SPRINKHANEN. KNAGERS. WANTSEN.

Sprinkhanen.

Bij de beschrijving van Plaat VII hebben wij de sprinkhanen in drie

groepen ingedeeld, de Acrididen of gewone sprinkhanen, de Locustiden of

sabelsprinkhanen en de Grylliden of krekels. No 85 en 86

vertegenwoordigen de eerste groep, No 87 de tweede en No 88, 89 en 90

de derde groep.

De gewone sprinkhanen of Acrididen.

De sprieten zijn kort, draadvormig. De tarsen zijn drieledig. Het

gehoororgaan zit aan de basis van het achterlijf. Waar een gehoororgaan

is, moeten ook geluidsorganen zijn. Het geluid wordt voortgebracht door

de mannetjes. Zij bezitten een rasp (een reeks tanden) aan de dikke dij

van den achterpoot, die gewreven wordt tegen de aderen van den

voorvleugel. De wijfjes bezitten voor het eierleggen maar een zeer

korte legboor; eigenlijk mag het geen legboor heeten, zoo kort is ze.

De meeste soorten leven in zand, heide, veen, duinen; het zijn

dagdieren en ze houden veel van zon. Hiertoe behooren ook de

buitenlandsche sprinkhanen. Het zijn planteneters; ze lusten graag

graanplanten.

No 85. Gestreepte Grashupper. (Stenobothrus lineatus). Deze soort

behoort tot de kleine sprinkhanen, die overal voor ons uitspringen, als

we op de heide loopen. Er zijn een vijftal soorten van bekend. Het

achterlijf is groen, aan het einde rood bij het mannetje en geel bij

het wijfje. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de eersten zijn

19, de laatsten 22–24 m.M. lang. De kleur is niet steeds standvastig.

No 86. Europeesche Treksprinkhanen. (Pachytylus migratorius). Deze

sprinkhaan komt van tijd tot tijd bij ons voor, maar veel meer in het

oosten en zuidoosten van Europa. Intusschen komt hij ook voor in

Duitschland, Frankrijk en zelfs in Engeland. Om dit land te bereiken

moeten ze het Kanaal overtrekken. Het zijn dan ook goede vliegers; ze

bezitten „luchtzakken” aan de tracheeën, evenals de meikevers. Dat

volpompen der luchtzakken door de meikevers noemen de jongens

„geldtellen”. Deze sprinkhanen laten zich door den wind dragen. Zoo’n

sprinkhanentrek heeft dan plaats in Juni en Juli. Ook bij deze

sprinkhanen is het mannetje kleiner dan het wijfje; de eerste wordt tot

48 m.M., de tweede tot 55 m.M. lang. Een andere soort Europeesche

treksprinkhaan is de Pachytylus cinerascens; ook deze komt in ons land

voor en veroorzaakt soms beduidende schade; het mannetje wordt tot 36

m.M., en het wijfje tot 60 m.M. lang. Een grasveld, dat door jonge

larven is aangetast, kan men rollen of bespuiten met een oplossing van

500 L. water, 5 K.G. versch gebluschte kalk en 1 K.G. Parijsch groen.

Sabelsprinkhanen of Locustiden.

Deze groep sprinkhanen heeft lange sprieten, die haarvormig zijn en

meer dan 30 leden tellen. De tarsen zijn 4-ledig. Het gehoororgaan zit

aan de scheen van den voorpoot. Geluid wordt voortgebracht door de

vleugels. De linkervleugel bezit een verheven ader (rasp) aan de

onderzijde; de rechtervleugel een verheven lijst aan de bovenzijde.

Bovendien bezitten zij nog een resoneerapparaat, waardoor het geluid

versterkt wordt. Ook hier zijn de mannetjes de „levenmakers”. Deze

groep is verder gekenmerkt door het bezit van een groote legboor, een

„sabel”, waaraan de groep haar naam heeft te danken.

Een legboor moet niet verward worden met een legbuis. Een legbuis is

een telescopische buis aan het einde van het achterlijf; de ringen van

zoo’n buis komen alleen voor den dag bij het eierleggen, anders zijn ze

ingetrokken. Een legbuis vinden we bij veel vlinders en goudwespen.

Een legboor is een afzonderlijk orgaan, uit aanhangsels van het

achterlijf gevormd; aan de basis van de legboor ligt de opening,

waaruit de eieren komen. Bij de bijen, wespen en sommige mieren is de

legboor veranderd in een angel, die in rust is ingetrokken.

De Locustiden zitten veel meer op boomen en struiken, dan de gewone

veldsprinkhanen, die meer op de vlakte blijven. Het zijn dan ook beste

klimmers. Sommigen van deze versmaden een vleeschmaaltje ook niet.

Hoewel ze overdag ook wel in functie zijn, zijn ze toch ’s avonds het

drukst; dan zingen ze langer en krachtiger. Sterke achterpooten,

springpooten.

No 87. Groene Sabelsprinkhaan. (Locusta viridissima). Dit is een

prachtig dier, groot 28 tot 35 m.M.; de legboor wordt tot 25 m.M. lang,

en komt natuurlijk alleen bij het wijfje voor. Met die legboor worden

de eieren in den grond gelegd; eenige bij elkaar, tot een soort ruw

kapsel. Die eieren overwinteren en in het voorjaar komen de larven, die

in Juli en Augustus al volwassen zijn. Deze sprinkhanen maken ook jacht

op andere insecten; ze achtervolgen zelfs vlinders, die tegen het gras

komen rusten. Overdag kan men ze ook hooren „sjirpen”; ’s avonds is het

drukker. Men kan deze dieren, die grasgroen zijn, niet zoo gemakkelijk

zien, maar bij eenige oefening lukt het toch wel. Men vindt ze nogal op

wilgen, tusschen hoog gras, in moestuinen en op woeste plekken. Het

zijn aardige dieren in een terrarium; daarin kan men dan ook het

eierleggen zien. De vlucht van ’t dier gaat tot 10 c.M. Economische

beteekenis hebben deze sprinkhanen niet, want ze doen geen schade.

Krekels of Grylliden.

Deze insecten komen, wat de sprieten, de geluid- en gehoororganen

betreft, overeen met de vorige groep. De tarsen zijn evenwel 3-ledig.

No 88. Veldkrekel. (Gryllus campestris). Deze krekel komt niet zoo

algemeen voor als men wel denkt; toch is hij in droge streken lang geen

zeldzaamheid. Hij is zwart; bij ’t wijfje zijn de voorvleugels

grijsbruin, en bij het mannetje donkerbruin; achterdijen van onder

rood, verder zwart. Lengte 19–27 m.M.; de mannetjes iets korter dan de

wijfjes. Legboor 11 tot 14 m.M. Deze krekel is eigenlijk een

holbewoner. Zoodra hij verontrust wordt, schiet hij er weer in. Peutert

men met een grashalm, dan krijgt men hem er wel uit. Op den bodem van

dat holletje worden de eieren gelegd. Hoewel de krekel een vegetariër

is, verslindt hij met gemak een soortgenoot, waarmede hij in gevecht is

geweest.

Reeds in Mei kan men de krekels hooren. Dat zij er reeds zoo vroeg

zijn, komt doordat deze krekels als larven in de holletjes

overwinteren. In Artis heeft men deze krekels wel eens; men kan het

sjirpen dan „zien en hooren”.

No 89. Huiskrekel. (Gryllus domesticus). Deze krekel is lang geen

vriend van den mensch. Het nachtelijk, eentonig, melancholisch gesjirp,

houdt ons uit den slaap. Het beestje heet kriekske, hiempje, heempje,

iem, eimke en iemerke. Het is slanker dan de veldkrekel en stroogeel

van kleur. Lengte 15–21 m.M.; het mannetje weer iets kleiner dan het

wijfje. Het is een huisdiertje, dat uit zuidelijke streken is

ingevoerd; in de vrije natuur komt het bij ons niet voor. Deze krekel

vertoeft gaarne in die deelen van het huis, waar het warm is en hij

genoeg schuilplaatsen vindt om zich overdag te verbergen, dus in

keukens, op boerderijen bij de vuurplaat en in bakkerijen. Het geheele

jaar door is de huiskrekel te vinden, in alle stadiën van ontwikkeling.

Hij komt veel voor in gezelschap van kakkerlakken. Komt er onraad, dan

tippelt hij snel weg. Hij peuzelt aan allerlei voedsel, liefst aan

zoete stoffen. Omdat zijn aanwezigheid voor den mensch grooten last

veroorzaakt, wordt hij vervolgd. Men tracht hem te vangen door zoete

stoffen neer te zetten en daarover arsenicum (vergif) te strooien; ook

gebruikt men wel bier of een suikerhoudend vocht.

No 90. Veenmol. (Gryllotalpa vulgaris). Op Plaat I No 12 is een larve

van den veenmol afgebeeld en een en ander over de ontwikkeling van ei

tot imago gezegd. Ook hij is, evenals de veldkrekel, een „holbewoner”;

’t nest zit in den grond. Het wijfje beschermt de eieren; een soort

idyllische toestand, dien wij zelden bij de insecten aantreffen. ’t Is

jammer, dat het mooie van deze idylle verstoord wordt, doordat de oude

van tijd tot tijd enkele jongen oppeuzelt.

De veenmol heeft krachtige voorpooten, die geheel tot graven zijn

vervormd, net als bij den gewonen mol.

Het dier is 35 tot 50 m.M. lang, en heeft korte voorvleugels en groote,

zeer fraaie waaiervormige achtervleugels, die in rust aan het topeinde

draadvormig zijn ineengerold en benedenwaarts gekromd.

Kleur bruin, aan de onderzijde lichter, aan de bovenzijde meer naar het

zwart; kort, viltig behaard, hier en daar met lange haren.

Het mannetje kan met de voorvleugels een zwak geluid maken.

In ’t geheel worden er een 200 tot 300 eieren gelegd. Op het

onderaardsche hol loopen verschillende gangen uit, juist als bij den

gewonen mol. De veenmol is een alleseter, en ongetwijfeld meer

carnivoor dan vegetariër, en als zoodanig dus nuttig (hij eet ook

slakken), maar in onze moestuinen is hij lastig, ook schadelijk doordat

hij jonge worteltjes eet, en den grond onder de zaaibedden omwoelt,

waardoor de planten verdrogen. Hij dient dus bestreden te worden. Men

zoekt de nesten op; die zijn zoo groot als een vuist en zeer hard. Men

maakt greppels in de bedden en graaft daar bloempotten in; de

veenmollen vallen er bij hun tochten in. Wil men een bed vrij van

veenmollen houden, dan moet men het omgeven met planken, die minstens 1

d. M. in den grond zijn geslagen. Ook zinken platen kan men gebruiken.

Tot de natuurlijke vijanden van den veenmol behooren: spitsmuizen, de

gewone mol, (dat is wel zijn ergste vijand), vossen, varkens, kraaien,

uilen, spreeuwen. De rupsenjagers vallen de larven en imago’s aan en de

kortschildkevers peuzelen de eieren op. De veenmollen zijn zeer

gevoelig voor het weer, zoodat bij ongunstig weer—groote koude, veel

vocht, sterke hitte en droogte—er velen vallen.

De veenmol overwintert; legt men op de aangetaste bedden wat koe- of

paardenmest neer, dan kruipen ze daar gaarne onder en kan men ze

gemakkelijk vangen. Bij ons komt de veenmol voor in Z. Holland langs

den duinkant, in Zeeland aan den westkant, in den Achterhoek van

Gelderland, den oosthoek van Friesland, en in het westen van N.

Brabant.

Knagers.

Dezen naam geven wij aan de 8ste Orde der insecten. Hiertoe worden

gerekend de houtluizen, de vachtluizen en de termieten. De laatste

komen niet in ons land voor en vallen dus buiten onze bespreking.

De knagers zijn insecten met een onvolkomen gedaanteverwisseling; ook

zijn er, die in ’t geheel geen gedaanteverwisseling doorloopen. De

monddeelen zijn bijtend; de vleugels zijn vliezig, vier in aantal; ze

kunnen evenwel rudimentair zijn of geheel ontbreken.

No 91. Boekenluis. (Atropos divinatorius). Dit luisje is een bekend

diertje in onze bibliotheken en in de insectenverzamelingen. Vleugels

hebben ze niet meer; ze kunnen intusschen goed uit de voeten komen. Ze

leven van allerlei dierlijken en plantaardigen afval, ook van

schimmels. Ze behooren dus in de vrije natuur tot de opruimers en zijn

dus nuttig. Jammer is het, dat ze onze kostbare boeken en verzamelingen

ook als „oud vuil” beschouwen en die dus trachten te vernielen. Ook

onze eetwaren trachten ze weg te werken. Veel is er tegen dit kleine

goed niet te doen: veel luchten, de boeken geregeld uitkloppen.

Insectenverzamelingen worden van tijd tot tijd „ontluisd” door

zwavelkoolstof. Naphthaline verdrijft ze. Men moet de boeken- of

stofluisjes niet verwarren met de z. g, levende stof, waarvan soms

duizenden en duizenden exemplaren op onze meubels voorkomen. Deze

kleine diertjes zijn mijten, en bezitten, als ze volwassen zijn 8

pooten; het hout- of boekenluisje heeft er maar 6. Een ander

boekenluisje maakt geluid, door met den kop tegen ’t hout te tikken;

daarom noemen ze dit ook wel „doodskloppertje” net als het kevertje,

afgebeeld op Plaat V No 50. Lengte ongeveer 1 à 1½ m.M.

No 92. Duivenluis. (Lipeurus baculus). Deze luis is een vachtluis of

pelsvreter. Zij leeft, als bijna alle vachtluizen, op vogels; een

enkele soort op zoogdieren. De echte luizen leven wel op zoogdieren. In

ons land komen 59 soorten van pelsvreters voor. Gewoonlijk heeft het

woondier (gastheer) niet veel last van deze parasieten, want zij leven

van den afval van de huid, van de huidschilfers. Is het woondier jong,

of ziek en zwak, dan vermeerdert het aantal luizen zich zeer sterk en

gaan de dieren er wel eens aan dood. Kippen en musschen nemen graag

„zandbaden”; men meent dat ze zich dan ontdoen van de vachtluizen. Met

ditzelfde doel nemen de spreeuwen veel „waterbaden”. Vleugels

ontbreken. De eieren worden aan de veeren vastgekleefd. Van

verschillende soorten heeft men nog nooit de mannetjes waargenomen. Het

beste middel om de duiven vrij van luis te houden is den slag geregeld

te reinigen, uit te zwavelen en daarna met kalk te besmeren. Als men

hieraan de hand houdt, dan voorkomt men veel onheil. Men kan de huid

met wat glycerine bestrijken en er dan wat insectenpoeder tusschen

strooien. Men gebruikt ook wel insectenpoeder-tinctuur of penseelt de

huid met een 3% lysoloplossing.

Wantsen.

De wantsen behooren met de plantluizen en de dierluizen tot de 10de

Orde der insecten, tot de Rhynchota of halfvleugeligen. Deze laatste

naam is lang niet op allen toepasselijk, zoodat het beter is te spreken

van „gesnavelden”. Het is ook het hoofdkenmerk van deze orde, dat deze

dieren in het bezit zijn van een geleden snavel.

No 93. Roofwants. (Reduvius personatus). De naam wijst er weer op, dat

wij hier met een carnivoor te doen hebben. Zij vangen andere insecten

en zuigen die uit. Omdat ze maar langzaam loopen besluipen ze hun

prooi. Het zijn nachtdieren en als zoodanig vallen ze ook de weegluizen

of bedwantsen (No 94) aan, die den mensch last veroorzaken. Behalve

deze insecten, vallen ze nog andere schadelijke insecten in onze

woningen aan, zoodat wij ze in eere moeten houden, Het zijn echte

„insectenverdrijvers”. Intusschen ontzien ze ook den mensch niet; hun

steek is pijnlijk. Deze wants is voor een „huisinsect” tamelijk groot,

15 à 16 m.M. Het dier is bruinzwart, zacht en dicht behaard. Ook de

schilden zijn bruinzwart en behaard. De larve is ook een roover. Zij

weet zich met allerlei vuile stoffen te omhullen, zoodat zij

onherkenbaar is voor haar prooi. Op zolders, waar dikwijls stoffige,

rustige hoeken zijn, treft men deze roofwantsen wel aan.

No 94. Weegluis of Bedwants. (Cimex lectularius). Dit dier is zeker wel

de onaangenaamste gast in onze woningen, speciaal in onze slaapkamers.

Ze is licht bruinrood; ’t lichaam is zeer plat en zonder vleugels. Van

de voorvleugels zijn nog een paar resten over, grof gestippeld. ’t

Achterlijf is breeder dan ’t borststuk. Lengte 5 m.M. Het dier

doorloopt een onvolkomen gedaanteverwisseling. De eieren worden in

allerlei hoeken en naden afgezet.

De wants is een nachtdier. Ze komt ’s nachts te voorschijn en tracht

den mensch dan wat bloed af te tappen. Ze steekt haar snuit in de huid

en tegelijk vloeit er een vocht uit de speekselklieren, waardoor

zwelling en ontsteking volgt. Een snelle inwrijving met azijn stilt de

pijn. De wantsen kunnen maandenlang een hongerkuur ondergaan, wat haar

zeer te pas komt, want niet altijd hebben ze slachtoffers bij de hand.

Ze zijn een internationale plaag, en overal waar ze komen, stellen zij

de menschen in staat van beschuldiging, want alleen bij den minder

reinen mensch worden ze gevonden. Als de slaapkamers iedere week

„gedaan” worden, houdt men de wantsen wel weg. In de moderne woningen

treffen wij ze niet aan; wel in de oude, waar nog bedsteden zijn. In

logementen van „trekkende bedelaars” zijn het stamgasten. Ook in

„landverhuizershotels”. Zulke hotels worden van tijd tot tijd met

blauwzuur gezuiverd.

Betrekt men een oud huis, dan kan men dit voor alle zekerheid, ook op

deze wijze laten reinigen. Men maakt ’s nachts wel jacht op hen; bij

aanraking scheiden ze een onaangenaam vocht af; die wantsenlucht is

typisch. Men hangt in kamers, die niet zuiver zijn, aan de wanden

stukjes geribd pakpapier; de wantsen kruipen dan hieronder en kunnen

overdag vernietigd worden. De wantsen zijn over de heele wereld

verspreid en reeds van ouds bekend.

Op zwaluwen en duiven leven ook wantsen, die men wel in de vogelnesten

aantreft; zoo komen die ook wel in huis. Zij lijken heel veel op de

bedwants.

No 95. Waterscorpioen. (Nepa cinerea). Bij het visschen met het

schepnet vangen wij dit insect heel dikwijls, want het komt veel voor.

Aan het achterlijf hebben de dieren een lange adembuis, waardoor lucht

naar de stigma’s wordt gevoerd. De eieren zijn voorzien van 7

uitsteeksels.

Zonder adembuis is deze waterscorpioen 20 m.M. Het dier is donkerbruin.

Een aardig dier voor het aquarium; ’t is een echte roover, dus houdt

hem apart.

No 96. Lange Waterscorpioen. (Ranatra linearis). Dit is al een zeer

eigenaardig dier. ’t Lichaam is staafvormig. De adembuis is heel lang;

’t dier zelf wordt van 30 tot 40 m.M. ’t Komt niet zooveel voor als de

vorige soort, maar men kan het toch nog al eens vangen. Het dier

wandelt op den bodem van het water en vangt daar zijn prooi. De eieren,

die 2 stekels bezitten, worden in waterplanten afgezet. Het dier voedt

zich met daphnia’s (watervlooien).

Nederlandsche Insecten · 第 48 / 72 题