Nu komen we ongetwijfeld aan de groep insecten, die steeds in hooge
mate de aandacht van den mensch heeft getrokken; geen enkele groep
vertoont zoo’n vormenrijkdom, zoo’n schat van kleuren. Zij is ook het
talrijkst. In ons land komen ruim 3200 soorten voor en in Midden-Europa
6000. In de heele wereld zijn reeds verscheidene tienduizendtallen van
kevers bekend. Hun aantal is dus enorm. Dat ze, trots hun grooten
soortenrijkdom, niet overal de baas zijn, moet worden toegeschreven aan
verschillende omstandigheden. Vele soorten schijnen zwak te zijn,
anderen hebben geen groot voortplantingsvermogen, sommigen zijn weer
zeer gevoelig voor weersinvloeden, bovendien vallen velen als prooi
voor andere dieren.
Om het overzicht wat te vergemakkelijken zullen we eerst eenige
hoofdkenmerken van deze orde opgeven.
Algemeene kenmerken der kevers:
1. Kauwende monddeelen; ze zijn zeer eenvoudig gevormd, wat niet
wegneemt, dat ze zeer venijnig kunnen werken. Een schaar is ook
eenvoudig samengesteld, en toch is het een vinnig werktuig.
2. De sprieten bestaan bijna altijd uit elf leden.
3. Twee samengestelde oogen; zelden nog 1 of 2 puntoogen.
4. Het voorborststuk is altijd sterk ontwikkeld en het meest
zichtbare stuk.
5. De voorste vleugels zijn hard en stevig en dienen niet meer tot
vliegen, doch tot bedekking van ’t achterlijf en bescherming der
achtervleugels, die teerder en veel grooter zijn. In de
ondervleugels bevindt zich een gewricht, waardoor ze kunnen worden
opgevouwen. Soms worden de vleugels in drieën gevouwen. Ook de
oorwormen vouwen de vleugels.
6. Het achterlijf bestaat uit 5 tot 8 segmenten.
7. De voet bestaat uit 4 of 5 tarsleden, en eindigt in 1 of 2
klauwtjes. Vroeger waren de tarsleden een belangrijk systematisch
punt.
8. De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago.
9. Enkele goudhaantjes en ook eenige kortschildkevers zijn
vivipaar; de eieren worden bij hen reeds in ’t lichaam uitgebroed;
zij brengen dus levende larven ter wereld.
10. De larven hebben een goed ontwikkelden chitineuzen kop (bruin
of zwart) en meestal 6 pooten, die flink ontwikkeld zijn; zie
plaat I.
Er zijn ook pootlooze larven, die moeilijk te onderscheiden zijn
van de maden der vliesvleugeligen, die in gallen of in andere
dieren leven (sluipwespen); de larven van bijen en wespen zijn ook
pootloos. De huid van pootlooze keverlarven is doorgaans harder. De
verborgen levende larven zijn wit; ook die in aarde en humus leven.
Sommige larven zijn gekleurd, die voeren een vrij leven: zwart zijn
de larven der loopkevers, gekleurd de larven der goudhaantjes
(zwart of gespikkeld). Men kan een keverlarve gemakkelijk van een
rups onderscheiden; de eerste heeft alleen 6 borstpooten, de
laatste heeft er nog 4 of 10 buikpooten bij,
11. De poppen zijn z.g. vrije poppen; het achterlijf is zeer
beweeglijk. De vleugels zijn buitenwaarts gericht, zoodat de rug
onbedekt is. Meest wit, d.i. ongepigmenteerd. De niet verborgen
poppen zijn gekleurd en steviger. Soms wordt ook een cocon
gesponnen, ook wel wat houtvezels of aarde bijeengelijmd.
12. Het voedsel is zeer verschillend: vleescheters (carnivoren),
lijkenverslinders, humusverwerkers, planteneters, mestkevers,
houtkevers.
Enkele opmerkingen en aanwijzingen volgen nog hier.
De kevers zijn rijk aan oppervlaktekleuren, waaronder fraaie
metaalkleuren. Op de huid komen veel haren en schubben voor;
snuitkevers zijn dikwijls beschubd en de marmering van den Julikever
(41) bestaat geheel uit schubben.
Nergens komen zooveel verschillende vormen van sprieten voor; men denke
b.v. aan die van den meikever en de boktorren. Er zijn ook enkele
blinde kevers, o.a. No 31, een mierengast. Zeer belangrijke organen
zijn de boven- of voorkaken. Bij de roofkevers zijn het nijptangen en
bij het mannetje van ’t vliegend hert (48) zijn ze enorm ontwikkeld.
Van veel belang zijn de pooten, die den kevers veel diensten bewijzen.
De eenvoudigste pootvorm is de looppoot; meer gespecialiseerde pooten
zijn de springpooten, de graafpooten, de zwempooten.
In de groep der kevers komen vele goed waarneembare gevallen van
dimorphisme of tweevormigheid voor waardoor mannetjes en wijfjes direct
van elkaar zijn te onderscheiden. Die verschillen zitten dan in de
sprieten, in het gemis van de dekschilden, de sterke ontwikkeling der
bovenkaken, de horens op kop of borststuk, enz.
Veel roofkevers zijn nachtdieren; zandkevers opereeren daarentegen
juist als ’t zonnig is. Veel kevers leven altijd in donker of
verborgen. De leefwijze is zeer verschillend en daardoor vormen ze
juist zoo’n merkwaardige groep.
Jeugd- of eiverzorging komt niet veel voor; de zwarte waterkever (25)
maakt een eiernestje. In verband met het voedsel, dat vele planteneters
gebruiken, behooren er velen tot de schadelijke voor den land-, tuin-
en boschbouw; daarentegen zijn de carnivoren weer nuttig.
Indeeling der kevers.
Het schijnt ons nuttig toe, de groote kevergroep voor onze lezers in te
deelen; zoo’n overzicht is gemakkelijk, al kunnen wij daarmede de
kevers dan ook niet determineeren of op naam brengen. Dit laatste is
trouwens zeer moeilijk. Volgens de meer wetenschappelijke inzichten
worden de kevers tegenwoordig in 2 groepen verdeeld: de Adephagen, die
meest carnivoren zijn, en de Polyphagen, die meer planteneters zijn. De
verschillen zitten in de sprieten, in het halsschild, in de aan- of
afwezigheid van dwarsaderen in de achtervleugels, in het aantal
voetleden en vooral in den inwendigen bouw der voortplantingsorganen.
Die verschillen zijn zoo groot, dat men meent, dat deze twee groepen
van verschillenden oorsprong zijn. Intusschen ligt de oorsprong der
kevers nog in het duister. Wij kunnen op deze indeeling niet verder
ingaan.
Dr. Oudemans verdeelt de kevers in elf onderorden, die wij hier laten
volgen:
1. Roofkevers. (Caraboidea). Hiertoe behooren de zandkevers, de
looproofkevers, de waterroofkevers. Carnivoren.
2. Kortschildkevers. (Staphylinoidea). De meeste zijn ook echte
roofdieren. Hiertoe behooren ook de aaskevers, waaronder de
doodgravers.
3. Knotssprietigen. (Clavicornia). De sprieten zijn geknopt. Hier
hooren de O. L. H. beestjes thuis en ook het frambozenkevertje.
4. Kortledigen. (Brachymera). In deze onderorde worden allerlei
lastige huis-, keuken- en museumtorretjes ondergebracht.
5. Vochtliefhebbers. (Hygrophili). Een bekende vertegenwoordiger
van deze groep is de zwarte spinnende watertor.
6. Bladsprietigen. (Lamellicornia). Dit zijn echte bladeters; het
vliegend hert en de meikever hooren er onder.
7. Stekelbuikigen. (Sternoxia). Hier behooren de kniptorren thuis.
8. Weekschilden. (Malacodermata). Van velen zijn het chitinepantser
en de dekschilden week, maar niet van allen. Hiertoe behoort de
glimworm, doch ook de diefjes, die in huis lastig zijn.
9. Ongelijkledigen. (Heteromera). Deze naam wijst er op, dat de
voet der voor- en middenpooten bestaat uit 5 leden en die der
achterpooten uit 4. Meiwormen, blaartrekkers (spaansche vlieg).
10. Planteneters. (Phytophaga) Dit woord zegt niets, omdat onder de
vorige onder-orden ook vele planteneters zijn. Tot deze groep
behooren de erwtenkevers, boktorren, goudhaantjes.
11. Snuitdragers. (Rhynchophora). Tot deze onderorde behooren de
snuitkevers en de schorskevers.
Het is niet gemakkelijk voor al de 11 onderorden bepaalde kenmerken op
te geven. Bovendien vinden we kenmerken van de eene groep ook in de
andere. We gebruiken deze indeeling omdat ze niet te uitgebreid is en
daardoor een gemakkelijk overzicht geeft. Om technische redenen konden
de kevers niet precies volgens bovenstaande volgorde worden
gerangschikt. Aan de beschrijving doet dat natuurlijk geen afbreuk.
De vindplaatsen der kevers.
De beste tijd voor het vangen van kevers is het voorjaar en de
voorzomer; als ’t weer warm, vochtig en windstil is, lukt de vangst het
best. Prachtige vangsten doet men voor en na een onweer. ’s Morgens,
als het gras nog bedauwd is, vangt men zelden wat; als de zon hooger
staat gaat het beter, tot in den nacht toe. Kevers vinden we:
1. langs straten en wegen; vooral in ’t wagenspoor;
2. in mest vindt men mestkevers;
3. in doode dieren;
4. onder steenen;
5. in mieren- en wespennesten;
6. aan waterkanten, ook op ’t strand;
7. op den bodem van ’t bosch;
8. op bloemen;
9. op drassige weiden;
10. op bepaalde planten vindt men bepaalde soorten;
11. aan naaldhout;
12. op boomstammen;
13. in molm en holle boomen;
14. achter boomschors;
15. in meubels en oude balken en planken;
16. in kelders;
17. in provisiekasten;
18. in pakhuizen;
19. aan vensters;
20. in gaten in den bodem en ten slotte
21. in het water.
Aldoende leert men, en wie eenmaal begint, leert vanzelf de plekjes wel
kennen, waar wat te vangen is. Vooral willen wij er op wijzen, dat men
beproeven moet wat biologie der kevers te leeren, door larven op te
kweeken en volwassen kevers in een insectarium of een aquarium te
houden.
No. 25. Zwarte, spinnende Watertor. (Hydrophilus (Hydrous) piceus).
Deze kever is een der beste vrienden van de jongens. Wanneer ze in
April en Mei gaan visschen naar stekeltjes en salamanders, vangen ze
ook altijd deze watertorren. Gewoonlijk scheppen ze dan ook den
geranden waterroofkever, No. 28. Men moet deze twee nooit in één
aquarium doen, want als de gerande honger krijgt, en dat krijgt hij
gauw, pakt hij den spinnenden, ook al is die grooter, aan. Dat doet hij
zoo. Eerst bijt hij hem één achterpoot, een roeipoot, af; daardoor kan
de spinnende niet vlug meer uit de voeten, en is hij geheel in zijn
macht. Trouwens, de gerande is toch al een beter zwemmer. Is de
spinnende in de macht van den roover, dan gaat deze het achterlijf
bewerken, en eet daaruit de zachte, inwendige deelen weg. Zoo komt de
spinnende aan zijn einde. De spinnende watertor is om de volgende
eigenaardigheden bekend:
1º Hij haalt door middel van zijn sprieten adem, d.w.z., hij komt
met den kop naar boven en neemt dan tusschen zijn korte, verbreede,
sterke behaarde sprieten, lucht op, die op deze wijze in verbinding
komt met de luchtlaag, die zich aan de harige buikzijde bevindt.
Het koolzuur gaat naar buiten en de zuivere lucht komt daarvoor in
de plaats. Van de buikzijde gaat de lucht naar de onder de
dekschilden liggende ademhalingsopeningen.
De gerande waterroofkever komt altijd met het achterlijf aan de
oppervlakte van het water. De larve van den spinnenden waterkever
ademt door 2 stigma’s aan het achterlijf en komt hiermede naar
boven.
2º De spinnende maakt voor zijn eieren een drijvend nest, een
cocon, waarop een massieve mast wordt geplaatst; een eierbootje. In
Mei, soms in April, kan men deze nestjes al opvisschen. Het wijfje
gebruikt het achterlijf als mal en spint daarom het nest. De
spinklieren zitten aan het achterlijf, op den top. Voor den
geheelen nestbouw heeft het dier 4 à 5 uur noodig. Er zitten een 50
eieren in zoo’n bootje.
3º Al spoedig komen uit de eieren larfjes, die eerst nog wat in ’t
nest blijven, en in dien tusschentijd de eischalen oppeuzelen,
waaruit ze zijn gekropen. Dan gaan ze de wereld in. Deze larven
zijn echte roofdieren; ze lusten vooral slakken. De volwassen kever
leeft van planten. In het najaar zijn de larven volwassen, 6 c.M.
lang, en verpoppen dan buiten het water in de slootkanten. De pop
staat dan op haar kop, en rust op stekels. Wil men het leven van
dezen kever waarnemen, dan moet men zorgen voor een popgelegenheid.
De volwassen kever vliegt zelden; hij kruipt op den grond gewoon
voort. Hij behoort tot de 5e onderorde, en wordt 38–48 m.M. lang.
Overal in slooten en poelen.
No 26. Kortschildkever. (Staphylinus caesareus). Dit is een
vertegenwoordiger van een groote groep; bijna het 5e deel van onze
kevers, dus een 600 behooren tot deze groep. De dekschilden zijn kort.
Men kan deze kevers onder mos en steenen vinden; ze zijn 14 tot 18 m.M.
lang en leven van aas, mest en rottende plantenstoffen. Ze behooren dus
tot de opruimers in de natuur en nemen daardoor een belangrijke plaats
in. Ze behooren tot de 2e onderorde.
No 27. Bombardeerkever. (Brachynus crepitans). Deze kever is afgebeeld
omdat hij een merkwaardigheid is. Wordt hij achtervolgd, dan lijkt het
of hij op zijn achtervolgers schiet. Uit een paar achterlijfsklieren
vloeit een stof, die direct met een knal in damp overgaat; die knal is
voor ons hoorbaar. Het gevormde gas is zuur en riekt naar salpeterzuur.
Geschiedt de ontploffing in donker, dan heeft er ook lichtontwikkeling
plaats. De kever kan meerdere „schoten” achtereen lossen. Gelijktijdig
wordt ook de inhoud van den einddarm geledigd, zoodat de achtervolger
op niet veel smakelijks wordt onthaald. De kevers leven meestal onder
steenen bijeen, vooral op kalkgronden; bij ons gevonden langs
rivieroevers. Lengte 6½ tot 9½ m.M. Ze behooren tot de 1ste onderorde.
No 28. Gerande Waterroofkever. (Dytiscus marginalis). Over dezen roover
hebben we reeds gesproken bij No 25. Zoowel de larven als de imago’s
zijn echte carnivoren. Zij vallen alle levende dieren aan, die zij
tegenkomen; daarom zijn zij gevreesde bezoekers van de vischvijvers. Is
er gebrek aan levende prooi, dan zijn ze met aas tevreden; in een
aquarium kan men ze voeren met stukjes vleesch.
Moeten ze ademhalen, dan komen ze met het achterlijf loodrecht naar
boven en steken dit in de lucht; de dekschilden worden wat opgelicht,
de lucht komt er onder, die door de luchtbuizen kan worden opgezogen.
Als ze erg in ’t nauw worden gebracht, zonderen ze aan het halsschild
een melkachtige, onaangenaamriekende stof af; dat is dus hun
verweermiddel. De voortplanting geschiedt in den winter of in ’t
voorjaar. De wijfjes leggen de gele eieren aan stengels van
waterplanten, in een insnijding, die zij met haar hoornachtige legboor
maken. Na 12 dagen komen de larven voor den dag, die in het midden van
den zomer of tegen den herfst volwassen zijn.
Zij verpoppen in holen langs de oevers van het water. Sommige komen
vóór, andere na den winter uit. Men kan dus het geheele jaar door dezen
kever in ’t water vinden. ’s Avonds vliegen ze wel rond. Als hun sloot
’s zomers opdroogt, poetsen ze de plaat. Lengte 30–33 m.M. Eerste
onderorde.
No 29. Graanloopkever. (Zabrus tenebrioïdes). Hoewel deze kever tot de
roofkevers behoort, is hij toch een vegetariër, die den korenbouwers
zeer onaangenaam is. Hij eet bij voorkeur de melkrijpe zaden van tarwe,
rogge en gerst; haver laat bij ongemoeid. Gelukkig komt hij bij ons
niet veel voor; alleen op zandgrond wel. De kever klimt tegen de halmen
op, en zet zich zoo aan den maaltijd. Hij leeft van midden Juni tot in
den winter, soms tot in ’t voorjaar. Overdag houdt hij zich schuil, ’s
avonds gaat hij er op uit. In den herfst valt hij, evenals de larve,
het wintergraan aan. De eieren worden gelegd in de aarde. Als vijand
van dezen kever is een parasietvlieg waargenomen. Men bestrijdt dezen
kever 1º door vruchtwisseling, 2º door in ’t voorjaar de akkers met een
3% tabaksoplossing te besproeien of de larven met een
arsenicum-oplossing te bespuiten. De kever is 12 tot 15 m.M., de larve
20 tot 26 m.M.
No 30. Doodgraver. (Necrophorus vespillo). De rol, die door deze kevers
in de natuur wordt vervuld, is een zeer belangrijke. Aan hun is
opgedragen de lijken van kleine zoogdieren en vogels weg te werken, om
te zetten, zoodat de stof niet nutteloos blijft liggen. Als alle lijken
bleven liggen, zou de wereld spoedig één kerkhof zijn. Deze kevers zijn
in staat, als ze met een voldoend aantal zijn, lijken van mollen,
muizen, den grond in te graven. Met elkaar werpen zij den grond onder
het lijk weg, zij „ondermijnen” het lijk, dat daardoor dieper komt te
liggen. De wijfjes leggen in deze doode dieren hun eieren, waaruit
larven komen, die het „lekkere hapje” verder oppeuzelen. Deze larven
hebben 6 pooten en 12 oogen. Zij verpoppen in den grond.
Hoe de kevers de lijken vinden? Zij kunnen goed ruiken; bovendien zijn
het beste vliegers, die op aas uitgaan. In ons land komen 8 soorten
voor; 2 hiervan zijn zwart, dat zijn de grootste. De andere soorten
hebben oranjeroode dekschilden waarover 3 gegolfde zwarte dwarsbanden.
De kevers geven een sterken bokken- of muskusgeur af, die zeer lang aan
’t dier blijft hangen. De afgebeelde soort komt zeer algemeen voor.
Overal, waar men dierenlijken in de vrije natuur aantreft, bestaat kans
deze kevers te vinden. We vinden meermalen verschillende soorten te
gelijk in doode vogels. Lengte van 12 tot 23 m.M. Hij behoort tot de 2e
onder-orde. In Artis te Amsterdam zijn de kevers van tijd tot tijd te
zien.
No 31. Mierengast. (Claviger testaceus). Bij de mieren spreken we nader
over de „mierengasten”; dat zijn dieren, die in de mierennesten leven;
deze gasten worden òf vervolgd òf verzorgd door de mieren. Voor
sommigen zijn de mieren onverschillig. Maar daarover nader bij de
mieren. Deze Claviger is een der vele kortschildkevertjes, die in de
mierennesten leven. Het diertje is maar heel klein 2–2½ m.M. Het
beestje heeft geen oogen. Het scheidt uit de met gele borstelharen
bezette deelen van het lichaam een vocht af, dat de mieren gaarne
lusten en dus aflikken. Een soort „likeurfabriekje”. Maar zal dit
fabriekje kunnen blijven werken, dan moeten de kevertjes ook eten.
Welnu, daarvoor zorgen de mieren. Zij tikken de Clavigers op de
knotsvormige sprieten, en dan weten deze, dat zij zich kunnen gaan
voeden. Het voedsel wordt aangebracht. Dit is een zeer belangrijke vorm
van „samenwonen”: de een profiteert van den ander. Deze kever behoort
evenals de vorige tot de 2e onder-orde.
No 32. Zandkever. (Cicindela campestris). Op Plaat I No 9 staat de
larve van dezen kever afgebeeld; wij hebben haar ook beschreven. Even
roofzuchtig als de larve is de kever; ook die leeft van andere
insecten, die hij najaagt. Zijn scherpe bovenkaken wijzen reeds op zijn
karakter. De kever is een echt zonnedier, en zit altijd op den grond.
Wordt hij opgejaagd, dan vliegt hij voor ons uit, en zet zich weer
spoedig neer. Bij slecht weer en ’s nachts vertoeven ze in zelfgegraven
holletjes. Raakt men ze aan, dan verspreiden ze een eigenaardigen geur.
Deze kever is 11–14 m.M. lang, op de rugzijde fraai groen, op elk der
dekschilden met 5 witte zijvlekjes. Het is een prachtig dier en komt op
zandgronden veel voor. Men neemt veel afwijkingen in de teekening waar.
Er komen van de zandkevers 5 soorten in ons land voor. Zij behooren tot
de 1e onder-orde.
No 33. Poppenroover, Rupsenjager. (Calosoma sycophanta). Ook de larve
van dezen kever is afgebeeld op Plaat I, No 10 en daar beschreven.
Evenals de larve is ook de kever een echte roover, en juist hieraan
heeft hij zijn wereldreputatie te danken. We hebben reeds verteld, hoe
in Amerika twee rupsensoorten waren ingeslopen, de plakker en de
bastaardsatijnvlinder, die tot op den huidigen dag daar enorme schade
aanrichten. Deze rupsen waren uit Europa overgekomen. De sterke
vermeerdering der rupsen schrijft men toe aan de omstandigheid, dat wel
de rupsen, maar niet haar vijanden zijn ingevoerd. Daarom zijn de
Amerikanen begonnen met allerlei rupsenvijanden in te voeren, o.a. ook
de Calosoma. Zoowel de larven als de kevers klimmen de boomen in,
vallen de rupsen aan en verslinden die. Duizenden en duizenden van deze
kevers zijn naar Amerika gezonden. Het is een prachtige roofkever, een
zeer nuttig dier, dat 22–29 m.M. groot wordt; dus een flinke kever: de
dekschilden zijn goudgroen. Hij behoort tot de eerste onder-orde. In
Mei en Juni is de kever wel te vangen, hoewel hij in ons land helaas
maar zelden voorkomt. Misschien is hij te importeeren. Hij vliegt
overdag en riekt als hij gevangen wordt naar bittere amandelolie.
No 34. Oeverkever. (Elaphrus riparius). Dit is een mooi kevertje, dat
overal langs de randen van zoet water leeft; ’t is overdag in beweging.
Dekschilden aan de basis gerand, zonder stippellijnen, maar met 3 of 4
langsrijen van groote oogstippen. Bronskleurig tot smaragd-groen. Dit
kevertje is 5½ tot 7 m.M. lang en heeft metaal-groene tarsen.
No 35. Kleine Rupsenjager. (Calosoma inquisitor). Hij leeft op dezelfde
wijze als de groote jager C. sycophanta; hij is evenwel kleiner en
wordt maar 16–21 m.M. Hij lust gaarne de rupsen van den wintervlinder,
die in de boomgaarden zooveel schade doen. Ook de larve eet die rupsen.
Op zandgronden komt hij in eikenbosschen voor, en in Mei en Juni is hij
te vangen.
No 36. Tuinloopkever. (Carabus nemoralis). Deze kever behoort tot de
z.g. schallebijters; ze zijn zeer nuttig doordat zij allerlei
ongedierte uit den tuin en van den akker oppeuzelen. Jammer, dat zij
door den dommen mensch gewoonlijk worden doodgetrapt. De dekschilden
zijn meestal bruin-bronskleurig, al of niet met purperkleurigen
zijrand. Lengte 21–26 m.M. Men vindt hem vooral in tuinen op vochtige
plaatsen, onder steenen, en in bosschen onder mos en boomschors.