geslachten achtereen niet
anders doen dan ook ongevleugelde wijfjes voortbrengen:
dan komen er
5. gevleugelde wijfjes, die naar de oorspronkelijke plant vliegen
en brengen daar voort:
6. mannetjes en wijfjes; deze laatste gaan eieren leggen en dat
zijn de
7. wintereieren.
Dat is dus een geheele geschiedenis met de bladluizen en het heeft
jaren geduurd voor men er achter was.
Bladluizen, die voor haar ontwikkeling 2 planten noodig hebben, noemt
men 2-huizige bladluizen. Een voorbeeld hiervan is de bladluis, die op
sneeuwballen (Viburnum) leeft. In ’t voorjaar en wat later verhuizen
hiervan veel bladluizen naar de boonen, erwten, papaver, salade,
spinazie, peen, en in den nazomer keeren de gevleugelde wijfjes weer
terug naar de sneeuwballen. Deze bladluis heet Aphis rumicis (papaveris
of evonymi). Gewoonlijk blijven er nog vele exemplaren op de
sneeuwballen achter, zoodat die altijd in de luis zitten.
De meeste bladluizen zijn twee-huizig.
Van sommige bladluizen speelt de heele historie op één plantensoort af,
en dan noemt men ze één-huizig; hiertoe behoort de rozenbladluis, die
op plaatje No 100 is afgebeeld. Van deze bladluizen verhuizen er in ’t
voorjaar ook, maar altijd naar dezelfde soort plant als waarop zij
geboren werden.
Het merkwaardige in de ontwikkeling der bladluizen is dus dit, dat
alleen in het najaar mannetjes en wijfjes optreden en dat verder
uitsluitend wijfjes worden voortgebracht. Wij hebben deze voortplanting
reeds vroeger genoemd als heterogonie of cyclische voortplanting. Uit
het bovenstaande volgt, dat men de bladluizen al vroeg in ’t voorjaar
moet bestrijden. De heterogonie van de bladluis is in 1745 ontdekt; dat
gaf toen een heele opschudding in de wetenschappelijke wereld. Hoe
enorm de voortplanting der bladluizen is, moge hieruit blijken, dat als
1 wijfje 30 jongen voortbrengt, het aantal in de 5de generatie al is
aangegroeid tot ruim 24 millioen. Geen wonder, dat onze rozen ’s zomers
gauw „in de luis zitten”.
De uitwerpselen der bladluizen zijn zoetig; daarom worden zij beschermd
door de mieren, die dat zoet erg lekker vinden; zelfs kweeken zij de
bladluizen daarom. Op boomwortels zetten zij wel bladluizen neer, om
zoo haar „honingkoetjes” dicht bij huis te hebben.
Bladluizen hebben veel vijanden: oorwormen, mijten, de larven van
zweefvliegen, gaasvliegen, lieveheersbeestjes en vooral de kevertjes
zelf ook; dan nog sluipwespen. Ook worden sommige door schimmels
aangetast. Tot bescherming tegen deze vijanden bezitten de bladluizen
geen verweermiddelen. Zij bezitten op het achterlijf evenwel 2
„pijpjes” waardoor een kliervocht naar buiten komt. Met dit vocht
schijnen zij zich in te smeren als verweermiddel. Intusschen schijnen
ook de mieren dit kliervocht wel te lusten; zij brengen door trommeling
met de sprieten de klieren tot productie en nuttigen dan dit vocht.
No 100. Rozen-Bladluis. Ongevleugeld en gevleugeld wijfje.
(Siphonophora rosae). Dit diertje staat erg ongunstig bekend; het heeft
geen enkelen vriend. Met haar snuitje boort zij in de sappige steeltjes
en blaadjes en haalt zoo de sappen er uit, die bestemd waren voor de
rozen en bladeren, om daarvan te groeien. Ze belemmeren dus den groei,
ook voor het volgende jaar, want de geheele plant wordt minder
krachtig. Met haar uitwerpselen maken zij de plant vies en kleverig;
daardoor raken ook de poriën der bladeren dicht en blijft er allerlei
vuil op hangen. ’t Is alles misère, dat de bladluizen ons bieden. Hoe
kunnen wij ze nu bestrijden?
1. In het voorjaar, als wij de rozen snoeien, moeten wij alle
afgesneden takjes verbranden, omdat daarop de wintereieren zitten.
2. Zijn we wat verder en zijn de rozen al aardig aan het uitloopen,
dan bespuit men ze iedere week met de volgende oplossing: 10 L.
water, 1 ons zachte zeep en 1 maatje brandspiritus. Goed door
elkaar schudden. Het kost haast niets en het helpt prachtig. Houdt
men deze bespuiting vol, dan blijft men zonder luis.
In den handel zijn vele middelen, die onder allerlei vreemde namen
worden aangeboden, maar die zijn alle veel te duur. Zelfs een
geregelde bespuiting met koud water helpt vaak al voldoende.
3. De luizen met een veer afborstelen en opvangen op een vochtig
bord.
4. Vang zooveel mogelijk O. L. Heersbeestjes en zet die tusschen de
rozen; ze zullen de bladluizen wel inrekenen. In Augustus en
September zijn er velen te vangen; zet ze maar neer, ze helpen ons
het volgende jaar wel.
No 101. Bloedluis. (Schizoneura lanigera). Deze plantenluis is een
groote kwelling voor de vruchtenkweekers, want ze houdt den groei van
de takken tegen en beschadigt die, waardoor de boomkanker intreedt. Men
noemt het dier bloedluis, omdat men bij stukwrijving een bruinen
smeerboel krijgt. Men spreekt ook wel van wolluis, omdat het dier
omhuld is door een wollige wasmassa. Wanneer men op een appelboom wat
wit wolligs ziet, is dat de bloedluis. Zitten de jonge scheuten erg
vol, dan moet men die afknippen en verbranden. De bloedluis overwintert
aan de stammen en takken en ook aan de wortels. In deze periode is ze
nog het best te bestrijden, omdat men dan goed kan zien, waar ze zit.
Men neemt een niet te dikke schilderskwast, waarvan men de haren voor
een derde deel afknipt; wat overblijft is dan wat stijver. Nu doopt men
deze kwast in petroleum of brandspiritus en drukt daarna stevig op de
met luis bezette plaatsen. Voor een deel doorpriemt men de luizen en
voor een ander deel sterven ze door de petroleum en de spiritus. Als
men er geregeld de hand aan houdt, wordt men de bloedluis wel meester.
Omdat de gevleugelde luizen ook overvliegen, moet men altijd op zijn
hoede zijn.
No 102. Komma-Schildluis. (Mytilaspis pomorum). Een schildluis is een
plantenluis, die leeft onder een schildje of plaatje van was, dat ze
zelf vervaardigd heeft. Zij zuigt aan de planten en beschadigt deze op
dezelfde wijze als de bladluizen dat doen. In plaats van schildluizen
noemt men ze ook wel dopluizen. Zij planten zich voort door eieren; de
moeder bedekt die met haar lichaam tot de jongen uitkomen. Ook op
kamerplanten treft men wel schildluizen aan, b.v. op palmen. De
komma-schildluis, die ook wel de mosselvormige schildluis heet,—het
schildje lijkt wat op een mossel of komma—komt op allerlei planten,
boomen en heesters voor. Om haar te bestrijden reinigt men de stammen
en takken in den winter met een 10% oplossing van z.g. oplosbaar
carbolineum. De dunnere takken worden met deze oplossing bespoten.
Luizen op mensch en dier.
Deze dieren behooren tot de blijvende parasieten, die hun geheele
ontwikkeling op het woondier of op den mensch doormaken. Ze komen
alleen voor op zoogdieren en voeden zich met het bloed. Daartoe steken
ze haar snuit in de huid en brengen tegelijk een weinig vocht daarin,
om het bloed rijkelijk te doen toevloeien. De diertjes zijn maar zeer
klein, en de mannetjes zijn nog iets kleiner dan de wijfjes. Ze
ondergaan geen gedaanteverwisseling, zoodat we aantreffen kleine en
groote luizen van denzelfden vorm. De eieren worden gelegd aan de haren
van het woondier; men noemt die eieren neeten. Binnen één maand zijn de
luizen volwassen. Doordat de luizen van den eenen mensch op den anderen
overgaan, kunnen zij allerlei huidziekten overbrengen; ook inwendige
ziekten, omdat zij met het bloed der menschen in aanraking komen.
Onder het volk heerscht de meening, dat luizen zoo maar uit niets
kunnen ontstaan; dat is onjuist. Elke luis komt uit een ei, dat door
een volwassen luis is gelegd. Verder loopt onder het volk het
verhaaltje nog rond, dat ieder mensch een „luizenbos” bij zich heeft,
welke bos, ’t zij bij ’t leven, ’t zij bij den dood van den mensch,
losbreekt en zich over het lichaam verspreidt. Ook dit is onwaar.
Alleen menschen, die zich niet reinigen, komen in de luis. En waar die
luizen vandaan komen? Men doet ze op in openbare gebouwen, in trams, in
treinen, en op allerlei plaatsen waar ook minder zindelijke menschen
komen. Op school doet het eene kind ze van het andere op. Arme
menschen, landloopers, die zich weinig reinigen en hun kleeren niet
laten wasschen, zijn de kweekers en verspreiders van luizen.
Luizen komen ook voor op ratten, honden, konijnen, runderen, paarden,
enz.; dat zijn alle verschillende soorten.
No 103. Hoofdluis. (Pediculus capitis). De sprieten bestaan uit 5
leden, en het achterlijf heeft 7 of 8 duidelijke ringen. De wijfjes
zijn hoogstens 2,7 m.M. en de mannetjes hoogstens 1,8 m.M. lang. Dit
dier komt meer bij kinderen voor dan bij volwassenen. Geregeld de
hoofdjes der kinderen goed reinigen, iedere week, is het beste middel.
Zijn er diertjes waargenomen, dan doopt men de fijne kam eerst in
azijn, voor men er mede door de haren gaat. In den handel is een z.g.
„hoofd-eau de cologne”, die ook uitstekend werkt; niet als
voorbehoedmiddel, maar als bestrijdingsmiddel.
Is de huid van het kinderhoofdje ontstoken, dan moet men dubbel acht
geven, omdat de parasieten in het ontstoken gedeelte gaan huizen, en
daar hevige jeuk veroorzaken. Reinheid, reinheid; bij ontsteking den
dokter raadplegen, en voor schoolgaande kinderen: korte haren.
No 104. Kleerluis. (Pediculus vestimenti). Deze parasiet is grooter dan
de vorige. Het wijfje wordt tot 3,3 m.M. en het mannetje tot 3 m.M. Het
dier huist in de wollen onderkleeren en voedt zich met het bloed van
den mensch. Het kan op de menschelijke huid allerlei gezwellen en
ontstekingen veroorzaken. Vroeger, toen de reinheid onder de menschen
veel te wenschen over liet, veroorzaakte zij de z.g. „luisziekte”. Ze
komt alleen voor bij menschen, die niet geregeld van ondergoed
verwisselen. Daarom wordt van landloopers en andere menschen, die zeer
vervuild zijn, al het boven- en ondergoed verbrand als zij in een
ziekenhuis worden opgenomen. Zelf ondergaan ze een hygiënisch bad om de
parasieten, die op de huid zitten, te dooden of te verwijderen. Ook de
kleerluis is een overbrengster van besmettelijke ziekten.
Netvleugeligen.
Deze groep, die een 50-tal inlandsche soorten telt, is de 12de Orde der
insecten. Zij ontleent haar naam aan de 4 gelijkvormige, vliezige,
naakte vleugels, die netvormig geaderd zijn; de voorste vleugels zijn
gewoonlijk iets grooter. Intusschen zijn het geen beste vliegers.
De gedaanteverwisseling is volkomen; de monddeelen zijn bijtend en de
sprieten lang; geen staartdraden. De larven leven meestal op het land,
enkele in ’t water, ze vervaardigen geen woningen.
No 105. Mierenleeuw. (Myrmeleon formicales). Over de larve hebben wij
uitvoerig verteld bij No 5 Plaat I. Van de imago, die er zoo geheel
anders uitziet als de larve, valt alleen te vertellen, dat het een
nachtdier is en weinig gevangen wordt. Het komt wel eens op ’t licht
af. ’t Lichaam is grauwzwart; de vlucht 60 tot 70 m.M.
No 106. Gaasvlieg. (Chrysopa vulgaris). Dit is een mooi diertje; oogen
goudglanzig met groene aderen in de vleugels. De eieren zijn lang
gesteeld. De larven zijn hoogst nuttig, want zij bezitten zuigkaken,
waarmede zij bladluizen uitzuigen. Daarom noemt men deze larven ook wel
„bladluisleeuwen”. Deze gaasvlieg is zeer algemeen.
No 107. Watergaasvlieg. (Sialis lutaria). Deze gaasvlieg, die evenals
de vorige geen eigenlijke vlieg is, want die heeft maar 2 vleugels, kan
men van April tot Juni veel langs de waterkanten vinden. Ze zitten dan
meestal op de oeverplanten, want het zijn slechte vliegers. Het geheele
lichaam is donker bruinzwart; ’t dier is 10 tot 15 m.M. lang en heeft
een vlucht van 24 tot 36 m.M. Op de bladeren der oeverplanten worden de
eieren gelegd. De larve gaat te water en leeft op den bodem, waar zij
haar prooi bemachtigt. Is ze volwassen, dan komt de larve op het land
en gaat daar verpoppen.
Kokerjuffers of Schietmotten.
Dit is de 14de Orde der insecten en in ons waterrijk land komen niet
minder dan 115 soorten voor. De geheele groep schijnt een voorlooper
van de vlinders te zijn. De vleugels zijn bezet met breede haren, die
naar schubben wijzen. De gedaanteverwisseling is volkomen; monddeelen
meestal bijtend; zeer lange, dunne sprieten. De vier vliezige vleugels
met haarschubben; de voorste vleugels iets steviger, de achterste iets
breeder en gedeeltelijk plooibaar. De larven leven in ’t water en maken
voor het meerendeel een woning, een kokertje. In deze woning brengen ze
ook den poptoestand door.
Men zou de schietmotten kunnen verwarren met vlinders; ziehier de
verschillen. De schietmotten hebben geen roltong, doch kaken met groote
tasters; de voorvleugels steviger dan de achtervleugels en minder
doorschijnend. Ze bezitten lange pooten, een slanke gedaante en
sprieten, die in rust recht vooruit worden gestoken.
De eieren worden gelegd aan waterplanten of in het water.
De larven zijn zeer eigenaardige dieren, die in de bekende huisjes
leven. Is de larve volwassen, dan maakt zij haar huisje dicht met 2
zeefplaatjes of met een sleufvormige opening. Dan verpopt ze in ’t
huisje. Voor de pop evenwel een imago is, komt ze al uit haar huisje;
met haar scherpe kaken bijt zij het huisje open. Dan zwemt de pop vrij
rond, door middel van haar middenpooten, die aan de scheenen en tarsen
voorzien zijn van haren. De pop zoekt vervolgens een steunpunt en de
imago komt voor den dag. De ontwikkeling duurt meestal 1 jaar; de
overwintering geschiedt als larve. Als groote bijzonderheid kan worden
vermeld, dat in enkele larven sluipwespen zijn gevonden.
No 108. Geruite Kokerjuffer. (Limnophilus rhombicus). Men kan de
kokerlarven in allerlei wateren op den bodem vinden. Sommige huisjes
zijn typisch bekleed met schelpjes, stukjes hout, enz. De kokerjuffer
zelf is zeer algemeen. Op haar voorvleugels heeft ze 2 ruitvormige,
heldere vlekken; de vlucht bedraagt 31–42 m.M. Van Mei tot September te
vangen.