Zullen wij ook insecten gaan opzetten? En we zouden willen vragen:
Waarom niet? Als het alleen ons doel is om maar wat dieren opgeprikt te
hebben, dan zeggen we, neen, laat dat opzetten maar na. Doch is ’t ons
ernstig streven om het maaksel der dieren te leeren kennen, om hen
onderling te leeren vergelijken, om den vorm van verschillende organen
te bestudeeren, dan hebben wij materiaal noodig, en moeten wij
verschillende insecten opzetten.
Wie in dit opzetten iets wreeds ziet, vergist zich zeer, want de
insecten worden eerst bedwelmd en sterven dan, zonder pijn. Wij
gebruiken chloroform en dat bevalt ons uitstekend. Men kan het aldus
aanwenden. Men neemt een reageerbuisje van stevig glas; de wijdte
regelt zich naar de grootte van het dier. Op den bodem van het glas
brengt men een stukje watten, en giet daarop wat chloroform; het buisje
wordt met een kurk luchtdicht gesloten. Wenscht men nu een dier te
dooden, dan wordt het vlug in het buisje gebracht, dat direct weer
gesloten wordt. Binnen enkele seconden is het dier bedwelmd; bovendien
hangt dit af van de hoeveelheid chloroform, die op het watje is
gegoten. De chloroformdampen trekken door de luchtbuizen het lichaam in
en zonder pijn wordt het dier gedood.
Het dooden op deze wijze is dus in ’t geheel niet wreed. De gewone
manier waarop vlooien en andere parasieten, ook steekmuggen, worden
doodgedrukt of doodgeslagen, is inderdaad heel wat wreeder. Natuurlijk
heeft het altijd iets stootends een dier te dooden, maar daarover
moeten wij ons heenzetten. Bovendien is het nog de vraag, wat voor een
insect aangenamer is, met chloroform te worden bedwelmd of door een
ander dier met huid en haar levend te worden verslonden. Want op dit
laatste draait het gewoonlijk in de vrije natuur uit.
Zijn de dieren gedood, dan worden ze opgezet in doozen met een bodem
van turf. Die doozen zijn in den handel. Men kan ze ook zelf maken,
want turfplaten zijn voor enkele centen te koop. Dit neemt niet weg,
dat wij toch maar liever aanraden de doozen te koopen; die zijn keurig
afgewerkt en sluiten uitstekend. Een insectendoos moet goed sluiten,
anders gaan de dieren schimmelen.
De doode insecten worden met spelden vastgezet; hiervoor worden
speciale spelden in verschillende dikte gebruikt; men noemt ze
insectenspelden, welke bij de handelaars verkrijgbaar zijn. De gewone
huishoudspelden deugen niet; ze zijn te dik en er komt roest bij.
Kevers prikt men gewoonlijk in den bovenhoek van den rechtervleugel; de
andere insecten door het borststuk. Al naar de verzamelaar dat zelf
wenscht, kan hij de vleugels „spannen”, de pooten „strekken”. Bij
vlinders kan ook wel de roltong worden uitgezet.
Heel wat oefening is er noodig om de vleugels van vlinders, libellen,
sprinkhanen, netjes te spannen. Men gebruikt daarvoor spanborden; een
eenvoudige vorm is een blokje hout, waarin een gleufje is gezaagd. De
spanspelden zijn steviger dan de gewone. In het gleufje wordt het
lichaam van het insect geplaatst en de vleugels worden links en rechts
op het plankje uitgespreid, en vlak gehouden door reepjes papier, die
met spelden worden vastgezet. Alleen door veel oefening krijgt men
handigheid de vleugels vlak te spannen en niet te beschadigen. Men kan
deze dieren ook éénzijdig spannen, door slechts één voor-, en één
achtervleugel daarvoor te gebruiken.
Van belang is het, dat bij elk dier een etiket wordt geplaatst, waarop
vermeld staan de Hollandsche en Latijnsche naam, de tijd en de plaats,
waar het dier gevangen is. Meerdere bijzonderheden, b.v. omtrent het
aantal, de aangerichte schade, kunnen in een afzonderlijk schrift
worden vastgelegd.
Over het opzetten van insecten zouden we nog veel kunnen schrijven; ook
over de verschillende manieren om de dieren te dooden. Maar dan zouden
wij te uitvoerig worden. De beginner heeft aan ’t medegedeelde genoeg,
en al doende leert men.