„Mylady, gij spot. Geloof mij, nog nimmer heeft een zoo diep

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 41 EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER.

EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER.

EERSTE HOOFDSTUK.

HET VERLOREN OMSLAGDOEKJE.

In het graafschap Brecknock, in Zuid-Wales, bevindt zich een gebergte,

de Black Mountains, dat veel bezocht wordt door toeristen.

Ten noorden daarvan ligt het stadje Brecknock.

Dit is voornamelijk een uitgangspunt voor niet al te groote tochten

door het gebergte, welke veelvuldig worden ondernomen door Londenaars,

die een uitstapje willen maken.

Zij kunnen uitstekend onderdak bekomen in een goed ingericht hotel, dat

gedurende de zomermaanden druk wordt bezocht en zelfs aan de hoogste

eischen voldoet.

In dat hotel houdt gedurende het reisseizoen dikwijls een deftig

publiek zijn verblijf, dat, na den 887 meter hoogen Beacon te hebben

beklommen, hier van zijn rust geniet, plannen maakt voor verdere

uitstapjes, flirt en geniet van de uitstekende maaltijden in het

hotel.— —

Het was laat in den namiddag van een warmen dag in Juni, toen een dame

van opvallende schoonheid in elegant reiscostuum de conversatiezaal van

het hotel binnentrad.

Drie heeren volgden haar.

Het vertrek was leeg, maar in de aangrenzende rookzaal, die door een

ondoorzichtige glazen deur van de conversatiezaal was gescheiden,

bevond zich een heer, die, een sigaret rookend, op zijn gemak en

oogenschijnlijk in gedachten verdiept, in het ruime vertrek heen en

weer liep.

Toen hij de binnentredenden bemerkte, deed hij de wijdopenstaande

verbindingsdeur een weinig verder dicht. Hij wilde voorkomen, dat de

rook zijner sigaret de dame zou hinderen.

Deze lette echter net op de beleefdheid van den vreemdeling, noch op de

heeren, die vol ijver naderkwamen om de dame van mantel en parasol te

ontlasten; zij nam in een fauteuil plaats, gejaagd haar handschoenen

uittrekkend.

De dame scheen zeer ontstemd te zijn.

Haar kleine mond was dichtgeknepen en toonde de neergebogen lijn, welke

men op het gezichtje van kleine kinderen zoo dikwijls ziet, als hun

iets wordt geweigerd.

Tusschen de wenkbrauwen vertoonde zich een rimpel van toorn, de donkere

gloedvolle oogen vonkelden strijdlustig.

Men kon het aan de dame zien, dat zij slechts op een gelegenheid

wachtte om haar toorn te kunnen koelen aan het een of andere

slachtoffer.

De drie heeren hadden intusschen aan een kellner hun

toeristenuitrusting afgegeven en keken met heimelijke blikken naar de

dame, die nog steeds met haar handschoenen bezig was.

„Nu, liefste, mag ik je een of andere verversching laten brengen?”

vroeg de oudste der heeren op kalmen, bezadigden toon.

„Dankje! Ik heb niets noodig!” was het korte, kattige antwoord.

Op mismoedigen toon sprak de aldus afgesnauwde heer:

„Ik begrijp niet, dat men door het verlies van iets, wat men zich weer

terug kan koopen, zoo ontstemd kan zijn!”

Snel wendde de dame zich tot den heer en sprak op heftigen toon:

„Mijnheer mijn echtgenoot vergeet geheel en al, dat mijn Indische shawl

niet terug te krijgen is.

„Ik kreeg hem van dien Indischen onderkoning persoonlijk ten geschenke

voor mijn medewerking aan het hof. De kostbare kanten doek hangt nu aan

dien verwenschten den op het mooiste punt van den Beacon.

„En dit verlies zou weer te herstellen zijn?”

„Als mevrouw niet zoo hevig had gezwaaid met den sluier, dan— —” de

persoon, die het waagde, deze schertsende woorden te uiten, zweeg

verlegen, toen de vonkelende oogen hem aankeken.

„De groet, dien ik naar het dal zond, gold mijn liefste vrienden, die,

zooals gij, baron, hebt gezien, zich aan den voet van den berg

bevonden. Ik ben niet in staat om de innigheid mijner gevoelens bij het

groeten af te meten.”

„Maar daarbij mag de vermolmde houten leuning niet zoodanig gaan

wankelen, dat wij allen angst krijgen, dat het met u in de diepte zal

storten.

„Als mijnheer uw echtgenoot daarom u, mevrouw, eenigszins onzacht

terugtrok, waardoor gij den kostbaren doek liet vallen, dan is toch

alleen zijn bezorgdheid voor u de oorzaak daarvan.

„Wees dus niet langer boos, mevrouw. Verander het booze Junogelaat in

het liefelijk lachende van Aphrodite!”

De aldus sprekende nam de hand der schoone vrouw en bracht die galant

aan zijn lippen.

De dame glimlachte hem toe, en sprak zuchtend:

„Uw alom bekende, oude galanterie, Lord Westerbull, brengt mij mijn

shawl niet terug!”

Vol ijver antwoordde de Lord:

„Mevrouw, ik wed om honderd pond, dat gij uw shawl morgen terug zult

hebben. Ik breng hem u terug!”

„Pardon, Lord, ik breng hem terug. Neen, neen, gij moogt mij niet

terugwijzen. Ik verwed er ook honderd pond om, dat ik hem terug breng!”

De jonge man, die eerst had gezwegen voor de toornige oogen der Lady,

uitte nu deze woorden tegen den galanten Lord Westerbull, welke een

bekend Don Juan was.

„Ik deponeer de som onmiddellijk. Als ik verlies, dan zal het geld

vervallen aan de Londensche armen.

„Als ik win, dan zal Lord Westerbull het genoegen hebben om te betalen.

„Neemt gij de weddenschap aan, Lord?”

„Natuurlijk, baron. Hier met uw honderd pond.”

Beide heeren haalden hun portefeuilles te voorschijn, en namen er ieder

een banknoot uit, die zij op tafel legden.

De Lord richtte zich nu tot den echtgenoot der schoone dame met het

verzoek, de banknoten te bewaren als onpartijdig getuige, totdat de

weddenschap zou zijn beslist.

De Lord willigde hun verzoek in en sprak:

„Ik leg het bedrag in deze kleine portefeuille. Zij bevat alleen de

twee banknoten en zal pas als de weddenschap is beslist, worden

geopend.”

Bij deze woorden haalde hij een kleine portefeuille van

krokodillenleer, voorzien van een slot, te voorschijn, legde de

banknoten erin, sloot de portefeuille en overhandigde den sierlijken

kleinen sleutel aan de dame, die hem aan haar horlogeketting

bevestigde.

Glimlachend sprak hij:

„Gij ziet, mijne heeren, dat het bedrag goed bewaard is. Dubbele

sluiting!”

Het tooneeltje had de schoone dame blijkbaar geamuseerd. Met een

neerbuigend hoofdknikje nam zij den sleutel in ontvangst, wierp den

Lord een geheimen blik van verstandhouding toe en sprak:

„Ik zal blij zijn, heeren, als ik weer in het bezit zou geraken van

mijn eigendom. Weest echter voorzichtig! Ik zou ontroostbaar zijn, als

u een ongeluk overkwam!”

Beide heeren bogen gevleid en verzekerden, dat hun voornemen om den

omslagdoek van den dennenboom, boven op de bergen, te halen, vlak bij

het uitzichtspunt, geen gevaren meebracht.

„Ik stel voor,” viel Lord Morvill in de rede, „dat de heeren eerst

krachten verzamelen voor het aanstaande avontuur en voor de doorgestane

vermoeienissen van het uitstapje. Gij zult uwe krachten noodig hebben.

Tracht die te verzamelen aan de goede tafel in de eetzaal!”

Dit voorstel vond algemeenen bijval en het gezelschap begaf zich naar

de eetzaal.

Toen men het salon had verlaten, kwam de vreemdeling uit den rooksalon

te voorschijn.

Hij had het geheele gesprek mede aangehoord.

Een ironisch glimlachje speelde om zijn lippen, zijn blik volgde de

vier zich verwijderende personen.

Hij belde den kellner en bestelde een flesch wijn. Toen de kellner deze

voor hem neerzette, vroeg de vreemdeling op onverschilligen toon:

„Kunt gij mij misschien vertellen wie de personen waren, die zooeven de

conversatiezaal verlieten?”

„O zeker, mijnheer! Het was de rijke Lord Morvill met zijn jonge, mooie

vrouw, Lord Westerbull en baron Coxwell.”

„Vertoeft Lord Morvill reeds langen tijd hier?”

„De Lord bezoekt Brecknock zeer dikwijls. Hij heeft bezittingen hier in

den omtrek, welke hij onlangs heeft verpacht. Zeer lang logeert hij

reeds in ons hotel. Bij zijn eventueel verblijf hier worden voor hem

altijd dezelfde kamers op de eerste verdieping gereserveerd.”

„Zoo, zoo, welke kamers zijn dat?”

„Slechts drie, want de Lord is hier altijd zonder bedienden. Een salon

en twee slaapkamers, nrs. 1–3.”

„Zeg eens, kellner, heb ik u vroeger niet in Londen gezien? Uw gezicht

komt mij zoo bekend voor.”

„Best mogelijk! Ik was daar langen tijd in betrekking in Hotel

Imperial. Gij kent dat zeker wel. De heeren, die ik zoo even noemde,

ken ik reeds uit die dagen. Vooral Lord Westerbull, van wien allerlei

pikante avonturen de ronde doen.”

„Ik weet het, ik weet het!”

Met deze woorden sneed de vreemdeling den woordenvloed van den kellner

af, die, naar het scheen, gaarne iets van deze „pikante avonturen” ten

beste zou hebben gegeven en niet kon nalaten nog te zeggen:

„Het zou mij niet verbazen, als de mooie Lady een magneet was voor den

Lord. Maar ik durf het natuurlijk niet met zekerheid zeggen.”

De vreemdeling keek den kellner met scherpen blik aan en sprak op

gemoedelijken toon:

„Mooi is de Lady, bijzonder mooi.”

Op listigen toon antwoordde de kellner:

„Zeker, zeer schoon en daarbij een engel, die gaarne uit den hemel

neerdaalt om ons arme stervelingen gelukkig te maken.”

„Hoe bedoelt gij dat?”

„Nu, nu,” en, alsof hij verlegen was, kuchte de man, „ik bedoel er

eigenlijk alleen mee, dat de Lady goedhartig is. Men huwde haar op

jeugdigen leeftijd uit aan den veel ouderen Lord, die, wat geen geheim

is in Londen, een bijzondere beruchtheid had als zwiertol.

„Zou het dus te verwonderen zijn, als de Lady zich wreekte? Booze

tongen beweren dat.”

„Gij schijnt goed op de hoogte te zijn van de schandaaltjes uit onze

hoofdstad, mijn waarde.”

„Och, als men in Hotel Imperial in betrekking is geweest, hoort men

veel.”

„Dat is waar. Maar wees toch een beetje voorzichtig met uw woorden, gij

zoudt anders wel eens in onaangenaamheden kunnen geraken.”

De vreemdeling stond op en gaf den kellner een geldstuk. Zonder het

bedrag, dat hij terug moest ontvangen, aan te nemen, begaf hij zich

daarop langzaam naar buiten.

Hier bedacht hij zich een oogenblik, ging naar zijn kamer, stak een

paar voorwerpen in zijn zak en verliet daarop het hotel.

Hij sloeg den weg in naar den top van den Beacon.

De straatweg liep langs het uitzichtspunt, waar de shawl der Lady naar

beneden was gevallen.

Na ongeveer drie kwartier had de vreemdeling het uitstekende punt

bereikt en hij zag, geleund tegen de wankelende houten leuning, den

shawl hangen op den grooten denneboom.

Door den wind was hij van den top afgewaaid en nu hing hij geheel

beneden aan een tak.

De vreemdeling glimlachte en mompelde:

„Lady, het geluk dient u! Ik zal den doek voor u gaan halen. John

Raffles behoeft immers niet altijd bij zijn bezoeken iets te halen, hij

kan ook wel eens iets brengen. Gij verdient het evenwel niet, want gij

zijt bezig den jongen Wilkens te verleiden. Ik wil u echter aan mij

verplichten.”

Vastberaden monsterde hij de rotsen, die onder het uitzichtspunt steil

naar beneden gingen en weldra ontdekte hij een geschikte kloof, die het

hem mogelijk maakte om naar beneden te klimmen.

Ieder onzer zou door een duizeling zijn aangegrepen.

Nu eens boven een afgrond hangend, dan weer zich aan een struik

vasthoudend, glijdend, voorzichtig zijn voeten neerzettende, kwam hij

steeds dichter bij het uitstekende rotspunt, waarop de hooge den zijn

takken uitstrekte.

Nu moest hij nog een sprong wagen om van een der rotsblokken den grond

te bereiken.

Slechts zeer geoefende turners konden dezen sprong wagen, want de

wortels van den dennenboom groeiden boven den grond en maakten het

neerspringen zeer moeilijk.

Raffles echter sprong naar beneden, alsof hij een acrobaat was, voor

wien dergelijke dingen kleinigheden waren en weldra stond hij aan den

voet van den boom.

„Nu naar boven,” mompelde hij verheugd. „De harsige stam bevalt mij

echter niet, mijn luchtreis mag mijn kleeren niet bederven.”

Hij haalde onder zijn jas een netjes opgerold touw te voorschijn, dat

op regelmatige afstanden van knoopen was voorzien.

Aan het eene uiteinde bevond zich een haak, aan het andere een ijzeren

ring. Handig slingerde hij het eene uiteinde, waaraan de haak was

bevestigd, over den tamelijk hoogen eersten tak. Ten gevolge van zijn

zwaarte viel het touw weer naar beneden.

De groote onbekende verbond nu het eind van het touw met den ring en nu

kon hij zich tamelijk gemakkelijk optrekken.

Op den eersten tak staande, maakte hij het touw los en herhaalde deze

manoeuvre met een anderen tak.

Steeds hooger klom de vermetele.

Eindelijk was het hem onmogelijk nog hooger te klimmen. De takken

dreigden te breken.

De shawl hing echter aan het uiterste dunne puntje van een twijgje, dat

men onmogelijk met de hand kon bereiken.

Alle moeite scheen vergeefs te zijn geweest.

Nu haalde John Raffles een instrument te voorschijn, dat soms in Italië

wordt gebruikt gedurende den carnavalstijd. Een soort schaar, die

gevormd wordt uit kruiselings over elkaar liggende houtjes en die bij

het openen, naar gelang van het aantal houtjes, soms eenige meters lang

wordt.

Daar zat de vermetele nu hoog op een onveiligen boomtak, terwijl de

steeds sterker wordende wind om hem heen blies. Hij zat daar zoo

behaaglijk, alsof de tak een gemakkelijke schommelstoel was en met de

geopende schaar trachtte hij het doekje te grijpen.

De schaar bleek echter een klein beetje te kort te zijn.

Maar de wind kwam hem te hulp, want door een sterkere windvlaag werden

de takken in schommelende beweging gebracht. Zij kwamen dichter bij

elkaar—en met een handige beweging werd de vluchteling gegrepen.

De groote onbekende kon hem naar beneden trekken en veilig onder zijn

vest bergen.

Het neerdalen ging sneller in zijn werk. Ongedeerd bereikte hij den

voet van den denneboom en nu zocht de koene klimmer een gemakkelijken

weg om weer boven op de rotsen te komen dan dien, langs welken hij was

afgedaald.

Het gezelschap had zich intusschen in de eetzaal te goed gedaan. Lord

Westerbull vatte het plan op om zijn mededinger voor te zijn en liet

den niet zeer geestigen baron het terrein bij de schoone Lady vrij.

Deze laatste had er altijd pret in om den bekrompen, mallen en ijdelen

baron een beetje voor den gek te houden en hem haar geestelijke

meerderheid te laten gevoelen.

In zijn groote ingenomenheid met zichzelf en zijn aangeboren goedigheid

vatte hij het dikwijls bittere sarcasme der schoone vrouw in het geheel

niet op als een beleediging.

Het verheugde hem zelfs, wanneer de dame hem tot mikpunt harer

spotternijen verkoos.

Hij meende haar hatelijkheden te mogen opvatten als een teeken van haar

levendige belangstelling voor zijn persoon.

De Lord had reeds lang zonder opzien te verwekken de tafel verlaten, in

allerijl een paar flinke bedienden van het hotel aangenomen en was

reeds met deze onderweg om den verloren shawl van den denneboom terug

te halen, toen baron Coxwell nog altijd schuddend van lachen naar de

spottende opmerkingen der schoone Lady zat te luisteren.

Hij scheen zijn weddenschap totaal vergeten te hebben.

Eindelijk echter viel het hem op, dat de Lord was verdwenen.

Langzaam ging hem een licht op, hij begon te begrijpen, dat de ander

hem voor was en op geërgerden toon riep hij uit:

„Ach, de Lord schijnt van plan te zijn, de weddenschap van mij te

winnen; dit zal hem echter niet gelukken!”

Daarna stond hij op en nam afscheid van de Lady na herhaaldelijk te

hebben verzekerd, dat hij de weddenschap zou winnen.

Van het hotelpersoneel vernam hij, dat zijn mededinger met een paar

mannen, die zich voorzien hadden van ladders, stokken en touwen, reeds

eenigen tijd geleden naar het uitzichtspunt was gegaan.

Snel volgde hij dit voorbeeld, deed moeite om lieden te krijgen,

beloofde dezen een groote belooning en haastte zich nu ook met zijn

helpers naar den berg.

Zoowel Lord Westerbull als later de baron ontmoetten onderweg den hun

onbekenden gast van het hotel, die uit de gereedschappen, welke de

heeren bij zich hadden, dadelijk begreep, wat deze van plan waren.

Met spottende blikken, maar schijnbaar bezorgd, vroeg hij den heeren,

of er misschien iemand was verongelukt, wien hulp gebracht moest

worden.

Lord Westerbull gaf hem alleen een ontkennend antwoord, de baron echter

vertelde den vreemdeling onmiddellijk de geheele geschiedenis, welke

deze zeer goed kende, waar naar hij echter vol belangstelling

luisterde.

Hij wenschte den baron veel succes met zijn onderneming en slenterde

doodkalm naar het hotel terug.

Op de hoogte aangekomen, wachtte Lord Westerbull een groote verrassing.

De Indische shawl hing natuurlijk niet meer aan den dennenboom en was

ook in den omtrek nergens te zien.

De baron had dezelfde verrassing.

Toen deze aankwam, waren de lieden van den Lord ijverig bezig, de

rotsen af te zoeken en de menschen, die de baron had meegenomen gingen

hetzelfde doen.

Terwijl de beide heeren vanaf een veilig plekje mistroostig naar het

gevaarlijke werk der lieden keken, begon de avond te vallen.

De invallende duisternis maakte verder zoeken onmogelijk, zoodat dit

gestaakt moest worden, en beide partijen onverrichter zake huiswaarts

moesten keeren.

Zwijgend en beschaamd kwamen de heeren terug, toen het reeds volslagen

donker was.

Zij vernamen in het hotel met vreugde, dat de Lady zich reeds naar haar

kamer had begeven en zij namen zich voor, hun nasporingen den volgenden

dag voort te zetten...

Het was nacht.

De bewoners van het hotel lagen in diepe rust, geen enkel geluid

stoorde hen.

De toeristen hadden zich reeds, vermoeid van hun uitstapjes, vroeg ter

ruste begeven; nieuwe gasten werden niet verwacht, daar geen treinen in

den laten avond te Brecknock aankomen.

In de gang van het hotel brandde alleen een matte gasvlam.

Daar werd voorzichtig de deur van kamer no. 5 geopend.

Een spookachtige, pikzwarte gestalte trad te voorschijn, keek naar de

gasvlam en draaide die uit, sloop daarop naar kamer no. 3 en luisterde.

Een langgerekt gesnurk van Lord Morvill was hoorbaar.

Tevreden glimlachte het zwarte spook en begon voorzichtig aan het slot

van kamer no. 2 te werken; dit bood eerst weerstand, daarop klonk een

zwak krakend geluid en de deur was geopend.

Weer luisterde de zwarte, doch geen geluid werd vernomen.

Wel klonk verwijderd hondengeblaf in zijn ooren, maar dit was

onschadelijk en stoorde niet den slaap van het echtpaar Morvill, in

wier vertrekker de indringer nu binnentrad.

Hij bevond zich in het salon, dat beide slaapkamers scheidde!

De Lady sliep in kamer no. 1.

Onhoorbaar zweefde het spook, niemand anders dan John Raffles, naar het

bed der Lady, dat slechts zwak werd beschenen door een nachtlicht.

Op het nachtkastje lag het horloge met den ketting, waaraan het

sleuteltje van de portefeuille van den Lord was bevestigd. Zacht nam

hij dat sleuteltje eraf en verdween er mee in het duister.

Hij begaf zich nu naar de slaapkamer van den Lord, waar het volkomen

donker was.

Hier zag hij zich genoodzaakt om zijn electrische zaklantaarn, die

speciaal voor dergelijke doeleinden was ingericht, te laten schijnen.

De gloeipeer was omgeven door een halven boog, welke slechts een

uiterst smalle, maar buitengewoon helderen, sterken lichtstraal liet

doordringen, waardoor nimmer de omgeving, doch alleen het bedoelde

voorwerp werd verlicht.

De kleeren van den Lord lagen op een stoel.

De leeren portefeuille bevond zich er niet in.

Raffles naderde nu het bed, belichtte de hoofdkussens, waarbij hij er

wel voor zorgde, het gelaat van den slapende niet door een lichtstraal

te treffen.

Hij bemerkte, dat de Lord de gezochte portefeuille onder zijn

hoofdkussen verborgen had met nog eenige andere voorwerpen.

„Dezen keer stel ik alleen belang in het geld,” mompelde Raffles en

begon voorzichtig de portefeuille te voorschijn te halen.

Het was een geduldwerk, want de Lord lag op zijn rug en maakte het werk

uiterst moeilijk.

Ten slotte gelukte het echter.

De groote onbekende opende de portefeuille, nam er het geld uit en borg

er in plaats daarvan een briefje in, dat hij van te voren reeds had

geschreven.

Daarop sloot hij de portefeuille en wilde die weer onder het

hoofdkussen schuiven.

Plotseling eindigde het gesnurk en de Lord bewoog zich.

Raffles doofde zijn lamp uit en bleef onbeweeglijk staan.

Onverstaanbare geluiden mompelend, wierp de slapende zich op zijn

zijde; hij was half wakker, maar viel weldra weer in een diepen slaap.

Nu viel het Raffles gemakkelijk om de portefeuille tusschen de kussens

te schuiven.

Hij keerde terug naar het slaapvertrek der Lady. Terwijl hij den

sleutel weer bevestigde, kon hij het engelachtig schoone gelaat der

slapende vrouw bewonderen.

Hij kon den blik niet van haar gelaat afwenden, met snelle schreden

trad hij nader en voorzichtig knipte hij eene kleine, donkere lok af

van het prachtige haar.

Daarop haalde hij uit zijn zwarte kleeren den Indischen doek te

voorschijn, benevens een klein bouquet rozen en legde beide met een

briefje op het nachtkastje.

Onhoorbaar verdween hij nu weer.

Plotseling ontwaakte de Lady, alsof zij de nabijheid van den

vreemdeling had waargenomen. Het kwam haar voor, alsof een schaduw door

de kamer zweefde.

Luisterend hield zij haar adem in, zonder zich te bewegen. Rondom haar

heerschte volkomen stilte. Gerustgesteld sloot zij langzaam de oogen en

sliep weer in.

Terwijl de zachte geur haar omzweefde en de God der droomen haar naar

de zonnige rozenakkers van Perzië voerde, verliet Raffles onopgemerkt

de kamers en verdween in zijn eigen vertrek.

Toen de weddende heeren den volgenden morgen opnieuw aan het zoeken

wilden gaan, ontvingen zij beide een anoniem briefje van den volgenden

inhoud:

„Doe geen moeite meer, de shawl is gevonden en reeds in het bezit

gesteld van de eigenares.”

Met zeer gemengde gewaarwordingen lazen zij dit bericht, dat volgens

hun meening van den Lord kwam en wachtten in de conversatiezaal van het

hotel op de komst van het echtpaar.

Zij lieten niet lang op zich wachten.

De Lady vertelde den heeren, dat zij wel innig verheugd was geweest,

toen zij bij het ontwaken het verloren voorwerp en de heerlijkste rozen

had gevonden, maar dat zij absoluut niet kon begrijpen, hoe deze dingen

in haar slaapkamer waren gekomen.

Toen zij den brief had geopend, had diens inhoud haar zeer doen

ontstellen, want de brief luidde:

„Mylady!

Daar het mij bekend is, dat het verlies van den kostbaren doek u

zeer ter harte zou gaan, verheugt het mij bijzonder, u hierbij uw

eigendom terug te bezorgen.

Op deze wijze hebben de baron en Lord Westerbull beiden de

weddenschap verloren. Ik zal mijn best doen om de verloren inzetsom

aan de armen van Londen te doen toekomen.

Met hoogachting,

JOHN C. RAFFLES.”

„Hoe?” riep de baron uit, „Raffles, die gauwdief, die schurk, is ons

voor geweest? Ongelooflijk? Ongehoord!”

„Hoe komt die kerel op de hoogte van onze weddenschap?” vroeg Lord

Westerbull, ten zeerste verbaasd.

„Ja, maar het mooiste is, dat hij onze inzetsom zoodra mogelijk aan de

Londensche armen wil doen toekomen. Dat is onmogelijk, dat bedrag is

veilig opgeborgen in mijn portefeuille en de Lady heeft tot op dit

oogenblik het sleuteltje ervan veilig bewaard. Overtuigt u zelf, mijne

heeren!—Liefste, geef mij het sleuteltje eens!”

De Lady overhandigde hem het gewenschte en deze opende de portefeuille.

Als door een wesp gestoken, stoof hij echter overeind, onderzocht

haastig alle afdeelingen en haalde uit de geheel ledige portefeuille

slechts een briefje te voorschijn, dat het volgende behelsde:

Quitantie.

Hiermede geef ik u in dank quitantie wegens 200 pond sterling ten

behoeve van de Londensche armen.

JOHN C. RAFFLES.

Terwijl de heeren elkaar stom van verbazing aankeken, barstte de Lady

uit in een schaterend gelach. Zij lachte tranen en de heeren wisten

niet beter te doen dan gedwongen mee te lachen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE NAGEMAAKTE SLEUTELS

In haar rijk en deftig ingericht boudoir lag de schoone Lady Morvill in

achtelooze houding op haar divan. Naast haar zat op een laag stoeltje

de elegante Lord Westerbull en keek de schoone vrouw diep in de

prachtvolle oogen.

Hij had op hartstochtelijken toon tot haar gesproken, haar kleine hand

gevat en drukte nu een kus daarop.

De Lady liet hem begaan en sprak op schertsenden toon:

„Dus gij bemint mij, Lord, en hoopt op mijn wederliefde? Beken mij

eerst eens, hoeveel vrouwen hebt gij voor mij op dezelfde wijze

toegesproken?

„Neen, neen, geen uitvluchten! Ik ken de mannen precies. Vandaag dweept

gij met de eene, morgen met de andere. Het liefst echter met degenen,

die reeds een ander toebehooren.”

„Mylady, gij spot. Geloof mij, nog nimmer heeft een zoo diep gevoel in

mijn hart gezeteld als—”

„Als op het oogenblik, waarop gij mij hebt gezien en nimmer zal deze

onuitwischbare indruk uit uw hart verdwijnen.

„Deze uitdrukkingen zijn mij bekend, Lord, zooals gij hoort. Het zou

mij werkelijk aangenaam zijn eens iets anders, iets origineelers, van

een aanbidder te hooren dan altijd dezelfde woorden.

„Dat gij mij bemint of denkt lief te hebben, noem ik gaarne aan als

iets, dat vanzelf spreekt.

„Ik ken uw licht ontvlambaar hart, uw lichtzinnigheid.

„Maar als gij meent, dat een vrouw van mijn soort zoo gemakkelijk te

veroveren is als een jong, onervaren meisje, vergist gij u. Mij kan een

flinke, energieke man veroveren, iemand, die iets voor mij waagt!”

De Lord sprong op.

„Zeg mij, wat ik voor u zal wagen. Ik ben geen lafaard en als het erop

aankomt, sta ik mijn man. Spreek! Zeg mij, wat ik zal doen en het zal

geschieden!”

Vol twijfel het mooie hoofd schuddend, keek de Lady hem van terzijde

aan en sprak:

„Deze groote geestdrift zou spoedig voor iets anders plaats maken, als

ik een ernstig bewijs verlangde!”

„Neen, nooit! nooit! Ik bezweer u, stel mij op de proef!”

„Nu goed dan, Lord. Ik zal zien of gij woord houdt. Misschien komt de

tijd, waarin ik uw diensten noodig heb, dan zullen wij er verder over

spreken. Stil, daar komt iemand!”

De kamenier der Lady trad binnen en bracht op een zilveren blad een

visitekaartje. De dame las het en sprak tot den Lord:

„Baron Coxwell.”

Daarop zei ze tot de kamenier:

„Verzoek mijnheer binnen te komen.”

Met een reusachtigen bouquet in de hand trad de baron binnen, groette

den Lord met een korte buiging, snelde daarop naar de dame, wier hand

hij vol eerbied aan zijn lippen bracht en sprak, terwijl hij haar zijn

reuzenbloemruiker aanbood, met nasaal geluid:

„Staat gij mij toe, dat ik, ten teeken mijner oprechte vereering en

terwijl ik innig verheugd ben, u zoo opgewekt te zien, u deze Flora’s

kinderen aanbied?

„Ik hoop, dat haar geuren u genot zullen verschaffen. Evengoed als deze

bloemen gedoemd zijn om te sterven zou ook ik met genoegen mijn leven

voor u opofferen, Mylady!”

„Inderdaad, baron? Maar hoe zou het zijn, als die gelegenheid zich

inderdaad eens voordeed?”

Eenigszins bedremmeld stamelde de baron:

„Gelegenheid? Waartoe?”

„Wel, om u op te offeren! Evenals deze bloemen, die voor mij moeten

sterven!”

De dame nam den bouquet uit de handen van den baron en snoof den geur

der bloemen op.

„Sterven? Mylady schertst! Men sterft toch zoo maar niet! En dan—ik zou

u de vraag willen stellen: waarom sterven en met welk doel?

„Vindt gij ook niet, Lord Westerbull?”

De aangesprokene knikte bevestigend met het hoofd en keek in gespannen

aandacht naar de dame, die, dit begreep hij, het een of andere plan

had.

Lady Morvill keek met een glimlach naar haar aanbidders en sprak:

„Nu, heeren, gij zult beiden zekerheid hebben omtrent mijn wenschen.

Gij beweert alle twee, uw leven voor mij te willen opofferen. Stel u

gerust, ik eisch uw leven niet, doch ik wensch, dat gij mij in kennis

brengt met den beroemden—Raffles.”

Beide heeren staarden de Lady aan, alsof zij een spook zagen.

Na een pauze vond de baron het eerst woorden, terwijl de Lord nerveus

aan zijn snor plukte.

„Mevrouw! Gij, een dame van den hoogsten rang en stand, wilt Raffles

leeren kennen, dien schurk, dief en aartsschelm—en wij—maar dat is

immers ten eenenmale onmogelijk!

„Lord Westerbull, wat zegt gij hiervan?”

„Ik denk, dat Lady Morvill met ons schertst en er niet in ernst aan

denkt, dat wij in staat zijn om haar wensch te bevredigen!”

„Zeer juist, Lord, zeer juist. Wij kunnen ons toch onmogelijk met een

misdadiger bezighouden en dat nog wel met een, die ons reeds te pakken

heeft gehad!”

„Betreurt gij die honderd pond zoo zeer, baron? Ik dacht, dat de grap

die som wel waard was geweest.”

„Wel, mevrouw, het is niet om het geld, doch bedenk eens, hoe wij door

dit geval geblameerd zijn.

„Mijnheer uw echtgenoot heeft het geheele geval in de club verteld en

nu lacht geheel Londen ons uit. Het is verschrikkelijk!”

„De Londensche armen zullen waarschijnlijk niet veel van het geld

hebben gekregen. Geen penny hebben zij ervan gezien!”

Lord Westerbull riep deze woorden uit en liep opgewonden heen en weer.

„Gij vergist u,” antwoordde de Lady op kalmen toon, „zij hebben precies

200 pond gekregen!”

De dame nam een pakje van een klein tafeltje.

„Hier ziet gij een aantal brieven. In deze brieven bedanken arme

gezinnen mij voor giften van 5 tot 10 pond, welke zij uit mijn naam

hebben ontvangen en welke ik niet heb afgezonden.

„Ik wist niet, wat dit alles beteekende, totdat ik heden dit briefje

ontving. Het luidt:

„Mylady!

„De 200 pond zijn uit uw naam verdeeld tusschen arme gezinnen,

welke ik ken. Wanneer zich weer een gunstige gelegenheid mocht

voordoen ondersteuning te krijgen voor mijn beschermelingen, dan

zal ik niet in gebreke blijven die aan te grijpen.

Hoogachtend

JOHN C. RAFFLES.”

„De duivel moge hem halen!” riep de Lord uit, „de kerel heeft

karakter!”

„Ik ben het geheel met u eens, Lord,” sprak de Lady op scherpen toon,

„daarom wil ik John Raffles leeren kennen en gij, mijne heeren, moet

mij daarbij helpen. Wilt gij of niet?”

„Ja—als—als—men maar wist hoe. Ik kan—dien Raffles toch niet—in alle

misdadigersholen gaan zoeken!” stamelde de baron.

„Daar zou men hem ook niet vinden,” meende de Lord spottend. „Iemand

als Raffles, dien niemand kent, wiens uiterlijk niemand nauwkeurig kan

omschrijven, die steeds zonder handlangers werkt, er vandaag zoo en

morgen weer geheel anders uitziet, is geen bewoner van „White-Chapel!”

„Zoekt hem dan, heeren. Hij moet toch ergens te vinden zijn!” sprak de

dame spottend. „Of zijt gij misschien bang voor uw portefeuille?”

„Lady, uw spot is onverdraaglijk. Goed dan, ik zal Raffles zoeken en

hem ook vinden. De gevolgen komen echter voor uw rekening!”

Lord Westerbull boog voor de Lady en sprak:

„Ik zal over eenige dagen komen om u bericht te brengen.”

Met deze woorden wilde hij gaan.

De baron hield hem tegen.

„Neem mij mede, Lord. Wij zullen samen overleggen, hoe wij den wensch

der Lady ten uitvoer kunnen brengen, want het spreekt van zelf, Mylady,

dat ook ik mij naar uw wenschen voeg.”

De baron kuste nogmaals de vingertoppen der dame en nam met diepe

buigingen afscheid.

Toen Lady Morvill alleen was, wierp zij den ruiker achteloos op tafel

en ging een oogenblik voor een grooten spiegel staan, welke haar

heerlijke gestalte en het bekoorlijke, rijkgelokte kopje weerspiegelde.

Met sierlijke bewegingen ordende zij een paar weerspannige krulletjes.

Daarop gleed een glimlachje van voldoening over haar gelaat. Zij wist,

dat zij schoon was en zij wilde het zijn. Juist nu wilde zij het.

Met lichten tred schreed zij een reeks vertrekken door en bleef toen

luisterend voor een deur staan.

Deze deur gaf toegang tot een bureau, waarin op dit oogenblik een

knappe, jonge man van 22 jaar zat.

Toen Lady Morvill de deur opende, zag zij een bejaarden heer, die

tegenover den beambte zat. De kleeding van den vreemdeling verried den

dorpeling. Een blauwe bril met opvallend groote glazen bedekte het

bovenste gedeelte van het gelaat, terwijl een volle baard het onderste

deel daarvan omgaf.

De Lady wilde zich snel terugtrekken, toen zij den vreemdeling zag.

De jonge particuliere secretaris van den Lord, Johnny Wilkens, sprong

echter snel op en volgde de dame in het aangrenzende vertrek.

„Wie is die man?” vroeg de Lady haastig.

„Een vriend van mijn moeder, die haar heeft ondersteund. Hij is

eenigszins doof en woont te Liverpool. Hij wilde naar mijn welstand

informeeren en kwam daarvoor hier.”

„Gauw, Johnny, zeg mij of je hebt gedaan, wat ik je opdroeg!”

„Yes Mylady,” sprak Wilkens op fluisterenden toon, „ik kreeg de

sleutels, welke ik liet maken, vandaag.”

„Goed, dan blijft het bij de afspraak. Vergeet niet, dat de

geldswaardige papieren in het bovenste vak van de brandkast liggen. Nog

heden wil ik vrij zijn aan je zijde.

„Ik verwacht je om 11 uur in het tuinhuis!”

Snel boog zij zich naar hem toe en kuste hem hartstochtelijk, daarop

keerde zij naar haar boudoir terug.

Als betooverd staarde de jonge man de wegijlende na. Hij had eenige

oogenblikken noodig om tot zich zelf te komen en weer naar den vriend

zijner moeder terug te gaan.

Als Wilkens zich haastig naar de deur had begeven, had hij kunnen

opmerken, dat de eenvoudige, doove man, van daar wegsloop en zacht

mompelde:

„Drommel! Zoo ver is het dus al gekomen! Ik ben juist nog op tijd

hier!”

Wilkens keerde naar het bureau terug.

De bezoeker stond op van den stoel, welken hij schijnbaar niet had

verlaten en sprak op goedigen toon:

„Nu, Johnny, het wordt mijn tijd. Ik heb je moeder en jou gezien. Gij

zijt gezond, jou gaat het hier goed, dus wat wil men nog meer. Ik moet

mij haasten, anders mis ik den trein naar Liverpool!”

„Leef wel, Mr. Jenkins, leef wel!” sprak de secretaris, drukte de

handen van den man en vergezelde hem naar de deur.

Naar het venster gaande, zag hij Mr. Jenkins de villa verlaten.

Daarop haalde hij langzaam drie kleine sleutels te voorschijn,

luisterde en ging de studeerkamer van den Lord, welke aan het bureau

grensde, binnen.

Haastig liep hij naar de groote brandkast, die in een hoek der kamer

stond en probeerde een der sleutels.

Deze paste.

Tevreden glimlachend ging hij hierop weer terug.

Een rijtuig hield voor de villa stil, Wilkens wierp een schuwen blik

uit het venster en mompelde:

„De Lord!”

Snel nam hij eenige acten ter hand, zoodat ieder, die hem zag zitten,

moest gelooven, dat de jonge man in zijn werk verdiept was.

Intusschen was de Lord het huis binnengegaan; hij begaf zich

onmiddellijk naar zijn weelderig ingerichte studeerkamer en van daar

door de met zware gordijnen behangen verbindingsdeur naar het bureau,

waar zijn geheim-secretaris, de jonge Wilkens, zat te werken.

De Lord overhandigde hem eenige papieren met het bevel, de noodige

aanteekeningen in de contoboeken aan te brengen en begaf zich daarna,

zonder de verwarring van den jongen man opgemerkt te hebben, naar het

boudoir der jonge Lady.

Wilkens wierp een blik op de papieren en mompelde:

„Alweer die oneerlijke wijze van zaken doen op de Beurs en het misbruik

maken van zijn voorname relaties. Wee den Lord, als men in zekere

kringen te weten komt, op welke wijze hij zich verrijkt!”

Daarop ging Wilkens aan het hem opgedragen werk.

De Lord ging het boudoir zijner echtgenoote binnen. Zij lag,

uitgestrekt op den divan, te lezen. Zij deed alsof zij zeer verrast was

en het onaangenaam vond, in haar interessante lectuur gestoord te

worden.

Kortaf en op eenigszins onvriendelijken toon sprak de Lord, een stoel

nemend:

„Neem mij niet kwalijk, als ik je stoor. Ik moet je echter spreken!”

„Ga je gang!” antwoordde de Lady even kort.

„Ik ontmoette zooeven Lord Westerbull en baron Coxwell. De laatste,

die, zooals je weet, altijd moet praten, vertelde mij van je vreemden

wensch betreffende Raffles.

„Ik moet nog opmerken, dat een dergelijke opdracht als die, welke jij

dien heeren hebt gedaan, een Lady Morvill onwaardig is.”

„Omtrent dat, wat mijner al of niet waardig is, mag Lord Morvill

allerminst critiek uitoefenen,” antwoordde de Lady op scherpen toon,

„ik wensch daaromtrent geen instructies te krijgen!”

Geërgerd riep de Lord uit:

„Ik moet toch vriendelijk verzoeken, een anderen toon aan te slaan en

niet te vergeten, wien je voor hebt!”

De Lady lachte gedwongen:

„Juist omdat ik dat laatste niet vergeet, richt ik mijn toon daarnaar

in. Overigens is het zeer goed, als bij deze gelegenheid eens

opheldering tusschen ons komt en onze wederzijdsche positie wordt

bepaald!”

„Dat is ook mijn wensch,” viel de Lord haar haastig in de rede, „ik zal

in een paar woorden die zaak tot klaarheid brengen.

„Als mijn echtgenoote heeft Lady Morvill voor alles haar plichten

jegens mij te vervullen en zich geen vrijheden te veroorloven, die in

strijd zijn met de maatschappelijke zeden en gewoonten.

„Ik duld het niet langer, dat Lady Morvill overal wegens haar

excentrieke ideeën over de tong gaat en er een heirleger aanbidders op

nahoudt, hierdoor de wereld aanleiding gevend, allerlei geruchten in

omloop te brengen, die ook mijn naam schaden.”

De Lady lachte luidkeels.

„Ik ben werkelijk nieuwsgierig om te hooren, wat er nog te bederven was

aan de reputatie van Lord Morvill, die bekend staat als de grootste Don

Juan en boemelaar der geheele wereld.

„Neen, mijnheer mijn echtgenoot, ik ben uw ijverige leerlinge geweest,

gij hebt van het onschuldige jonge meisje een ervaren vrouw van de

wereld gemaakt.

„Draag er nu de gevolgen van!

„Wij zijn niet meer in de middeleeuwen. Toentertijd was het nog de

gewoonte om weerspannige vrouwen te verbannen naar het een of andere

kasteel en daar achter dikke muren opgesloten te houden.

„In den tegenwoordigen tijd heeft de vrouw dezelfde rechten, wil zij

evengoed genieten als de man, die alle rechten voor zichzelf wil hebben

en ons het liefst de plichten op zou willen dragen.

„Gij, Lord Morvill, weet te leven. Ja, meer dan dat, gij geniet het

leven als een woesteling en mij zoudt gij aan de wereld willen

vertoonen als een opgesierde pop, waarmee gij pronkt en om wier bezit

gij bewonderd en benijd wilt worden.

„Waag het eens, mij aan banden te leggen! Waag het eens!

„Ik weet allang, dat de heeren der schepping dit allen wenschen te

doen, maar ik verzeker u op mijn woord, dat ik alle banden, zonder

onderscheid, zou verbreken! Vrijheid wensch ik, onbeperkte vrijheid!”

De schoone vrouw was opgesprongen en met vonkelende oogen, als een

godin der wraak, stond zij hoog opgericht en dreigend voor den Lord,

die niet kon nalaten haar schoonheid te bewonderen.

De Lord begreep, dat hij den boog te sterk had gespannen, hij bond

daarom in en sprak op kalmen toon.

„Waarom dadelijk zoo driftig, lieve? Ik wensch alleen, elk schandaal te

vermijden, lastertongen geen voedsel te geven. Begrijp toch, dat ik in

jouw belang spreek. Je five o’clock tea heeft in den laatsten tijd

aanleiding gegeven tot allerlei babbelpraatjes. Het zou zeer gewenscht

zijn, als je ook eens dames ontvingt, die in je salons tot de

zeldzaamheden behooren!”

„Ik zal ook voortaan mijn bezoekers volgens mijn eigen smaak kiezen.

Bemoei u alstublieft even weinig met mijn avonden als ik dat doe met

die, welke gij op de alleraangenaamste wijze doorbrengt in de kleine

villa Victoria.”

De Lord schrikte.

Wat wist zijn vrouw van deze villa, de getuige zijner heimelijke

liefdesavonturen?

Hij voelde zich overwonnen en krabbelde daarom haastig terug.

„Ik begrijp uw woorden niet! Ik ken geen villa Victoria!”

„Werkelijk niet? Uw verlegenheid bewijst het tegendeel. Gij weet nu,

dat ik de villa en haar geheimen ken! Ik hoop, dat dit u voldoende is.”

De Lady nam haar boek weer op, dat zij in haar drift had laten vallen,

strekte zich uit op den divan en sprak op onverschilligen toon:

„Ik geloof, dat ons onderhoud is afgeloopen. Laat mij verder lezen!”

Zij verdiepte zich schijnbaar weer in haar lectuur.

De Lord stond op en wierp een blik vol bewondering en woede

tegelijkertijd op de schoone vrouw.

Hij had gemeend, dit bekoorlijke wezen tot een speelbal zijner luimen

te kunnen maken en nu moest hij inzien, dat hij alleen een demon in

haar had opgewekt, die hem nog wel eens zeer gevaarlijk zou kunnen

worden.

Met een korten groet verliet hij het boudoir.

Toen hij was heengegaan, slingerde de Lady het boek op den grond.

Diep ademhalend fluisterde zij:

„Onverdraaglijk is het! Ik wil vrijheid! Vrijheid! Wie zal mij die

verschaffen?”

DERDE HOOFDSTUK.

DE VRIEND DER ARMEN.

In het vrij uitgestrekte park, dat de villa, welke Lord Morvill

bewoonde, omgaf, bevond zich een tuinhuis in het achterste gedeelte.

Het was een Japansche koepel, die met gezellige hoekjes, zachte zetels

en divans tot dolce far niente uitnoodigde.

Tegen de donkere kruinen der boomen, die er omheen stonden, stak het

dak in heldere, sprekende kleuren volgens Japanschen smaak gekozen,

zeer af.

De maansikkel wierp haar zilveren stralen over het park, spookachtige

schaduwen der reuzenboomen over de kiezelpaden werpend.

De koepel werd weinig gebruikt door de bewoners der villa. Zelfs de

bekoorlijke eigenares bezocht slechts zelden dit heerlijke plekje.

Des te meer moest het opvallen, dat nu, in het late avonduur, een

donkere gestalte haastig den koepel trachtte te bereiken. Af en toe

voorzichtig omkijkend, zocht zij zich in de schaduw der boomen

verborgen te houden.

Toen zij de deur, die toegang gaf tot den koepel, had bereikt, zette

zij een zwaar voorwerp op den grond en draaide haastig den sleutel der

deur om.

Snel nam zij het donkere voorwerp op, dat zij op het grint had

neergezet.

Een straal maanlicht verried, dat het een groote en, naar het scheen,

zware reistasch was.

De donkere gedaante verdween in het tuinhuis.

Toen zij de deur achter zich had gesloten, kwam een zucht van

verlichting van haar lippen.

Uitgeput van het snelle loopen en van angst, gezien te worden, viel zij

op een rustbed neer en sloeg haar sluier terug.

De maan, die onbescheiden door de vensters keek, verlichtte het gelaat

van de bekoorlijke Lady Morvill.

Van een kerktoren op eenigen afstand klonk de slag van een half uur.

Lady Morvill luisterde en haalde haar klein, met paarlen en brillanten

versierd horloge te voorschijn. Met een enkelen blik zag zij, dat het

half elf was. In haar haast en ongeduld was zij ongeveer een half uur

te vroeg gekomen.

Toen zij tot deze ontdekking kwam, vertoonde zich een ontevreden

uitdrukking op haar gelaat.

Zij plukte zenuwachtig aan het kleine kanten zakdoekje, dat zij in de

hand hield en haar sierlijk voetje stampte vol ongeduld op een

tijgervel.

Daarna stond Lady Morvill op en liep het vertrek vol ongeduld door.

Eindelijk leunde zij tegen de vensterruiten van het tuinhuis en staarde

met vast opeen geklemde lippen naar buiten in het park.

Het maanlicht bescheen het fijnbesneden gelaat, het een uitdrukking

gevend van ijzige koude, hoewel in haar binnenste een storm woedde van

tegenstrijdige gewaarwordingen.

„Nog een half uur!” fluisterde zij.

Als de torenklok elf slagen verkondigde, zou haar gevangenis zich voor

haar openen. Zij zou de vrijheid, waarnaar zij reeds zoo lang

verlangde, terug krijgen.

Reeds lang was het plan in haar gerijpt om den Lord dien zij dagelijks

meer haatte, te verlaten. Zij hoopte, in den vreemde een geluk te

zullen deelachtig worden, dat zij tot dusverre niet had gekend.

Tot dusverre hadden haar echter de middelen ontbroken om te kunnen

vluchten. Haar bruidsschat, omgezet in solide effecten, werd door den

Lord in zijn brandkast bewaard, waar van alleen hij de sleutels bezat.

Daar zij nimmer had geleerd, zich in iets te bezuinigen, kon zij van

het speldegeld, dat de Lord haar op ruime wijze deed toekomen, niets

overhouden.

Plotseling kwam na den dood van den vroegeren geheimsecretaris van den

Lord de jonge Wilkens in zijn plaats in huis. Het knappe uiterlijk en

de groote onervarenheid van den jongen man bevielen de Lady, die tot

dusverre in haar omgeving slechts Don Juans van de ergste soort en

fatten had ontmoet.

Zij bemerkte met haar vrouwelijk instinct dadelijk, dat de jonge man

vanaf het eerste oogenblik bekoord was door haar schoonheid.

Zij omstrikte hem meer en meer in haar netten, aanvankelijk alleen

omdat de naïeve bewondering van den jongen man haar beviel.

Weldra echter bouwde zij een afschuwelijk plan op haar macht, welke zij

over den jongen Wilkens had. Hij moest haar de behulpzame hand bieden

om de langgewenschte vrijheid te herwinnen.

Bij een kort onderhoud, dat zij in den tuin met hem had, wist zij, door

hem al de ellende af te schilderen, die zij aan de zijde van haar

echtgenoot te verduren had, en door een koketterie, waarin zij

meesteres was, den jongen man tot een belofte te bewegen, dat hij haar

zou helpen om haar bruidsschat terug te krijgen.

Zij wierp zich den onervaren jongen man, om zoo te zeggen, in de armen,

vertelde hem van haar gloeiende liefde en bezwoer hem, met haar te

vluchten.

Geheel verward en bijna gek van geluk, gaf de knappe jonge man haar

zijn woord, alles te zullen doen, wat deze sirene van hem verlangde.

Zij eischte nu al spoedig, dat hij wasafdrukken zou nemen van de

sleutels der brandkast en valsche sleutels zou laten vervaardigen. Dan

moest hij, als de gelegenheid zich voordeed, haar bruidsschat wegnemen

en met haar vluchten.

Daar Wilkens haar had medegedeeld, dat hij in het bezit was van de

sleutels, had zij dezen nacht voor de vlucht bestemd.

De tijd was gunstig gekozen, want Lord Morvill placht op den dag,

waarvan sprake was, eerst laat of in het geheel niet thuis te komen.

In het centrum der stad had hij een woonhuis voor den winter en daar

overnachtte hij, als hij de geheimzinnige villa Victoria verliet.

Toen Tom, de oude kamerdienaar van den Lord, Johnny Wilkens dien avond

vroeg, waar hij dacht te soupeeren, had deze slechts een kop thee op

kantoor besteld en daarop den ouden, getrouwen Tom weggestuurd met de

opmerking, dat hij nog veel te werken had.

Hoe meer het oogenblik naderde, waarop John zou ophouden, een

fatsoenlijk mensch te zijn, des te heviger bonsde zijn hart.

Hij schrok terug voor de daad, welke hij ten uitvoer zou brengen.

Met het hoofd in de hand verzonk hij in gedachten. Het verdriet zijner

oude moeder kwam hem voor den geest. Hij zag haar weenen om den

verloren zoon.

Het was hem, alsof zij de handen smeekend naar hem uitstrekte:

„Johnny, mijn kind, mijn lieveling, doe het niet! Bezoedel je handen

niet aan eens anders goed. Respecteer het eigendom van je

medemenschen!”

Langzaam vervloog het beeld van zijn moeder in een nevel en aan de

andere zijde verscheen de zinbekorende sirene. Zij glimlachte den

jongen man verleidelijk toe, haar volle blanke armen legden zich om

zijn hals en hij meende, haar gloeiende kussen te voelen.

Daar sloeg het van den torenklok kwart voor elf.

John schrikte en, nog onder den indruk van het visioen, stond hij

vastberaden op.

Ja, het moest en zou gebeuren.

Hij wilde deze schoone vrouw winnen en mocht haar niet laten wachten.

Er was nog slechts een kwartier over.

Hij snelde naar de brandkast en opende die met den valschen sleutel.

Het waardevolle pakket lag in het bovenvak.

Reeds strekte hij zijn hand uit om het te grijpen, toen die hand van

achteren werd vastgehouden. Op hetzelfde oogenblik werd hij achteruit

getrokken en voordat een enkel geluid over zijn lippen kon komen,

voelde hij een prop tusschen de tanden.

Van schrik verloor hij het bewustzijn.

Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij op de sofa in de

studeerkamer, weliswaar gemakkelijk, maar het was hem onmogelijk zich

te bewegen. Voor hem stond een gemaskerde man, den hoed over het

voorhoofd getrokken, gehuld in een donkeren mantel.

Toen de gemaskerde zag, dat Wilkens weer tot zichzelf was gekomen,

sprak hij op gemoedelijken toon:

„Je bent nog niet handig genoeg als collega van mij, mijn jongen. Wees

dus blij, dat ik je help, de politie zou je gauw te pakken hebben en

dan zou je suikerzoete Lady je leelijk in de modder laten zitten.

„Nu ben je gered en met een eerlijk geweten kun je verklaren, dat niet

jij, maar Raffles de brandkast heeft leeggeroofd.

„Opdat je deze verklaring ook echter kunt bewijzen, leg ik een

kwitantie in de brandkast.”

Raffles had het pakket met geldswaardige papieren onder zijn mantel

geborgen, een kwitantie voor het gestolen bedrag geschreven en die in

de brandkast gelegd, waarvan hij de deur aan liet staan.

Wilkens keek naar elke beweging van den gemaskerde, zoover zijn boeien

hem dat veroorloofden.

Vol ontzetting geloofde hij in hem den man te herkennen, die zich Mr.

Jenkins had genoemd, die hem dien middag nog had bezocht om hem de

groeten van zijn moeder over te brengen.

Voordat de gemaskerde heenging kwam hij nogmaals naar Johnny toe en

sprak op dreigenden toon:

„Mijn jongen, als je niet afziet van die slang, de schoone Lady, ben je

verloren. Niet telkens kan, zooals dezen keer, John Raffles je voor een

misdaad behoeden.”

Met deze woorden wendde de groote onbekende zich naar de deur en

verliet de kamer.— —

Nadat Lady Morvill voor den honderdsten keer het vertrek had

doorgeloopen, bleef zij vol ongeduld weer bij het kleine venster staan.

Lord Lister No. 0041: Een weddenschap zonder winner · 第 1 / 4 段