Als ik eens naga wat roem is, roem van heldendaden, roem
van overwinningen door groote veldheeren bevochten, dan
benijd ik die veldheeren niet,
En ik benijd evenmin den President in zijn presidentschap,
noch den rijkaard in zijn paleis,
Maar wanneer ik hoor spreken over de broederschap van hen
die elkaar liefhebben, hoe zij leefden,
Hoe zij zijde aan zijde gingen door het leven, door gevaren,
den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor elkaar, heel
den langen weg,
Van jeugd tot manzijn en van manzijn tot grijsheid, hoe fier
zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en getrouw,
Dan word' ik stil--ik ga haastig voort vervuld van den
bittersten nijd.