Larven. Eigenlijk hooren Plaat I en Plaat II bij elkaar, omdat rupsen
ook larven zijn. We hebben ze evenwel afzonderlijk genomen, omdat de
larven op de eerste plaat in het algemeen minder bekend zijn. De rupsen
zijn zoo wat de eenige larven, die het publiek kent. Wel heeft iedereen
gehoord, dat uit de eieren van meikevers engerlingen komen, maar hoe
weinigen hebben een engerling gezien? O. L. Heersbeestjes kent zelfs
het kleinste kind; doch wie kent de larve? Toch moeten die er ook zijn,
want elke kever was eenmaal een larve. Wie heeft de larven van een
steekmug, van een kamervlieg, van een vloo wel eens gezien? Toch komen
er milliarden daarvan in ons land voor. Het kwam ons daarom nuttig voor
een plaat te geven, waarop verschillende soorten larven zijn afgebeeld.
Een larve is een jong insect, en de meerderheid der larven lijkt
heelemaal niet op de volwassen insecten. Uit een rups moet nog een
vlinder groeien, uit een engerling nog een meikever, uit een meelworm
nog een meeltor.
Naar haar vorm en verdere ontwikkeling kunnen wij de insectenlarven in
de volgende groepen indeelen:
Eerste groep: Primaire Larven.
I. De larve gelijkt volkomen op de imago’s, doch is alleen kleiner
en kan nog geen eieren leggen; de suikergast (73) en de
ongevleugelde dierluizen.
II. De larve gelijkt zoozeer op de gevleugelde imago’s, dat zelfs
de oningewijde haar dadelijk herkent. Ze heeft evenwel nog geen
vleugels, haar pooten zijn nog niet volkomen en ook de verhouding
der lichaamsdeelen is nog niet zooals bij de imago’s. Zulke larven
komen voor bij de rechtvleugeligen. Fig. 22 geeft een afbeelding
van een veenmollarve.
Tweede groep: Secundaire Larven.
III. De larve gelijkt eveneens zeer veel op de imago’s, heeft
evenwel ook geen vleugels, doch wel bijzondere organen, die bij de
imago’s ontbreken, b.v. trachee kieuwen, grijporganen enz. Deze
verschillen vinden haar oorzaak in de omstandigheid, dat de larven
in een andere middenstof leven dan de imago’s; zoo leeft de larve
van een glazenmaker (8) in ’t water en de imago vliegt rond in de
lucht. De organen, die noodig waren voor het leven in ’t water,
worden afgeworpen als het dier een landbewoner wordt.
Zooals reeds vroeger is opgemerkt, zegt men, dat de insecten, die
tot I behooren, geen gedaanteverwisseling hebben en die tot II en
III behooren hebben een onvolkomen gedaanteverwisseling. Het
karakter hiervan zit dus in de larve.
Derde groep: Tertiaire Larven.
IV. De larve lijkt heelemaal niet op het volwassen insect; dit komt
voor bij de rupsen, maden, keverlarven. Vóór deze larven imago’s
worden, maken ze een poptoestand door. Men zegt, dat ze hebben een
volkomen gedaanteverwisseling.
Deze larven kunnen aldus worden ingedeeld:
A. Larven zonder buikpooten.
a. met 6 goed gevormde borstpooten:
1. de larven hebben meestal een sterke chitinehuid; voorbeelden
zijn de larve van den mierenleeuw (4), van den zandkever (9),
van den poppenroover (10). Verder van waterroofkevers, O. L. H.
beestjes.
2. de larven hebben een weeke chitinehuid en zijn meest wit;
alleen de kop is krachtig gechitineerd en daardoor ook donker
van kleur. Meestal zijn deze, in tegenstelling met de vorige,
blind. Voorbeelden: engerling van meikever (5), ook die van het
vliegend hert, van mestkevers.
b. met zwakgevormde of rudimentaire borstpooten, die nauwelijks nog
tot voortbeweging kunnen dienen. Voorbeelden: larven van boktorren
(2) en houtwespen (164).
c. larven zonder borstpooten, dus geheel pootloos:
1. zij bezitten een goed te onderscheiden kop en kauwende
monddeelen; de meeste zijn weekhuidig, wit, en voeren een
verborgen leefwijze: de larven van schorskevers, bijen, wespen,
mieren, sluipwespen. Verschillende vrijlevende muggenlarven (3)
behooren ook hiertoe, en zijn in verband met deze leefwijze
sterker gechitineerd.
2. de larven bezitten geen goed te onderscheiden kop meer; de
monddeelen zijn sterk gewijzigd, teruggeloopen. Meestal
weekhuidig en wit. Hiertoe behooren de larven van vliegen, die
men ook maden noemt. Kamervlieg (1).
B. Larven met buikpooten.
Hiertoe behooren de rupsen en de bastaardrupsen. Deze zijn allen
langgerekt en meer of minder regelmatig gesegmenteerd, met duidelijk te
onderscheiden kop, die voorzien is van kauwende monddeelen; verder 3
paar borstpooten en eenige buikpooten. Rupsen vinden wij afgebeeld op
Plaat II en bastaardrupsen in fig. 6 en fig. 11. Voor oningewijden is
het moeilijk rupsen en bastaardrupsen van elkaar te onderscheiden; men
lette daarom op de volgende verschillen:
1. Een bastaardrups heeft maar 2 enkelvoudige of puntoogen, aan
iedere zijde één; een rups heeft aan iedere zijde 6 puntoogen, dus
totaal 12.
2. Een rups heeft 2 of 5 paar buikpooten; een bastaardrups heeft 6,
7 of 8 paar buikpooten. Op z’n hoogst heeft een rups dus totaal 16
pooten en een bastaardrups 22.
3. De buikpooten der rupsen bezitten een krans van chitinehaakjes;
de buikpooten der bastaardrupsen missen die.
Ten slotte houden we dit nog in ’t oog:
de rupsen groeien uit tot vlinders, de bastaardrupsen tot
bladwespen.
Poppen. Men noemt een pop den toestand, waarin een insect, dat een
volkomen gedaanteverwisseling ondergaat, verkeert, vóór het een imago
wordt. Een pop neemt geen voedsel tot zich. De poppen kunnen wij in 2
hoofdvormen onderscheiden:
1. vrije poppen; de ledematen zijn goed te zien en liggen vrij,
zooals bij den meikever (5); verder komen deze voor bij de andere
kevers, bij de vliesvleugeligen en netvleugeligen, en ook bij
enkele vliegen (7).
2. bedekte poppen of mummiepoppen; de ledematen zijn door een
kleefstof vast aan het lichaam gelijmd; daardoor zijn ze niet zoo
goed waarneembaar als bij de vrije poppen. De bedekte poppen vinden
wij de meeste vlinders en bij een deel der tweevleugeligen (1).
Dat een bedekte pop inderdaad ook dezelfde ledematen heeft als een
imago, kan ons de volgende proef leeren. Lukt het ons een rups waar te
nemen juist op het oogenblik, dat zij verpopt en wordt die pop dan
schielijk gedood door haar in kokend water te werpen, dan blijkt het,
dat alle ledematen nog vrij zijn en niet verkleefd.
Uit het voorgaande volgt, dat een pop eigenlijk een eerste
imago-stadium is en dus meer imago dan larve. Feitelijk is een pop al
een imago, ten minste uitwendig; inwendig moeten evenwel nog eenige
veranderingen plaats hebben.
Een pop kan zich niet meer verplaatsen; ook bezit zij geen enkel
verdedigingsmiddel. Daarom zorgt de larve er gewoonlijk voor, zich zoo
te verpoppen en op zulke plaatsen, dat de pop min of meer beschermd is.
Zoo verpoppen veel larven in den grond, in hout, onder steenen. De
kokerlarven verpoppen zich in kokertjes. Andere verpoppen in haar
uitwerpselen. Allerlei variaties treffen we aan. Zeer bekend zijn ook
de cocons, waarin b.v. rupsen zich verpoppen. Ook hier treden weer
allerlei vormen op. De cocons worden gevormd uit draden, die worden
voortgebracht door de spinklieren, die aan den kop zitten. Zoo’n draad
kan wel 1000 M. en meer lang zijn (zijderupsen). Het koolwitje en de
koninginnepage (14) zetten de pop met een gordel vast. De beerrups
maakt een los spinsel. Behalve de vlinders maken ook vele
vliesvleugeligen een cocon; die van mieren heeten foutief miereneieren.
Sommige rupsen geven door houtspaandertjes stevigheid aan de cocons.
Het verpoppen. Na langer of korter tijd in een rusttoestand te hebben
verkeerd, berst de pop op een gegeven oogenblik open; en voor elke
soort geschiedt dit op een bepaalde wijze. Het insect werkt zich dan
zelf de pophuid uit. Het dier is dan nog week en de vleugels zijn nog
samen gevouwen; deze beginnen zich spoedig te rekken door het inpompen
van lucht door middel van de tracheeën. De insecten, wier kleur niet
afhangt van schubben en haren, zijn eerst nog wat heller gekleurd, meer
geel-wit. Zij moeten eerst nog „uitkleuren” voor zij de goede kleur
hebben. Verder nemen we waar, dat zij na het verlaten van de pop een
druppel vloeistof kwijtraken; dat zijn de afgewerkte stoffen. Een
belangrijke vraag is hoe de insecten, die op een verborgen plaats
verpopten, die plaats kunnen verlaten. Ook hier heeft de natuur gezorgd
voor een geregelden loop van zaken. Dieren met kauwende monddeelen eten
zich een weg naar buiten. Soms heeft de rups al zoo’n weg gemaakt en
valt het dan den vlinder niet moeilijk naar buiten te komen. De pop van
de wilgenhoutrups (23) bezit doorns, die als voortbewegingsorganen
kunnen dienen; daardoor steekt de pop een eind buiten den boomstam en
kan de vlinder gemakkelijk naar buiten komen.
Hoe komt nu een vlinder door een cocon heen? Hij zondert een vloeistof
af, die het spinsel op een bepaalde plaats doorweekt of oplost, zoodat
de vlinder er gemakkelijk door kan. Andere vlinders hebben op het
voorhoofd „coconbrekers”, doorns of tandjes, waarmede de cocon zoo lang
doorpriemd wordt, tot er een opening is ontstaan. Zoo „perforeeren” ook
parasietische vliegen haar omhulsel. De vliegen, wier pop een z.g.
tonnetje is, bezitten op den kop een „kopblaas”, waarin bloed wordt
geperst door welke persing het tonnetje openspringt.
No. 1. Made en pop van Kamervlieg. (Musca domestica). De kamervlieg
legt viermaal eieren, telkens 120; totaal dus een kleine 500. Bij
voorkeur geschiedt dit in verschen paardenmest; daarom zitten
paardenstallen altijd vol vliegen. Na een paar dagen komen uit de
eieren larven, die men maden noemt. Ze hebben geen pooten, geen oogen
en maar 2 stigma’s. Van de sprieten is ook weinig meer overgebleven,
alleen een paar puntjes. Ook de kop is geheel gewijzigd; alleen een
paar haken herinneren nog aan kaken. Het diertje is van voren spits en
loopt naar achter breeder uit; ’t is slank en doorschijnend wit,
precies een wit wormpje. Alle verplaatsings- en waarnemingsorganen zijn
verdwenen. Het wordt geboren midden in het voedsel en heeft maar te
eten. ’t Is een zeer eentonig en primitief bestaan. Is er geen
paardenmest voorhanden, dan legt de kamervlieg haar eieren in andere
rottende stoffen. Afgescheiden van het groote gevaar, waaraan de
kamervlieg den mensch blootstelt, zijn de larven nuttige dieren omdat
zij den mest en anderen afval verwerken; ze behooren tot de opruimers
of vuilnismannen in de natuur. Binnen 14 dagen is de made volwassen en
is dan 9 m.M. lang; zij verpopt tot een tonnetje, waar in de vlieg zich
ontwikkelt, waarvoor 1 à 2 weken noodig zijn, al naar het weer is,
zoodat in 3 à 4 weken weer een nieuw geslacht vliegen voor den dag
komt. Wie deze larven in haar ontwikkeling wil bestudeeren, moet wat
verschen paardenmest in een flesch doen en daar kamervliegen bij
brengen. Vogels, die wel aan mest zitten te peuzelen, en kevers,
verslinden veel larven en poppen. Een Amerikaan, Howard, nam in 125
gram mest 160 larven en 146 poppen waar; dat is in 1 K.G. meer dan
2400. In één zomer kunnen 5 à 6 geslachten geboren worden, zoodat in
Augustus en September er milliarden vliegen zijn. Over de beteekenis
van de kamervlieg als overbrengster van besmettelijke ziekten spreken
wij bij No. 151.
No 2. Larve van Heldenbok. (Cerambyx cerdo). Dit is de grootste larve
van de bij ons voorkomende boktorren, hoewel ze toch zeldzaam zijn; de
larven worden tot 7 c.M. lang, terwijl de kever een lengte heeft van 3
tot 5 c.M. Deze larve is een „boorder” en leeft in eikenhout 3 à 4 jaar
voor ze verpopt. Ze komt ook wel eens voor in „bewerkt” eikenhout; ’t
is dan een vreemd gezicht als uit een meubelstuk een boktor naar buiten
marcheert.
De larve is min of meer rolrond, ovaal, en aan de voorzijde tamelijk
dik. Pooten ontbreken; men treft daarvoor enkele wratten in de plaats,
die de beweging kunnen bevorderen; daarvoor dienen ook de ruwe, veel
weerstand biedende schijven, die aan de bovenzijde zichtbaar zijn. Druk
heeft het dier zich niet te verplaatsen, want het is omringd door zijn
voedsel. Ook aan het achterlijf bezit het zulke schijven. De kop is
goed ontwikkeld en de kaken zijn stevig. Dat is een groot verschil met
de made van een kamervlieg; het hangt samen met den aard van het
voedsel. Het eikenhout moet gekauwd worden, paardenmest slechts
uitgezogen; ’t laatste is zacht voedsel. De harde kop is ingetrokken in
het voorborststuk. De larve vreet gangen in het hout dat daardoor
technisch minder waarde krijgt; de aangevallen boomen wateren
gemakkelijk in waardoor vermolming en rotting ontstaat. Op haar 3 of 4
jarigen tocht door den stam wordt van tijd tot tijd zaagsel uit de
gangen naar buiten geworpen; als men dit onder aan een boomstam vindt,
is ’t een bewijs, dat er boktorlarven in den stam zitten. Er leven ook
wel larven van houtwespen in het hout, en ook die graven gangen. Zij
werpen evenwel geen zaagsel, maar zaagselkorrels naar buiten. De kleur
der boktorlarven is wit en de huid is week; alleen de kop is harder en
meer donker. Die hardheid is noodig voor het bieden van weerstand bij
het knagen van gangen. De boktor zelf is afgebeeld onder No 62.
No 3. Larve en pop van Steekmug. (Culex pipiens). Deze larve leeft in
stilstaande wateren; zoodoende komt ze ook voor in regentonnen, in
allerlei potten, pannen en busjes of blikjes, waarin maar wat vuil
water staat. De larven van steekmuggen zijn gemakkelijk te herkennen;
zij bezitten 1º een vrijen kop, 2º bijtende monddeelen, 3º het
imago-oog is dikwijls al bij de larven te zien; dit zit in verband met
den korten poptijd, die soms maar enkele dagen duurt; 4º borstels op
het borststuk; zij staan in chitinekommetjes, 5º aan het achterlijf zit
een zijdelings geplaatste adembuis of sypho; dit is een zeer belangrijk
orgaan.
De larven zijn zwaarder dan water en toch kunnen ze aan de oppervlakte
van het water blijven hangen. Hoe kan dat? Aan ’t einde van den sypho
zit een vijflobbige plaat; worden deze lobben nu uitgeklapt, dan hangt
het dier op het water en kan tegelijk door den sypho lucht opnemen. Wil
de larve naar beneden, dan klapt ze de lobben weer dicht.
Er is ruimschoots voor gezorgd, dat het dier voldoende kan ademhalen;
het kan dit doen op 4 manieren: 1º door den sypho, 2º door 4
tracheeën-kieuwen, 3º door de teere huid en 4º door den darm. Zoo’n
larve is dus ruim voorzien.
De poppen zwemmen vrij rond; daarvoor bezitten zij aan het achterlijf
zwemlappen. Ze zijn lichter dan water en zeer beweeglijk. Aan de pop
zijn achterlijf en borststuk goed te onderscheiden; op het borststuk
zien we twee ademhalingstrechters. Door de huid schemeren de pooten al
door. De poptoestand loopt meestal binnen veertien dagen ten einde;
soms ook in korter tijd, ’t kan ook wel eens langer duren. De bijtende
monddeelen der larven wijzen erop, dat ze vaste stoffen nuttigen; voor
een deel nuttigen zij afval, ook wel kleinere diertjes. Heel kieskeurig
zijn ze niet. In polderwaters vormen zij een gewild voedsel voor de
visschen; uit dat oogpunt beschouwd zijn ze nuttig. Maar dit schijnt
ook de eenige lichtzijde voor ons aan haar bestaan te zijn. Uit de
poppen komen de geniepige steekmuggen, die ons ’s nachts uit den slaap
houden. Maar daarover vertellen we wat meer onder No. 146. Wil men de
steekmuggenlarven in de stilstaande wateren en plassen, op de platte
daken en al de vochtige plaatsen, waarvan het water toch niet als
drinkwater wordt gebruikt, dooden, dan giete men over het water
petroleum uit, dat doodend voor de larven is; bovendien belet dit voor
een deel de ademhaling. De meer afdoende bestrijdingswijzen van de
steekmuggen bespreken we later. Wil men de larven en poppen nader
bestudeeren, dan scheppe men wat slootwater en doe dit in een
wijdmondsflesch, glas of aquarium. Men kan de geheele ontwikkeling
nagaan; men ziet het vervellen, dat de larve eenige malen doet, het
verpoppen en ten slotte ook het ontpoppen, dat zeer eigenaardig
geschiedt. De larve bereikt een lengte van nog geen 9 m.M.; de pop is
nog korter.
No 4. Larve van Mierenleeuw. (Myrmeleon formicarius). Deze larve is een
der merkwaardigste dieren; zij leeft aan zonnige boschranden, in rul
zand aan wegkanten van zandige wegen. Op een vasten bodem wordt zij
nooit aangetroffen; dat staat, zooals wij zien zullen, in verband met
haar leefwijze. Zij ziet er zeer eigenaardig uit; haar lichaam is naar
achter kegelvormig toegespitst; in ’t midden is het ’t breedst om
daarna naar voren weer spits toe te loopen en te eindigen in een
breeden, platten kop. Aan dien kop treffen we twee zeer groote,
sabelvormige kaken aan. Deze kaken wijzen er op, dat de mierenleeuw een
kannibaal is. Zij grijpt haar prooi en zuigt de slachtoffers uit. Omdat
zij geen vast voedsel tot zich neemt en zich voedt met de beste sappen
van haar prooi, die zij direct zelf kan gebruiken voor haar groei,
heeft ze weinig „afval”, dat bij de andere dieren het lichaam wordt
uitgeworpen. Zij bewaart dien afval in haar lichaam; haar darmkanaal is
aan het achtereinde gesloten. Eerst als de imago uit de pop is gekomen
verlaten de „voedingsresten” het lichaam. Een roofdier of kannibaal
moet zijn slachtoffers achtervolgen, bespringen of in een val lokken.
Dit laatste nu doet de mierenleeuw. Zij graaft op een zeer handige
manier een trechter in den zandbodem; soms is die in een paar minuten
klaar en dan weer heeft ze er uren voor noodig. Stoot ze op een hard
voorwerp, op een grooten steen of boomwortel dan staakt ze haar werk en
begint ergens anders. Zoo’n trechter, door een volwassen larve
gegraven, is gemiddeld een 5 c.M. diep en 8 à 9 c.M. wijd. Is de
trechter klaar, dan plaatst de mierenleeuw zich onderin, verschuilt
zich in ’t zand en laat alleen de twee reuzenkaken naar buiten komen.
Ze is nu gereed haar prooi uit te zuigen, als die maar komen wil. Een
achteloos miertje komt aangetippeld, en nauwelijks is ’t aan den rand
van den trechter gekomen of ’t zand onder zijn voeten raakt los en hoe
harder het trapt om naar boven te komen, des te meer zand rolt er onder
zijn pooten weg en des te sneller gaat dit. Is het slachtoffer naar
beneden gevallen, dan wordt het dadelijk tusschen de twee tangen
genomen en verder bewerkt. Alleen ’t lichaamsvocht wordt opgezogen; de
harde, onverteerbare chitinehuid blijft liggen. Behalve mieren,
tippelen ook heel wat andere insecten „den kelder in”; ook spinnen
vinden daar haar graf.
Een mierenleeuw is eerst in haar tweede jaar volwassen; dan verpopt ze
en komt de imago voor den dag, die afgebeeld is op No. 115.
Het leven van een mierenleeuw is een bestaan vol risico, want komen er
geen insecten in de val, dan heeft ze ook niets te eten. Zoo kan het
gebeuren, dat ze weken en maanden vasten moeten, en dat kunnen ze goed.
Trouwens, als ze dit niet konden, waren alle mierenleeuwen al lang
uitgestorven. Alle roofdieren, die hun buit niet achtervolgen, doch
stil afwachten of er wat komt, bezitten een groot uithoudingsvermogen.
In zandstreken zijn de mierenleeuwen lang niet zeldzaam; en als men er
meer naar zocht, zou men er ook wel meer vinden. In Artis in Amsterdam
kunnen de bezoekers van het Insectarium wel eens mierenleeuwen aan ’t
werk zien.
No. 5. Larve (engerling) en pop van Meikever. (Melolontha vulgaris).
Zoo goed bekend de meikever is, zoo onbekend bij de meeste menschen is
de larve van dezen kever, de engerling. De oorzaak hiervan zit in de
verborgen leefwijze van de engerling; deze larve toch is een
grondbewoner, komt nooit aan ’t licht, en is daardoor bij ’t publiek
zoo goed als onbekend. De meikever legt de eieren in den grond. Na 3 à
4 weken komen daaruit de kleine engerlingen, die meestal gezellig het
eerste jaar bij elkaar blijven; dan zijn ze nog meer cylindervormig en
kunnen hard loopen. Later verliezen zij dit groote
verplaatsingsvermogen voor een belangrijk deel, door de sterke
ontwikkeling van het zakvormige achtereinde van het lichaam. Het dier
is witachtig, min of meer kaaskleurig, terwijl de ingewanden door het
zakvormig achtereinde leikleurig doorschemeren. De kop is roodgeel,
glanzig, fijn rimpelig; de bovenkaken zijn zwart, krachtig, en hiermede
kunnen zelfs harde wortels worden aangegrepen. Ze bezitten 6 pooten,
waarvan de voorste iets korter zijn dan de andere.
De engerlingen zijn vegetariërs. In haar jeugd leven ze van humus en
meststoffen; later van levende plantenwortels, waardoor ze tot de
gevaarlijkste kultuurvijanden behooren. Zij ontzien niets. Zachte
wortels genieten de voorkeur; zoo noodig grijpen ze alles aan. Ze
vreten dan de fijnere wortels van jonge boomen wel af, waardoor deze
bij den minsten druk omvallen.
Tegen den winter kruipen ze wat dieper den grond in; dat is een
beschutting tegen de koude. Bij ons duurt de ontwikkeling 3 jaar, in
Duitschland 4 jaar en in Oost-Pruisen 5 jaar. De ontwikkeling is
afhankelijk van plaatselijke omstandigheden en van het klimaat. In
Oost-Pruisen heerscht o.a. een vastlandklimaat, ’t is daar kouder; ook
duurt de winter daar langer.
De larven, die b.v. in 1912 in Juni uit het ei kropen, bleven in 1913
nog larven en in 1914 tot aan Juli; dan heeft de verpopping plaats. Een
meikeverpop is een vrije pop, zooals wij op het plaatje kunnen zien. In
Augustus 1914 kwamen uit de poppen reeds de meikevers te voorschijn,
doch deze kwamen nog niet aan de oppervlakte; dat geschiedde eerst in
Mei en Juni van 1915. Een meikever blijft dus wel een maand of negen
als kever in den grond. Van Augustus tot Mei kan men dus altijd levende
meikevers in den grond vinden, als men maar aan ’t spitten gaat. De
volwassen meikevers schijnen in den grond niets te eten. Merkwaardig is
het, dat de meikevers nooit te vroeg uit den grond komen; zij weten hun
tijd.
Eigenaardig is het, dat de groote engerlingen de kleine van het vorig
jaar gaarne oppeuzelen; daardoor brengt die jonge generatie het nooit
tot een sterke ontwikkeling. Intusschen komen er ieder jaar meikevers
uit, doch om de drie jaar komt de grootste massa.
Omdat de engerlingen tot onze kultuurvijanden behooren dienen wij ze te
bestrijden; dat gaat niet al te gemakkelijk, omdat zij verborgen in den
grond zitten. Men beproeft wel de volgende middelen:
1º Na een meikeverjaar kan men in ’t volgende jaar de engerlingen
uitgraven; dan zijn er duizenden te vangen.
2º Zijn graslanden hevig aangevallen, dan beproeft men de
landerijen onderwater te zetten; de larven verdrinken dan in den
grond. Het is voorgekomen, dat midden in den zomer de uiterwaarden
door stijging van het rivierwater geheel onder liepen en dat
daardoor alle engerlingen op de weilanden omkwamen. Dit geschiedde
o.a. in 1878 op de uiterwaarden van den Rijn in ons land. Hieruit
zien we, hoe snel de natuur kan werken; veel sneller dan de
menschen. In korten tijd slaat de natuur een heel leger dieren
neer. Het onder water zetten moet geschieden in den zomer omdat de
engerlingen dan dicht bij de oppervlakte zitten; ’s winters geeft
het niet, dan zitten ze veel te diep.
3º Zijn b.v. boomkweekerijen of boomgaarden door engerlingen
aangetast, dan kan men den grond moeilijk omwoelen, omdat men dan
de wortels beschadigt In zoo’n geval spuit men den grond dan in met
benzine of zwavelkoolstof; dit laatste werkt sterker, is een
heviger vergift; daarentegen verdampt benzine minder snel en houdt
haar uitwerking wat langer aan.
4º In de vrije natuur worden larven en kevers aangevallen door
schimmels, die hen dooden. Het zijn vooral de 2 draadzwammen Isaria
densa en Botrytis tenella, die heel wat opruiming onder de larven
en imago’s houden. In Frankrijk heeft men deze zwammen kunstmatig
gekweekt om daarmede de engerlingen te besmetten. Men deed dit als
volgt. Men haalt een honderd engerlingen uit den grond, legt ze op
een schotel en strooit de sporen der zwammen over de dieren uit.
Daarna legt men er wat vochtig mos over. De engerlingen zijn reeds
den volgenden dag voldoende besmet en geschikt voor verdere
verspreiding. Nu gaat men de aangetaste engerlingen „poten” in die
gronden, waar veel gezonde engerlingen huishouden; de gezonde komen
met de zieke in aanraking en worden zoodoende ook besmet. En
inderdaad heeft men ook resultaten gekregen, al had men ook meer
verwacht. Het is niet gemakkelijk onder dieren opzettelijk een
epidemie te verspreiden, omdat wij niet altijd de omstandigheden
meester zijn, waaronder zoo’n parasiet net beste gedijt. Zijn die
omstandigheden ons gunstig, dan krijgen we schitterende resultaten;
in ’t tegenovergestelde geval is ons werk van weinig invloed, en
faalt het.
Tot de natuurlijke vijanden van de engerlingen behooren de roeken
en de kraaien; die halen de engerlingen uit den grond. Dat mollen
engerlingen zouden eten is onjuist. De beschrijving van den
meikever vindt men onder No 37.
No 6. Larve (bastaardrups) en pop van Berkenbladwesp. (Cimbex
femorata). Deze larve zal wel dadelijk aangezien worden voor een rups;
zij lijkt daarop ook zooveel, dat dit niet te verwonderen is. ’t Is een
bastaardrups. Uit haar groot aantal pooten, 22, volgt al dadelijk, dat
het geen rups kan zijn, want die heeft hoogstens 16 pooten. De
berkenbladwesp behoort tot de grootste soorten. Tot haar verdediging,
als zij wordt aangeraakt, spuit de larve uit de zijden een vocht.
Vroeger dacht men, dat dit een klierproduct was; ’t is evenwel gewoon
bloed, dat door speciale openingen naar buiten komt. Deze openingen kan
de larve naar believen openen en sluiten. Alle leden van ’t geslacht
Cimbex bezitten dit vermogen. Er zijn bij ons 5 soorten inlandsch. De
larven spinnen stevige cocons, die met een dekseltje geopend worden. In
de beschrijving van Plaat XIV wordt uitvoerig gehandeld over
bladwespen. No 163 en 165 geven er afbeeldingen van. De
berkenbladwesprups voedt zich met berkenbladen en komt nooit in grooten
getale voor. Daarom heeft deze bastaardrups geen economische
beteekenis. Voor het leeren kennen van bladwespen is het een uitstekend
dier om op te kweeken.
No 7. Larve (made) en pop van Roofvlieg. (Asilus germanicus). Deze
larve is al even moorddadig als de vlieg zelve. Ze leeft in allerlei
houtmolm en ander vergaan hout, ook wel onder boomschors, en voedt zich
met allerlei insecten. Zij gaat daarbij tamelijk krachtig te werk en
boort zich zelfs in haar slachtoffer, om het des te beter te kunnen
uitzuigen. Als ze verpopt, wordt ze een mummiepop of vrije pop. Op de
afbeelding heeft deze pop iets spookachtigs. Zij heeft krachtige
haakjes aan het vooreinde en gordels van dorentjes om de
achterlijfsringen, boven en onder met haren vermengd. De laatste ring
heeft twee haakjes en meer andere uitwassen. Het is dus een heel
typische pop, zooals de afbeelding ook laat zien. De vlieg zelve heeft
krachtige pooten, en is een stoute roover. Zij valt allerlei insecten
in de vlucht aan, zet zich met haar prooi op den grond neer en zuigt
dan haar slachtoffer uit. Dat uitzuigen geschiedt met zooveel aandacht,
dat men haar dan goed kan bespieden. Jaagt men ze op, dan nemen ze haar
prooi mee. De gedaanteverwisseling is volkomen.
No 8. Larve van Glazenmaker. (Cordulea aenea). Deze larve, die een
waterdier is, staat op het punt voor de laatste maal te vervellen, en
dan een glazenmaker (78) te worden. Het dier doorloopt dus een
onvolkomen gedaanteverwisseling, want het kent geen poptoestand. Bij
deze gedaanteverwisseling doet zich nog de eigenaardigheid voor, dat de
larven door tracheekieuwen ademen en de imago door tracheeën. Bij de
laatste vervelling worden deze kieuwen afgestroopt en komen de
luchtbuizen in functie. De larven bezitten nog een ander orgaan, dat de
imago’s missen, n.l. een grijptang of vangtang; dit is de onderlip, die
uitgestrekt en weer toegeslagen kan worden. De onderlip van de imago is
wel op dezelfde wijze gebouwd, doch de onderdeelen zijn veel korter.
Deze grijptang is een machtig vangwerktuig, waarmede de prooi wordt
gegrepen. De larven behooren dan ook tot de geduchtste roovers in onze
wateren, evenals de larven van den geranden waterroofkever. In
vischvijvers zijn het gevreesde dieren, omdat zij de jonge vischjes
aanvallen. Het valt niet moeilijk met deze larven kennis te maken; met
het gewone schepnet kunnen wij ze bemachtigen. Over de glazenmakers
zelve vertellen wij in de beschrijving van Plaat VII.
No 9. Larve van Veld-Zandkever. (Cicindela campestris). Deze keverlarve
behoort evenals de kever, tot de „tijgers” onder de insecten. Ze hebben
een harden kop en scherpe kaken; als eigenaardigheid bezitten zij 2
verhevenheden op de rugzijde van het 8e segment; elke verhevenheid
eindigt in een voorwaarts gekromd haakje. Natuurlijk hebben deze dingen
haar beteekenis; ze komen haar dan ook goed te pas, om zich schrap te
zetten in haar schuilhol. De larve maakt in den bodem een verticale
gang, waarin zij op de loer gaat zitten. Door genoemde haken klemt ze
zich vast; laat zij de haken los, dan kan ze snel dalen. De gang is
niet veel wijder dan het dier dik is; bij ’t graven er van draagt zij
de aarde op den hollen kop naar boven. De larve, in haar hol
verscholen, verrast de insecten, die voorbij komen, trekt ze naar
binnen en zuigt ze uit. De resten en ook haar eigen uitwerpselen werpt
ze naar buiten. De verpopping geschiedt van half Augustus tot einde
September. Voor ze verpopt maakt de larve den bodem van de gang wat
ruimer en sluit dan de gang af. Een maand later komt de kever te
voorschijn, die spoedig zijn winterkwartier opzoekt. De kever, die al
even kannibalistisch is als de larve, is afgebeeld op No 32. Op
zandgronden komen ze algemeen voor.
No 10. Larve van Poppenroover. (Calosoma sycophanta). Deze larve doet
voor de vorige niet onder; alleen volgt zij een andere leefwijze: zij
gaat er op uit en valt haar prooi aan. Dat doet ook de kever. Omdat zij
bij voorkeur rupsen eet, en deze tot de schadelijke dieren voor onze
kulturen behooren, is de poppenroover een zeer nuttig insect.
Eigenaardig is het, dat deze larve zoo uitstekend klimmen kan. Zij gaat
de boomen in en pakt daar de rupsen aan. Daardoor is zij een groote
hulp bij het bestrijden van rupsenplagen. Jammer is het daarom, dat ze
bij ons niet wat meer voorkomt. In Duitschland komt ze veel voor en de
boschbouwers zien haar met genoegen aan ’t werk. Daarom heeft men
groote massa’s van deze kevers uit Duitschland verzonden naar Amerika,
om hen daar los te laten op de rupsen van den plakker en den
bastaardsatijnvlinder. In Amerika komen deze kevers niet voor. De tijd
moet nu leeren of ze daar willen inburgeren. Behalve rupsen peuzelen ze
ook poppen op. Vandaar hun naam. Ze worden ook wel „rupsenjagers”
genoemd. Het zou aanbeveling verdienen, dat ook in ons land beproefd
werd, wat van deze kevers in te voeren en los te laten in boomgaarden.
Misschien lukt het, misschien lukt het ook niet, want het zijn soms
geringe klimatologische verschillen, die over het leven van insecten
beslissen. Wij komen hierop nog terug als wij den kever beschrijven,
die op No 33 is afgebeeld. Een andere Calosoma, de kleine poppenroover,
is No 35.
No 11. Larve (bastaardrups) en pop van Dennenbladwesp. (Lophyrus pini).
Deze larve, die men ook wel dennenrups noemt, wat onjuist is, omdat het
een bastaardrups is, behoort tot de schadelijkste dieren, die onze
dennenbosschen aanvallen. De larve is kaal en bezit 22 pooten. De
bladwesp legt haar eieren in de naalden; zij maakt daarbij gebruik van
haar zaagvormige legboor, waarmede zij een gleuf in de naalden zaagt.
Uit de eieren komen de larven, die dadelijk aan het eten gaan; zij
beginnen bovenaan de naalden en laten de hoofdnerf staan. Er is nog een
ander geslacht bastaardrupsen: de z.g. „spinselbladwespen” die ook
naalden eten, doch die vreten stukken van de naalden af. Aan de
„vreterij” kan men dus al zien welke deugnieten aan ’t werk zijn; dat
is een groot gemak voor de boschbouwers. Er is nog een ander middel om
de booswichten, die soms hoog in de boomen zitten, te herkennen: aan
hun uitwerpselen, n.l. Die van deze bladwespen en de spinselbladwespen
verschillen zeer. In die van L. pini zijn nog zeer duidelijk de groene
stukjes der naalden te herkennen; die vormen als ’t ware dwarsstrepen.
Als wij naar rupsen zoeken in vrijstaande boomen, dan inspecteeren wij
eerst den grond onder die boomen. Vinden wij daar uitwerpselen, dan
kunnen wij daaraan ook de „boombewoners” herkennen. De kennis der
„vreetwijze” en van de „excrementen” der insecten is dus van veel
belang voor de herkenning der dieren.
Raken wij een dennenbladwesplarve aan, dan richt ze haar kop op, en er
treedt een harsachtige vloeistof uit den mond; dat is natuurlijk een
verweermiddel.
In Mei vliegen de bladwespen (zie No 165) en dan heeft de eerste
vreterij der larven nog in dezelfde maand plaats; ook in Juni
beschadigen zij de naalden nog. Dan gaan ze verpoppen en dat doen ze
dan aan de naalden, zooals op het plaatje is afgebeeld. Die poptoestand
duurt maar een paar weken en zoodoende vliegen er in Augustus weer
bladwespen, die direct eieren gaan leggen. Aldus hebben we in September
weer bastaardrupsen aan de naalden. Dat is dan de tweede generatie.
Zoodoende worden de dennen tweemaal per jaar aangevallen. De
Septemberlarven eten ook nog in October, maar dan gaan ze naar omlaag
en kruipen den grond in, waar ze een cocon spinnen om daarin den winter
door te brengen. Ligt er wat veel rommel op den grond, dan kruipen ze
niet eens den grond in, doch spinnen daarin dan een cocon. In April
verpoppen ze in dien cocon en in Mei komen de bladwespen voor den dag.
Het valt op, dat de larven van de eerste generatie net zooveel weken
leven als die van de tweede generatie maanden; deze laatste maken een
„vastentijd” van een maand 7 of 8 door. Het komt ook voor, dat sommige
larven en poppen een geheel jaar „overliggen”; daarop hebben wij
vroeger al gewezen. In koude streken komt maar één generatie per jaar
voor. De larven hebben vele vijanden, zijn zeer gevoelig voor
weersinvloeden, en worden ook wel door ziekten aangetast. Zoo kan het
gebeuren, dat er het eene jaar veel bastaardrupsen zijn en het volgende
jaar maar zeer weinig. De boschbouwer tracht op de volgende wijze deze
boombeschadigers te bestrijden:
1º In het najaar den rommel onder de boomen bijeenvegen op hoopen
en daarover ongebluschte kalk strooien. De kalk wordt gebluscht, en
door de warmte, die hierdoor ontstaat, gaan de larven in de cocons
dood.
2º Men bespuit de boomen met een petroleumoplossing; men doet er
zeep doorheen om er een emulsie van te maken, want petroleum
scheidt zich dadelijk van het water af.
Er is ook wel eens aangeraden varkens in het bosch te jagen, maar deze
„allesvreters” lusten de cocons toch niet, zoodat het niets uithaalt.
De schade door deze bastaardrupsen aan de dennen toegebracht is daarom
zoo groot, omdat deze boomen zoo langzaam groeien en zich dus moeielijk
herstellen kunnen.
No 12. Larve van Veenmol. (Gryllotalpa vulgaris). Hier hebben we te
doen met een larve, die men licht voor een imago zou aanzien; toch is
het dier nog niet volwassen. De veenmol—zijn naam zegt het al—leeft als
een mol in den grond en bij voorkeur in lossen grond, waar nog al wat
humus is., Daarin bouwt hij ook zijn nest, dat feitelijk niets anders
is dan een uitholling in den bodem. De eieren worden niet alle tegelijk
gelegd maar met tusschenpoozen, zoodat in het nest ook jongen van
verschillenden leeftijd worden aangetroffen. De larven en ook de
imago’s leven van dierlijk voedsel, terwijl ze sappige plantenwortels
ook niet versmaden. Veenmollen, die in Juni zijn geboren, vervellen in
October of November voor de derde maal. Het nieuwe pakje behouden ze
den ganschen winter, om in April of Mei voor de vierde maal te
vervellen. Een maand later heeft de laatste of vijfde vervelling plaats
en dan is de veenmol volwassen. In zijn ontwikkeling van ei tot imago
kent de veenmol dus geen poptoestand, alzoo een onvolkomen
gedaanteverwisseling. De larve behoort tot de primaire. Over den
volwassen veenmol wordt geschreven onder No 90.