No 37. Meikever. (Melolontha vulgaris). Dit is zeker wel de meest
bekende kever in ons land, al komt hij dan ook lang niet overal voor;
maar op school wordt er van geleerd en hier en daar gebruiken de
kinderen hem als speelgoed. De meikever is een onzer grootste kevers en
wordt 24–30 m.M. lang. Het is een echte lobbes, waarvan wij niets te
vreezen hebben, omdat hij een bladeter is, en ons niet bijt of prikt.
Onder No 5 hebben wij zijn larve, de engerling, besproken; tevens
hebben wij toen verteld, dat de kever al in den nazomer ontpopt en dan
den geheelen herfst, winter en het voorjaar in den grond zit. Half
April en Mei komt hij naar boven; zijn pooten komen hem dan goed te
pas, waarmede de aarde op zij wordt gewerkt. Is hij eenmaal boven, dan
begint de aanval op de pas uitgeloopen knoppen; de bladeren zijn dan
nog sappig. Hij valt alle boomen aan, behalve de linde; het naaldhout
laat hij meestal met rust, alleen de Larix, die dan vol versche
naaldjes zit (die werpt in ’t najaar al zijn oude naalden af) havent
hij geducht. Omdat de meikever eigenlijk een schemer- en nachtdier is,
is hij overdag stil. ’s Morgens vroeg is hij suf en moe van al zijn
gevlieg, en zit dan slaperig op den boom. Van deze gelegenheid maakt
men gebruik om hem te bemachtigen. Onder de boomen, die soms stikvol
zitten, wordt een zeil of laken gelegd, en dan worden de takken met een
haak flink geschud. Het regent meikevers dan, die snel worden verzameld
en in een zak of ton opgeborgen. Zoo kan men er duizenden en duizenden
vangen, die dan gedood worden, en goed zijn voor bemesting van het
land. Men droogt ze ook wel en maakt ze daarna fijn, waarna men er
brood van bakt voor de varkens; ook de kippen pikken dan wel mee. Zoo
weet men nog een nuttig gebruik van dezen kever te maken.
De meikevers leggen hun eieren in den grond; het wijfje kruipt dan wel
2 tot 3 d. M. de aarde in. Na het eierleggen sterft de meikever, zoodat
in het laatst van Juni gewoonlijk geen meikever meer te zien is. De
sprieten van het mannetje bezitten 7 „blaadjes”, die van het wijfje 6;
die blaadjes zijn verbreede sprietleden. Aan deze eigenaardigheid dankt
de groep, waartoe deze kever behoort, haar naam van „bladsprietigen”.
No 38. Rozenkever. (Phyllopertha horticola). Een mooi kevertje, dat 8
tot 11 m.M. lang wordt. Het leeft precies als de meikever; de larve
verblijft in den grond, heet ook engerling, en beschadigt de wortels.
De kevers eten bladeren, ook die van rozen; daaraan hebben ze hun naam
te danken. Soms komt het diertje in grooten getale voor en dan wordt
het zeer schadelijk, maar gewoonlijk hoort men er zelden van. De
sprietbladen van het mannetje zijn grooter dan die van het wijfje. Men
kan de kevertjes vangen in Mei en Juni, vooral in duin- en heistreken,
op allerlei bloeiende planten.
No 39 en No 40. Neushoornkever. (Oryctes nasicornis). Mannetje en
wijfje. Deze kever heet wel „runkever” omdat hij nog al veel voorkomt
in run van de leerlooierijen, waarmede de larve zich voedt. In de vrije
natuur voedt de larve zich met molm van boomen. De kever wordt 28 tot
35 m.M. lang, is dus grooter dan de meikever; ook zijn larve is grooter
dan de meikeverlarve. De kever is kastanjebruin, glanzig, op de
bovenzijde glad; onderzijde en pooten zijn rossig behaard. Bij deze
kevers nemen we een eigenaardig dimorphisme waar; de kop van het
mannetje heeft een hoorn, die bij ’t wijfje gemist wordt; dit heeft op
die plaats maar een kegelvormig bultje. Als de kever uit de pop kruipt
groeit de hoorn nog langer uit; de pop bevindt zich evenals de larve in
run of in molm.
No 41. Julikever. (Polyphylla fullo). Deze kever is de grootste van
onze „meikeversoorten”. De dekschilden zijn gemarmerd; dit wordt
veroorzaakt door „schubben”. Zijn de schubben verwijderd, dan is de
grondkleur der schilden bruin tot zwart. Ook bij deze soort zijn de
mannetjes en wijfjes te herkennen aan het aantal „sprietbladen”; het
mannetje heeft 7 groote sprietbladen en het wijfje maar 5 kleinere. Het
verschil valt direct op. Ook deze kever en diens larve voeren een
leefwijze als de meikever. De larve leeft aan de wortels van planten en
de kever voedt zich met bladeren; de imago’s vliegen ’s avonds. De
kever komt veel voor in de duinstreken, en heet daarom ook wel
„duinkever”. De larve wordt daar schadelijk door het verwoesten van de
wortels der helmplanten, die het duinzand vasthouden. De kever is
grooter dan de meikever, 32–37 m.M., en verschijnt ook later, n.l. in
Juli. Hij komt ook in zandstreken voor aan onze oostelijke grenzen.
No 42 en No 43. Glimwormpje. (Lamprohiza (Phausis) splendidula).
Mannetje en wijfje. Van dezen kever zijn beide geslachten afgebeeld,
omdat ook hier weer een mooi voorbeeld van dimorphisme is waar te
nemen. Vooreerst is het mannetje grooter: 8½ tot 10 m.M., en het wijfje
slechts 6 tot 9 m.M. Dan is het mannetje gevleugeld en het wijfje
ongevleugeld; daardoor lijkt dit laatste veel op een larve. Over het
„lichten” is reeds vroeger gesproken. Het is een eigenaardigheid, die
de dieren ook na hun dood nog behouden. In de maanden Juni en Juli kan
men de wijfjes ’s avonds op den grond zien lichten; de mannetjes
vliegen dan rond. Ze schijnen overal voor te komen en worden dan ook in
verschillende provincies gevonden. Het is een zeer eigenaardig
verschijnsel als we plotseling die kleine lichtjes op de zwarte aarde
zien verschijnen. Merkwaardig is het, dat ook de eieren, larven en
poppen lichten. De larven voeden zich met levende slakken; wij dienen
ze dus in eere te houden. Zet men ze thuis in donker, dan lichten ze
daar ook. Zij behooren tot de 8ste onder-orde, tot de Weekschilden.
No 44. Mestkever. (Geotropus (Ceratophyus) typhaeus). De naam van dezen
kever wijst er op, dat dit dier op een of andere wijze met mest iets
heeft uit te staan. Mest is n.l. het voedsel voor de larven. De kever
graaft onder mesthoopen gangen in de aarde en legt daar de eieren; bij
elk ei wordt een hoeveelheid mest gebracht, die de larve zal
verorberen. Doordat die gangen nog al diep zijn, blijft de mest
vochtig. Men vindt vaak „koekoeken”, waarin aan de oppervlakte gaten;
dat is het werk van den mestkever, die naar binnen is gedrongen. Langs
zandwegen, in wagensporen, vindt men ze herhaaldelijk; vooral ook doode
mannetjes. De kever wordt 14½ tot 21 m.M. De grootte varieert dus nog
al. Er komen in ons land wel 7 soorten voor. ’s Avonds vliegen ze
brommend rond.
No 45. Kniptor. (Agriotes lineatus). Kniptorren zijn eigenaardige
dieren. Legt men ze op den rug, dan springen ze hoorbaar op; ze
knippen. Er komen bij ons wel meer dan 50 soorten kniptorren voor, dus
men is wel in de gelegenheid het knippen eens te zien. Verder zijn de
meeste van deze kevers van geen beteekenis, ook al, omdat ze niet zoo
lang leven. Des te erger staat het evenwel met de larven, die men
ritnaalden, koperwormen, hardwormen of draadwormen noemt. Ze maken
ritten door den grond en danken daaraan haar naam. Sommige larven leven
in boommolm, mesthoopen, en zijn dus van geen economische beteekenis.
Bij ons komen 10 à 12 soorten voor, die recht schadelijk zijn. De
larven toch beschadigen de wortels van allerlei kultuurgewassen, en
omdat ze wel 3 à 4 jaar in den grond blijven, kunnen ze heel wat
verwoesten. Tegen den winter gaan ze dieper den grond in. Meestal hoort
men van de ritnaaldenschade in ’t voor- en najaar, doch niet in den
zomer, omdat de planten dan flink aan den groei zijn. In den tuinbouw
hoort men er het heele jaar van, omdat men daar haast het heele jaar
door zaait.
Een afdoend middel om de ritnaalden te bestrijden is er niet. In tuinen
legt men aardappels en bieten in den grond; de ritnaalden kruipen
hierin, waarna men ze verwijderen kan. Men kan ook den grond inspuiten
met benzine of zwavelkoolstof. Als het met de vruchtwisseling zoo
uitkomt, moet men midden in den zomer de aangevallen akkers 15 c.M.
diep omploegen. Door de zonnehitte gaan de larven, die boven komen, dan
gauw dood. Ritnaalden lijken veel op meelwormen. De kevers leggen hun
eieren in den grond. De grootte der imago’s loopt van 8½ tot 10 m.M.
Zij behooren tot de 7de onder-orde.
No 46 en No 48. Vliegend Hert. (Lucanus cervus). Mannetje en wijfje.
Dit is nu de grootste kever, die bij ons voorkomt. De mannetjes hebben
geweivormige groote bovenkaken; die lijken wel het gewei van een hert;
vandaar ook hun naam. De wijfjes hebben ook wel bovenkaken doch die
vallen niet op. Wij hebben hier dus weer een mooi voorbeeld van
dimorphisme. De kevers voeden zich met sappen, die uit eiken en andere
boomen vloeien. De larven leven in boommolm, vooral van oude eiken. De
heele ontwikkeling van ei tot kever duurt wel 5 jaar. Het kan in dien
tijd best gebeuren, dat de larven perioden hebben, waarin zij niet
genoeg voedsel vinden, b.v. als er wat veel bij elkaar zijn. Dan
groeien ze toch wel uit tot kevers, doch die worden dan maar klein. De
grootte van de mannetjes varieert daarom van 27 tot 50 m.M. (zonder de
bovenkaken) en die van de wijfjes van 26 tot 41 m.M. Van half Juni tot
half Augustus kan men de kevers vinden. Men vindt ze verscholen onder
boomstammen, ook wel in holle wegen, waar de wortels der boomen uit den
grond komen. Tegen den avond vliegen ze. Meestal vindt men meer
mannetjes dan wijfjes. De kevers worden vooral gevonden in
eikenbosschen op zandgronden. Ze behooren tot de zelfde onder-orde als
de meikevers.
No 47. Gouden tor. (Cetonia aurata). Dit is weer een van die prachtige
torren, waarin de jongens handel drijven, net als in meikevers. De
dekschilden zijn metaalgroen met een koperkleurigen weerschijn. Men
vindt dezen kever in Mei, Juni of Juli op allerlei planten. Ze schijnen
van den honing te snoepen, eten stuifmeel en verwoesten soms de geheele
bloem. De larven lijken wel op die van den meikever, doch zijn veel
kleiner, en leven in boommolm, ook wel in bladaarde. Bij uitzondering
vindt men ze wel in mierennesten. De ontwikkeling van ei tot kever
duurt, evenals bij de andere genoemde bladsprietigen, weer zeer lang,
n.l. 3 à 4 jaar. Ze worden 15 tot 21 m.M. lang.