Rupsen zijn ook larven; daarom vormen Plaat I en II één geheel. Zagen
we op de eerste plaat larven van verschillende insectengroepen, de
rupsen vormen daarentegen maar één groep. Rupsen groeien uit tot
vlinders. Voor ze overgaan tot vlinders maken ze allen een poptoestand
door; daarom zegt men dat haar gedaanteverwisseling volkomen is. Rupsen
en vlinders vormen een zeer aantrekkelijke orde van de insecten: de
rupsen, omdat ze gemakkelijk te vangen zijn en de vlinders, omdat vele
zoo prachtig geteekend zijn. Laten we nu een en ander van de rupsen
gaan vertellen.
Lichaamsbouw. Een rups bestaat uit een kop, 3 borst- en 9
achterlijfsringen. De kop heeft een harde huid en is door een
gegaffelde lijn in twee helften verdeeld; daartusschen ligt het
driehoekige kopschild. Aan dit schild zit de beweegbare, platte
bovenlip. De verdere monddeelen zitten daaronder: 2 bovenkaken, 2
onderkaken en de onderlip. De bovenkaken zijn sterk en daarmede wordt
het voedsel afgeknipt; ze werken dus als een schaar. Men zegt wel eens,
dat een rups knaagt, doch dat is onjuist. Aan de onderkaken en onderlip
zitten de tasters; daarmede schijnt de rups haar voedsel te
inspecteeren, voor zij het naar binnenwerkt. Op de onderlip zijn een
paar tepeltjes of wratjes, waarin de twee spinklieren uitmonden. De
spinseldraad, waarvan de cocons worden gesponnen, komt dus hier uit.
Bij de spinnen zitten de spinklieren aan het achterlijf. Als een rups
aan een draad naar beneden komt, is de kop boven; een spin komt met den
kop naar omlaag.
Op de genoemde kophelften staan de oogen en de sprieten. Aan iedere
zijde staan 6 puntoogen; de sprieten zijn 3-ledig.
Het lichaam van de rupsen is week; men drukt ze gauw dood. De huid is
vaak bezet met allerlei wratjes en haren. Soms zijn die haren zeer
lang, zooals bij de beerrups. Die haren en wratjes geven teekening aan
het dier. Van sommige rupsen zijn de haren gevaarlijk, o.a. van de
processierups.
Verschillende rupsen bezitten uitstulpbare organen, die vermoedelijk òf
alleen dienen om zich vijanden van ’t lijf te houden òf bepaalde
stoffen uitscheiden, die prikkelend of doodend op de aanvallers werken.
De Papilio-rupsen (14) bezitten een uitstulpbaar orgaan aan het
voorborststuk, dat een doordringende lucht afgeeft. Bij de rups van den
Hermelijnvlinder (144) zien wij, als het dier verontrust wordt, twee
roode draden uit het einde van het achterlijf komen; tegelijk scheiden
zij dan uit een klier aan de onderzijde van het voorborststuk een
straal vocht af, dat veel mierenzuur bevat. Op de huid komen nog
allerlei doorns en uitsteeksels voor; de pijlstaartrupsen vertoonen
zoo’n uitsteeksel; het hoorntje kan door een spiertje bewogen worden.
De pooten van een rups zijn in 2 groepen in te deelen: borstpooten en
buikpooten. De 6 borstpooten zijn geleed; de buikpooten niet en min of
meer cylindrisch. Men noemt de buikpooten ook wel valsche pooten, omdat
ze bij de verpopping geheel verdwijnen. Het normale aantal buikpooten
bedraagt 10. Natuurlijk komen hierop weer uitzonderingen voor; die
vinden wij in de geheele levende natuur. Spanrupsen hebben maar 2 paar
buikpooten, op het 6e en 9e segment. De Eriocephala-rups heeft 8 paar
buikpooten en Micropteryx, die in bladeren leeft, heeft in ’t geheel
geen pooten. De ademhalingsopeningen zijn bij de rupsen goed te zien;
aan elke zijde zitten er 9; 1 op het voorborststuk en 8 op het
achterlijf.
Het vervellen. Evenals andere larven vervellen de rupsen gedurende haar
groei; ze doen dat drie of meermalen. Als een zeer harige rups vervelt,
dan zitten op de nieuwe huid ook al weer haren, doch die zijn eerst nog
wat nat en zitten tegen de huid; zijn ze opgedroogd, dan staan ze
rechtop. Bij het opkweeken van insecten vinden wij natuurlijk geregeld
afgestroopte huidjes in het rupsenhuis. Voor de vervelling begint, zit
de rups eenigen tijd stil en gebruikt dan geen voedsel.
Voedsel. De meeste rupsen zijn planteneters. Sommige houden zich strikt
aan één soort voedsel, b.v. de brandnetelrupsen; men noemt ze
monophaag. Andere hebben een rijker menu, b.v. beerrupsen; die eten
allerlei lage planten, riet en wilgen; men noemt ze polyphaag. De
levenskans voor de polyphagen is dus veel gunstiger; ze vinden haast
overal wat. Intusschen sterven de monophagen ook niet uit.
Er zijn ook verschillende gevallen bekend, dat rupsen zich zeer goed
ontwikkelen bij een gewijzigd menu.
Onder de rupsen zijn ook vleescheters, carnivoren. Rupsen van Erastria
peuzelen schildluizen op, die van Calymnia trapezina worden de
„hyena’s” genoemd, en verslinden o.a. spanrupsen.
De rups van de wasmot eet in bijenkorven was van de raten, en de
rupsjes van de kleeren- en tapijtmot eten de wollen haren in kleeren en
tapijten. Die leven dus van afval.
Meestal leven de rupsen op de planten; er zijn er ook die in de
stengels en bladeren leven; sommige maken gallen. Een paar rupsen leven
in ’t water.
Nut en schade. Het aantal voor den mensch nuttige rupsen is al zeer
gering. Allereerst zijn nuttig de zijderupsen. Behalve de gewone
zijderups zijn er nog andere rupsen, wier cocon voor zijdewinning wordt
gebruikt. Verder zijn de moordrupsen of hyena’s, die andere rupsen
verslinden, ook nuttig, evenals de bovengenoemde schildluisverslinders.
Maar de rest zijn planteneters, en die onze kultuurplanten aanvallen
zijn natuurlijk schadelijk als zij in groote massa optreden. Vele
rupsen leven evenwel op wilde planten en daartegenover staat de gewone
mensch onverschillig. Wij daarentegen, vinden onder deze rupsen de
schoonste exemplaren, waaruit de prachtigste vlinders komen; zoodoende
zijn wij voor deze rupsen in ’t geheel niet onverschillig, maar
behooren ze tot onze beste vrienden, omdat ze ons zooveel genot
verschaffen.
Behalve de kultuurplantenbeschadigers zijn nog lastig de rupsen van de
genoemde tapijt- en kleermotjes, de wasmotjes en de korenmotjes.
Vijanden van de rupsen. Dat de rupsen niet ongestoord door het leven
zouden gaan, was te verwachten. Welk dier heeft niet zijn vijanden? Tot
de meest gevreesde vijanden behooren wel de vogels, die vooral in den
tijd, dat ze jongen hebben, dagelijks enorme hoeveelheden rupsen
verslinden. Hoeveel rupsen zouden b.v. de Nederlandsche vogels
dagelijks wegwerken? Dat zal een reuzengetal wezen. De insectenetende
zoogdieren, mollen, egels, spitsmuizen, rekenen er ook nog al eentje
in. En dan de roofinsecten, de rupsenjagers (kevers), graafwespen en
andere. Vooral de sluipwespen en sluipvliegen zijn de oorzaak van den
dood van vele rupsen. Wat deze parasieten betreft, als wij rupsen
opkweeken, hebben wij herhaaldelijk gelegenheid, met deze dieren kennis
te maken.
Ziekten der rupsen. Ook hiervan blijven de rupsen niet gespaard. Wij
hebben reeds bij de koolrups met zoo’n ziekte kennis gemaakt. Ook
andere rupsen worden door schimmels en bacteriën aangetast. Merken wij
in onze rupsenkweekerij dat enkele zeer slap worden en ontijdig
sterven, dan moeten wij die snel verwijderen, om te voorkomen, dat ook
andere worden aangestoken. Ook de zijderups lijdt wel aan zoo’n ziekte,
en dan is dit voor de kweekers een enorme schade.
Het vangen van rupsen. Dat kan geschieden overdag en ’s nachts. Het
gemakkelijkst is het de rupsen op niet te lage planten en heesters te
vangen. Men ziet ze daar zitten en neemt ze er met het takje of een
blad af. Soms laten de rupsen gauw los als men de stengels wat stevig
beweegt; een beetje kalmte bij het vangen is dus wel aan te raden.
Omdat het inspecteeren van heesters nog al veel tijd kost, kan men die
ook afkloppen. Een geopende paraplu wordt daaronder gehouden, terwijl
de takken flink bewogen worden; de rupsen vallen dan. Veel groote
rupsen, die naar beneden komen om in den grond te verpoppen, kan men
verschalken als zij langs den stam naar beneden kruipen. Linden,
wilgen, populieren, iepen zijn daarvoor al zeer geschikte boomen; zij
leveren ons pijlstaartrupsen. Augustus en September zijn de
pijlstaartmaanden. Na een sterken wind of storm in Augustus en
September—en het kan er in die maanden soms spannen—zijn veel rupsen
naar beneden gevallen, ’s Nachts komen veel rupsen op de vlakte, die
zich overdag verschuilen; om deze te verschalken heeft men een goede
fietslantaarn noodig, en een geoefend oog. Doch aldoende leert. Wie pas
voor het eerst op de rupsenjacht gaat, vangt gewoonlijk weinig, omdat
hij zoo weinig ziet. Het rupsen-zien moet ook geleerd worden en men
leert dat alleen door te zoeken.
Het vangen van rupsen op lage planten in weilanden en langs wegen kan
ook geschieden met behulp van een sleepnet, dat over de planten wordt
getrokken. Omdat er haast geen planten zijn die niet door rupsen worden
aangevallen, zijn er dus overal rupsen te vangen. Wie op de rupsenjacht
gaat zorge voor een goede bergplaats; hij neme wat doosjes en busjes
mede en tevens een plantentrommel om voer voor zijn beestjes daarin te
doen.
Het overwinteren van rupsen. Een zeer groot deel van de rupsen
overwintert. Sommige kruipen den grond in, andere zoeken een
winterkwartier onder allerlei afval; er zijn er ook, die een spinsel
maken en daarin verblijven, terwijl enkele soorten in nesten bij elkaar
overwinteren. In ’t voorjaar, als de planten weer doorgroeien en het
weer milder wordt, de knoppen ontluiken en boomen en heesters in blad
komen, dan verlaten de rupsen haar winterverblijven. De rupsenvanger
kan dus al vroeg in ’t voorjaar aan ’t verzamelen gaan.
Hebben we in ons rupsenhuis rupsen, die moeten overwinteren, dan dienen
we te zorgen dat haar verblijf zoo goed mogelijk overeenkomt met dat in
de vrije natuur. Men zette ze buiten en geve haar gelegenheid zich goed
te verschuilen. Sommige rupsen moet men ingraven.
Poppen en verpoppen. Is de rups volwassen, dan maakt ze zich gereed te
verpoppen. Dat verpoppen geschiedt op verschillende manieren; men leert
die het best kennen door de dieren op te kweeken. Sommige blijven boven
den grond, anderen gaan den grond in. Het koolwitje en de
koninginnepagerups spinnen slechts een gordel, om daarin de pop te
laten rusten; andere, zooals de vanessa’s, hangen met den kop naar
beneden. Sommige maken een lossen, andere een dichten cocon. Die in den
grond kruipen maken soms ook nog een los spinsel (pijlstaarten). Wij
moeten iedereen aanraden te beproeven het verpoppen van rupsen te zien;
het spinnen is zeer eigenaardig. Met behulp van een loupje of gewoon
vergrootglas kan men het heel goed waarnemen. Zoo’n vergrootglas komt
ons ook goed te pas bij het bestudeeren van de poppen; trouwens, wie
wat aan insectenkunde doet kan geen vergrootglas missen. De meeste
rupsen worden mummiepoppen; er zijn er echter ook, die min of meer
vrije poppen worden, die wij bij de kevers aantreffen. Aan een
vlinderpop zijn vele organen van den toekomstigen vlinder al te zien;
elk dier organen zit in een afzonderlijke schede; alle scheden te zamen
zijn onderling verkleefd. De meeste poppen zijn beweeglijk; die
beweging zit dan in ring 5 en 6; die beginnen zich ook te strekken als
de vlinder voor den dag komt. Evenals de rups heeft de pop 9
ademhalingsopeningen (stigma’s); de laatste is evenwel rudimentair (min
of meer verschrompeld).
Aan de poppen is al te zien of daaruit een mannelijke of een
vrouwelijke vlinder zal komen. Die kennis kan soms van nut zijn.
De duur van den poptoestand is zeer verschillend. In den zomer duurt
hij 2 tot 6 weken, soms iets korter; poppen, die overwinteren, blijven
wat langer in dien toestand, dat loopt van 6 tot 9 maanden. Een
merkwaardig bestaan, zoovele maanden buiten alle actie. We hebben er
reeds op gewezen, dat sommige poppen één of meer jaren „overliggen”,
dat komt voor bij de pijlstaarten.
No. 13. Ligusterpijlstaartrups met pop. (Sphinx ligustri). Deze flinke
rups is een prachtig dier; in de maanden Augustus en September is ze
volwassen en men kan ze vinden op liguster, sering, esch, sneeuwbal,
radijsboompje (het boompje of heester met witte bessen, die klappen als
men er op trapt), spiraea. De rups is groen; zeer teekenend is deze
kleur onderbroken door zeven witte strepen, die van boven paars afgezet
zijn; ze loopen schuin naar boven, van ring 4 tot 10. De horen of het
pijltje is zwart. Als we deze rups op een heester zien zitten, is het
een interessante verschijning. Omdat ze groen is valt ze alleen op aan
hem, die wat geoefend is in het rupsenvangen. Willen wij onderzoeken of
ze in een struik zitten, dan kan men eerst den bodem daaronder
onderzoeken; liggen daar uitwerpselen van bepaalden vorm, dan is dit
een aanwijzing. Houden we ligusterpijlstaarten in een rupsenhuis, dan
merken we, dat ze voor de verpopping wat onrustig worden; ze zoeken een
plaatsje, waar ze den grond in kunnen. We hebben dus te zorgen voor een
bakje met aarde. Soms worden ze al wat donker op den rug voor ze den
grond in gaan. Het gebeurt wel dat ze, na eenige dagen in de aarde te
hebben gezeten, weer naar buiten komen. Het duurt dan niet lang meer of
ze gaan voor de tweede maal weg, en keeren dan niet weer terug. Men
laat het bakje met poppen rustig staan en zet het gedurende den winter
in een koele kamer. Wil men de poppen nader bekijken, dan kan men ze
gerust uit den grond halen, zoo teer zijn ze niet. Men kan aan het
kopeinde van de pop goed de schede zien, waarin de lange roltong zit.
De vlinder vliegt in Juni en Juli. Omdat het een schemer- of
avondvlinder is, ziet men hem zelden. De lange roltong is een zeer
doelmatig orgaan om honing uit bloemen met lange bloembuis te halen,
zooals de kamperfoelie. Die bloemen geuren ’s avonds. Dat is dus wel
een eigenaardig verband tusschen deze bloemen en de avondvlinders. Hij
heeft een vlucht van 95 tot 120 m.M. De vlinder is een goede vlieger en
prachtig geteekend. Als we hem opzetten kan ook gemakkelijk de roltong
worden uitgestrekt.
No. 14. Rups van Koninginnepage met pop. (Papilio machaon). Deze rups
is bij de tuinders en boeren bekend als de wortelrups. Deze naam wijst
er op, dat het dier veel gevonden wordt op wortelen (peen). Ze komt
intusschen ook voor op venkel, peterselie, zelfs wel op aardbeien. Men
treft deze rups vooral aan in het Oosten en ’t Zuiden van ons land; in
’t Westen minder. Een enkele maal hebben wij haar wel bij Amsterdam
gevonden.
Men vindt haar in Juni en in ’t najaar; dus 2 generaties per jaar. De
najaarsgeneratie overwintert als pop; deze zit met het ondereinde vast
en hangt verder in een gordel. De rups is dik; vleezig, in haar jeugd
zwart; op roode wratjes staan korte dorens; later is de rups groen of
blauwgroen met zwarte banden, waarop 6 of 8 roode of gele vlekken
staan. De rups heeft aan de rugzijde van het voorborststuk een
uitstulpbaar, gevorkt orgaan; het is oranjegeel van kleur en verspreidt
een sterke lucht. Het ligt voor de hand, dat dit orgaan tot verdediging
dient, tot afweer van vijanden. De mooie vlinder, onze grootste
dagvlinder, is afgebeeld op No. 110.
No. 15. Rups en pop van Dagpauwoog. (Vanessa Io). Deze rups komt in
geheel Nederland voor en leeft op brandnetel. Men kan haar vinden van
Mei tot Juli. Ze leven, evenals de rupsen van den kleinen vos, gezellig
bij elkaar. Zoodra wij op brandnetels spinsels zien zitten, die al van
verre in ’t oog vallen, dan zitten daar brandnetelrupsen. Men kan ze
dus gemakkelijk vinden. De rupsen zijn zwart met witte spikkels en
bezet met zeer lange dorens. Deze rups is zeer geschikt om haar in een
rupsenhuis op te kweeken. De poppen hangen met den kop naar beneden.
Hoewel de rups door heel ons land voorkomt, is zij toch niet wat men
noemt algemeen; men vindt ze wel, doch men moet er naar zoeken. In
sommige jaren zijn er zeer veel en dan weer is ze schaarsch; dat komt
bij meer insecten voor; de oorzaak hiervan kent men nog niet. De mooie
dagvlinder is afgebeeld op No. 115.
No. 16. Rups en pop van Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De
jonge rups is geelgroen met gele strepen; aan ieder segment, aan den
zijkant een witte vlek met zwarten rand. Een volwassen rups is
zwartgroen met gele vlekken bezet; een roode ruglijn en gele,
roodgevlekte zijlijn. Stigma’s geel. Het horentje is van onder rood,
van boven zwart. Zij eet wolfsmelk, maar lust ook bladeren van fuchsia.
Merkwaardig is het, dat de pop meerdere jaren, soms wel 5 blijft
„overliggen”. De rups komt wel voor op de uiterwaarden van onze groote
rivieren. De prachtige vlinder is afgebeeld op No. 122.
No. 17. Rups en pop van Dennenpijlstaart. (Sphinx pinastri). Deze rups
wordt 8 à 9 c.M. en is van Juli tot September te vinden op naaldhout.
Op den rug bruinachtig rood, lichtgroen op zijde en wit gestreept, met
zwarte dwarslijnen geringeld. Stigma’s hoogrood, zwart gerand. Kop
okergeel met twee bruine strepen. Als deze rups in groote hoeveelheden
voorkomt, wordt ze voor de kultuur schadelijk. In ons land is van zoo’n
optreden nog niets waargenomen. De vlinder is afgebeeld op No. 130.
No. 18. Rups en pop van Geaderd Witje. (Aporia crataegi). Deze rups
leeft aan meidoorn (Crataegus), appel, peer, mispel, kers, pruim,
abrikoos. Eieren der vlinders dooiergeel, in hoopjes van 20 tot 100 aan
de onderzijde der bladeren. Na het verlaten van het ei is de rups geel,
na eenige dagen donker, roodbruin met zwarten kop, lang behaard. Zij
spinnen kleine nesten, waarin zij ook overwinteren. Ze komen eerst in
den nazomer uit de eieren, want de vlinder vliegt pas in Juni of Juli.
Zoodoende zijn ze vóór den winter nog niet volwassen. Ze overwinteren
daarom in kleine rupsennesten en beginnen in ’t voorjaar opnieuw haar
vreterij. In Mei verpoppen ze. Merkwaardig is het, dat deze vlinder
soms voor jaren en jaren uit een streek verdwijnt en dan weer
plotseling in groote massa’s optreedt. De oorzaak van deze „inzinking”
is nog niet bekend. De naam van den vlinder is zeer juist omdat de
aderen sprekend aan den dag komen; ze zijn zwart. De vlinder heet ook
wel boomwitje.
No 19. Rups en pop van Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). Deze
rups levert den grootsten vlinder, die in ons land voorkomt. De vlinder
heeft zijn naam te danken aan de heldergele doodshoofdteekening op het
borststuk. De rups is geel of groenachtiggeel; typisch zijn de
prachtige lijnen, die van de zijkanten schuin naar achteren loopen en
op den rug bij elkaar komen. Het horentje is ruw en geel. Er komen veel
kleurenvariaties voor. De rups leeft op aardappel, doornappel,
bitterzoet en nog andere nachtschaden. Ook wel op liguster, aardbeien,
jasmijn, hennep. Gewoonlijk vindt men bij ons de rupsen van half Juli
tot half Augustus; en dan zijn er in den herfst ook nog te vinden; de
laatste rupsen, die bij ons als pop overwinteren, brengen het nooit tot
vlinders; zij sterven. De rups is feitelijk niet inlandsch; de vlinders
komen in zoele nachten hierheen gevlogen uit het Zuiden. In ’t algemeen
behoort de rups tot de zeldzame; misschien komt zij meer voor dan men
weet, omdat er zoo weinig naar gezocht wordt: bovendien komt men van
half Juli tot half Augustus niet in de aardappelvelden, omdat de
struiken dan al te hoog zijn. Merkwaardig is ’t dat uit deze rups hier
nog nooit een sluipwesp is gekomen; ze schijnt hier geen vijanden te
hebben. Daaruit maakt men ook op, dat ze hier niet thuis hoort. Raakt
men de rups aan den kop, dan blaast ze. De vlinder is afgebeeld op No
126.
No 20. Rups en pop van Nachtpauwoog. (Saturnia pavonia). Dit is een der
rupsen, die wij op heidevelden aantreffen. Zij is eerst zwart, met
roode zijlijn; volwassen is zij groen, met rozenroode of gele wratten.
We vinden haar ’s zomers op heide, bramen, wilde rozen, eiken,
kruipwilg; ze heeft dus nog al een afwisselend menu. De rups verpopt in
den nazomer en doet dat in een stevigen bruinen cocon, die iets
fleschvormigs heeft. De afsluiting tusschen hals en buik is voor den
vlinder zeer gunstig. In April en Mei komen de vlinders voor den dag,
die ’s nachts vliegen. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de
eerste hebben een vlucht van 50 tot 55 m.M.; de tweede van 60 tot 70
m.M. Dit is dus een mooi voorbeeld van dimorphisme. Hun naam ontleenen
deze vlinders aan de eigenaardigheid, dat zij op iederen vleugel een
oogvlek, een „pauwoog” bezitten. Naast een nachtpauwoog, komen in ons
land nog voor een dagpauwoog (No 115) en een avondpauwoog (No 121).
No 21. Rups en pop van Nonvlinder. (Lymantria monacha). Over deze rups,
die een der gevaarlijkste vijanden van onze naaldbosschen is, schrijven
we uitvoerig onder No 140 Plaat XII, waar de vlinder is afgebeeld.
No 22. Berkenspanrups met pop. (Amphidasis betularia). Deze rups
behoort tot een groep, die den naam draagt van de „spanners” of
„landmeters”; dezen naam ontleenen zij aan de eigenaardige wijze,
waarop zij zich voortbewegen, en deze bijzondere voortbeweging staat
weer in verband met het geringe aantal buikpooten. Zij missen 3 paar
buikpooten; alleen de laatste 2 paren zijn aanwezig. Hierdoor kunnen
zij niet gewoon kruipen als andere rupsen. Zij trekken bij het loopen
de achterste ringen tot kort achter de borstpooten bij; de middelste,
pootlooze segmenten worden daardoor boogvormig in de hoogte verheven.
Vervolgens wordt het lichaam weer gestrekt en de voorpooten zoeken dan
een nieuw steunpunt. Hebben de voorpooten houvast, dan worden de
achterpooten los gelaten en het lichaam kromt zich weer boogvormig.
Er is nog een tweede eigenaardigheid. In rust staan deze rupsen soms
geheel rechtuit en rusten dan alleen op de achterpooten. Wie het niet
weet, ziet zoo’n rups voor een takje aan; het dier lijkt er dan ook
volkomen op. Men heeft hierin willen zien een bescherming tegen
vijanden, een soort vermomming, mimicry. Men meent n.l. dat de vogels
net zoo dom zullen zijn als wij om een berkenspanrups aan te zien voor
een takje. Natuurlijk weten wij hier niets van. Als het waar was, dat
de rups van die „takgelijkenis” zooveel voordeel had, dan moest de
wereld wel vol zitten met deze spanrupsen; en dat is toch niet zoo.
Intusschen is de gelijkenis tusschen takje en rups zóó groot, dat
iedere insectenkundige in elk takje een rups ziet; de leek ziet in elke
rups een takje. Men kan de rups vinden van Juli tot October op allerlei
loofboomen. Ze verpopt in den grond, overwintert daar, en levert van
einde Mei tot einde Juli de vlinders; zie afbeelding No 138. Deze rups
en ook andere spanrupsen leenen zich goed voor de kweekerij in huis.
Over den vlinder vertellen wij later nog iets bij genoemd plaatje.
No 23. Wilgenhoutrups met pop. (Cossus cossus). Dit is weer een heel
andere soort. De vlinder legt de eieren op den stam van wilgen en
populieren, doch ook wel op die van fruitboomen en andere loofboomen.
Op naaldhout niet. De jonge rupsjes vreten zich door de schors heen den
stam in, en leven daar van het hout. Zij graven gangen in de stammen,
die daardoor technisch hun waarde verliezen, omdat het doorgegraven
hout voor werkhout waardeloos is. Een ander nadeel, dat zij aan de
boomen toebrengen zit hierin, dat het hout inregent, vermolmt, en
daardoor de sapstroomen belemmerd worden; de boomen groeien daardoor
slecht en als er wat veel in één boom zitten, (men heeft er wel eens
200 in één stam aangetroffen) gaat zoo’n boom gauw dood. De
wilgenhoutrupsen behooren dus tot de ergste boombeschadigers. Voor een
zeer groot deel hebben zij ook de vernietiging van de knotwilgen op
haar rekening. Deze rupsen leven 3 à 4 jaar in het hout voor ze
verpoppen; ze kunnen dus heel wat aan. In dien tijd zijn ze uitgegroeid
tot groote dieren, die wel 8 c.M. lang zijn en dik als een pink. Tot
aan de laatste vervelling zijn ze rood als bessensap; kop zwart en
halsschild zwart gevlekt. Tegen den tijd, dat ze gaan verpoppen, zijn
de buik, de zijden en de insnijdingen tusschen de ringen geel, en ten
slotte neemt het geheele dier deze kleur aan.
Het dier riekt eenigszins naar azijnzuur of creosoot; eenzelfde geur is
waar te nemen aan de wortels van het herderstaschje. Wie een goeden
reuk heeft, kan de rupsen in den boom daaraan waarnemen. Zij verraden
zich ook door het knaagsel en de excrementen, die uit de gangen worden
geworpen.
De rups verpopt aan ’t uiteinde van een rupsengang, in een cocon met
veel houtknaagsel; ze zit dus goed beschermd. Tegen het uitkomen werkt
de pop zich den cocon uit, en schuift voor een gedeelte naar buiten;
zij zit dus al half den stam uit. In dezen toestand—in Mei—kan men de
poppen dan voorzichtig uitsnijden. Het is Dr. Oudemans gelukt eenige
cossus-rupsen op te kweeken met uitgedroogd brood.
De vlinder, die overdag tegen boomstammen zit, is afgebeeld op No 128.
No. 24. Rups van Dennenspinner met pop. (Dendrolimus pini). Deze rups,
die bij ons nooit in zoo groot getal optreedt, dat ze schadelijk wordt
aan het naaldhout, wordt dat wel in sommige deelen van Duitschland. De
kleur der rups is niet standvastig; ze is aschgrauw en bezet met roode
haren; bruine ruitvormige vlekken op den rug en bruine zijstrepen.
Blauwe dwarsvlekken op den tweeden en derden ring en op den
voorlaatsten een wrat. De vlinder legt in Juli 200 eieren in hoopjes
van 50 tegen de stammen van naaldboomen. In September en October begint
de eerste beschadiging, die duurt tot den herfst; dat noemt men de
herfstvreterij. Tegen den winter gaan ze naar omlaag en overwinteren
daar onder het strooisel. In ’t voorjaar komen ze weer voor den dag,
kruipen tegen de stammen op en dan begint de voorjaarsvreterij. Zij
laten niets van de naalden over. Daardoor kan de schade zeer groot
worden. Een middel om de voorjaarsvreterij tegen te gaan is de
boomstammen van lijmringen te voorzien. Deze rupsen hebben vele
vijanden; vooral lijden zij aan schimmelziekten, waardoor sterke
vermeerdering telkens wordt onderbroken.