II. Saltatoria of springende rechtvleugeligen.

d. Acrididen of sprinkhanen.

e. Locustiden of sabelsprinkhanen.

f. Grylliden of krekels.

Groep b en c zijn niet inlandsch, maar tegenwoordig kunnen wij in Artis

in Amsterdam geregeld het heele jaar door de Phasmiden zien; die worden

daar gekweekt. Het zijn de wandelende takken en wandelende bladen.

Iedereen kan er dus kennis mede maken. Verder kweeken verschillende

menschen voor hun pleizier wandelende takken op in huis; dat is een

liefhebberij van de laatste jaren. Het opkweeken van zijderupsen is van

veel ouderen datum.

Er blijven dus vier inlandsche afdeelingen over: a, d, e, en f. Laten

we eerst iets in het algemeen over de Rechtvleugeligen zeggen.

Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze hebben dus geen poptoestand;

de larven gelijken al veel op de imago’s. Verder voeren de larven een

gelijke leefwijze als de imago’s; ze leven allen op het land en

gebruiken hetzelfde voedsel. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld,

waarmede ze goed kunnen bijten. De sprieten zijn draad- of haarvormig.

Ze bezitten 4 vleugels; de voorste zijn leerachtig en kunnen niet

opgevouwen worden; de achterste zijn vliezig, breeder en kunnen

waaiervormig worden opgevouwen. Aan het achterlijf komen meestal

aanhangsels voor, die soms zeer groot zijn. Men noemt deze orde

Rechtvleugeligen naar de wijze, waarop de achtervleugels in rust worden

geplooid. Bij de springende zijn vooral de achterpooten sterk

ontwikkeld. Het aantal inlandsche soorten bedraagt 29.

Kakkerlakken.

De kakkerlakken zijn onaangename gasten in onze huizen, bakkerijen,

branderijen, plantenkassen, enz. Eigenlijk zijn de drie soorten, die

wij hier behandelen, van huisuit geen „inlandsche”. Ze zijn door het

internationaal verkeer verplaatst en zoo ook bij ons gekomen. Een paar

soorten komen bij ons in de vrije natuur voor, doch zijn van weinig

beteekenis. Een eigenaardigheid van de kakkerlakken is dat ze hun

eieren in „pakketten” leggen, die min of meer den vorm hebben van een

handtaschje. Een zeker aantal eieren worden dan gezamenlijk omkleed

door een kapsel, dat uit een stof bestaat, die door klieren wordt

afgescheiden. Deze pakketten worden dan hier en daar neergelegd.

Kakkerlakken zijn nachtdieren en eten alles wat eetbaar is. Omdat alle

kakkerlakken tot de lastige en schadelijke dieren behooren, worden ze

bestreden en wel aldus:

1. Men zet een mengsel neer van arsenicum, meel en suiker; de

dieren, die hiervan eten gaan dood; inplaats van arsenicum neemt

men ook wel gips; borax met suiker is ook uitstekend. Men gebruikt

ook wel phosphorpillen, doch die zijn evenals arsenicum, gevaarlijk

ook voor den mensch.

2. Men zet een ondiep bord met bier neer; om het den kakkerlakken

gemakkelijk te maken bij het bier te komen legt men stokjes en

smalle plankjes tegen het bord, waarlangs de beestjes naar het bier

klauteren. Ze drinken hiervan, worden bedwelmd, en vallen ten

slotte in het bier en verdrinken.

3. Ook kan men lappen neerleggen, die met bier zijn gedrenkt.

4. Er bestaan „kakkerlakkenvallen”; ’t zijn holle blikken trommels,

die den vorm hebben van een afgeknotten kegel, waarvan het

mantelvlak geribd is, zoodat de dieren gemakkelijk naar boven

kunnen klauteren. Het bovenvlak kan draaien om een horizontale

spil; in ’t midden van dit vlak ligt ’t aas, zooals boven is

aangegeven. Zijn de kakkerlakken naar boven en willen ze naar ’t

aas, dan kantelt het vlak en het dier valt naar beneden.

5. Men zet bloempotten of kistjes neer, waarin stukjes brood,

waarover wat papiersnippers of houtwol. De dieren kruipen hierin en

kunnen gemakkelijk gevangen worden.

No 82. Duitsche Kakkerlak. (Phyllodromia germanica). Dit is de kleinste

van de drie soorten, 12 à 13 m.M. lang. De eierpakketten zijn soms zeer

groot, en bevatten wel 50 eieren. Zij komen veel voor in branderijen,

in hotels en ook in plantenkassen; ze komen met buitenlandsche planten

wel mee. Aan ’t achterlijf bezitten ze klieren, die een sterk riekend

vocht afscheiden. De kleur is geelbruin, naar ’t roodbruin loopend. Het

mannetje is iets platter dan het wijfje. Beiden hebben goed ontwikkelde

vleugels.

No 83. Bakkerstor. Keukenkakkerlak. (Periplaneta orientalis). De

Hollandsche namen wijzen er al op, dat dit dier in bakkerijen en in

huizen voorkomt. Oorspronkelijk komen ze uit Azië. Lengte 20 tot 24

m.M. De voorvleugels zijn iets korter dan ’t achterlijf. Het wijfje

heeft haast in ’t geheel geen vleugels; de voorvleugels lijken een paar

schubjes. De kleur van het dier is donker kastenjebruin, de pooten zijn

iets lichter. De dieren zijn in ’t bezit van stinkklieren. De naam tor

is onjuist.

No 84. Amerikaansche Kakkerlak. (Periplaneta americana). Dit is de

grootste van de drie; 28 tot 32 m.M. lang. Mannetje en wijfje hebben

beiden vleugels die langer dan het achterlijf zijn. Ze zijn iets

lichter gekleurd dan de vorige soort. Ze komen in onze huizen niet veel

voor, doch wel in dokken, pakhuizen, fabrieken, vooral in

suikerraffinaderijen; sommige schepen kunnen er mede „vergeven” zijn.

Evenals bij de vorige soort worden ook hier onaangenaam riekende

klierstoffen geproduceerd.

Nederlandsche Insecten · 第 46 / 72 题