In de Hollandsche namen der insecten ligt gewoonlijk de een of andere
eigenaardigheid der dieren opgesloten, die in verband staat met het
voedsel, met den tijd van het jaar, met de plaats, waar het dier leeft,
de wijze van voortbewegen, enz. enz.
Die volksnamen zijn vaak zeer sprekend.
De overgroote meerderheid der Nederlandsche insecten heeft evenwel geen
Hollandschen naam; de oorzaak hiervan ligt in de omstandigheid, dat de
spraakmakende menigte wel groote en algemeen voorkomende insecten ziet,
maar de kleinere niet.
De mannen der wetenschap evenwel hebben aan alle bekende insecten een
naam gegeven, die ontleend is aan ’t Latijn of ’t Grieksch. Die namen
gelden dan voor de heele wereld. Voor de wetenschap zijn deze namen een
groot gemak.
Een wetenschappelijke naam bestaat uit 2 deelen: een geslachts- of
familienaam en een soort- of voornaam. ’t Is evenwel de gewoonte den
voornaam achter den familienaam te zetten. Deze wijze van benoeming
danken wij aan Linnaeus, een groot natuurkenner, die leefde van 1707
tot 1778.
Een zelfde benoemingswijze treffen wij aan bij de planten; ook die is
te danken aan Linnaeus.
De gerande watertor (28) heet Dytiscus marginalis. De geslachts- of
familienaam Dytiscus beteekent, dat deze kever goed duiken kan;
marginalis, de soortnaam, beteekent „gerande”.
Van de Vanessa’s, die mooie dagvlinders, kennen we verschillende
soorten: Vanessa urticae (112), V. polychloros (114), V. Io (115), V.
antiopa (116), V. atalanta (117). Zij behooren allen tot de familie of
het geslacht Vanessa, welk woord fakkel of zon beteekent en er zeker op
wijst, dat deze vlinders alleen bij zonnig weer vliegen. Wat nu de
soortnamen betreft, zoo beteekent urticae (spreek uit: urtisee) dat
deze rups op brandnetel (urtica) leeft; polychloros beteekent:
„veelkleurige”, terwijl Io, antiopa en atalanta Grieksche meisjesnamen
zijn.
In den loop der tijden is het wel voorgekomen, dat nieuw ontdekte of
beschreven soorten verschillende namen kregen; daardoor ontstond dan
verwarring. Verschillende congressen van dierkundigen hebben al
beproefd eenheid in de benaming te krijgen en voor een groot deel is
dit ook wel gelukt, doch geheel zuiver is de toestand nog niet. Sommige
insecten hebben daardoor twee geslachtsnamen en ook wel twee
soortnamen; een oude en een nieuwe. Wij hebben die dan tusschen haakjes
geplaatst.
Achter den soortnaam wordt meestal ook de naam van den dierkundige
gezet (gewoonlijk afgekort), die het desbetreffende dier heeft
beschreven en benoemd. Een L. beteekent Linnaeus. Fab. of F. Fabricius,
enz.
Hoewel er reeds vele insecten bekend en beschreven zijn, worden er toch
telkens weer nieuwe ontdekt; die krijgen natuurlijk dan een nieuwen
naam. Er zijn nog vele streken van de aarde, die uit een entomologisch
oogpunt nog geheel braak liggen. Ook zijn wij nog niet geheel bekend
met de insecten, die in ons eigen land voorkomen, al zijn de meeste dan
ook wel beschreven. Op entomologisch gebied zijn dus inderdaad nog vele
nieuwe dingen te vinden; vooral de biologie, de leer van het leven in
de vrije natuur, vraagt nog vele beoefenaars. En ieder, wie hij ook
zij, en wat zijn maatschappelijke positie ook moge wezen, kan zich
verdienstelijk maken voor de wetenschap, door het doen van
stelselmatige, correcte, juist beschreven waarnemingen.
Thans gaan wij over tot de beschrijving der afzonderlijke dieren, die
op de plaatjes zijn afgebeeld.