Een korte inleiding schijnt mij gewenscht. Van een reis, in 1892, door
de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bracht ik als kostbaarste
herinnering de _Leaves of Grass_ van Walt Whitman mee. Tijdens mijn reis
ging er geen dag om zonder dat ik iets van hem las, en nog lang daarna
nam ik dagelijks het boek op om te herlezen. Diep was de indruk geweest,
dien ik van den arbeid en het leven der Noord-Amerikanen had ontvangen,
diep was de indruk, dien ik van de _Leaves of Grass_ ontving. Deze
poëmen, docht mij, geven een kort begrip van wat ik met bewondering en
eerbied, soms met verbijstering heb gezien; zij zijn een verkleind beeld
der geweldige republiek, het leven van Amerika verpuurd door liefde en
denken van een universeel dichter. Toch geven zij meer dan de
"athletiscihe republiek": zij openen heerlijke visioenen van wording,
ontwikkeling en voortgang in steeds groeiend recht: het Universum
aanschouwd door een Amerikaan, wien de Menschheid eens een plaats zal
aanwijzen te midden der groot-edelsten van allen tijd.
Anderhalf jaar: te Chicago, Berlijn en Genua, gaf ik aan de vertaling
van wat thans wordt gepubliceerd. Dit is niet de geheele _Leaves of
Grass_, wel de geheele Whitman, zooals hij zich in de _Leaves_
openbaart. De dichter herhaalt hier en daar wat hij gezegd heeft: er was
geen reden die herhalingen te vertalen; buitendien liet ik mij door mijn
smaak leiden. Er zijn enkele poëmen in de _Leaves of Grass_, die mij
niet bezielen, wat natuurlijk aan mij en niet aan Whitman ligt. Zoo ook
zijn eenig berijmd gedichtje _Captain, my captain_, dat ik onvertaald
liet, uit eerbied voor het rijm, en wijl Whitmans karakter als dichter
toch het heerlijkst in ongebondenheid zich uit. Niettemin was het
denkbeeld mij een gruwel een salon-Whitman te geven. In mijn vertaling
spreekt de bard zich uit met dezelfde zware en toch zoo zielvolle stem,
die de zijne is, ruw soms, duister soms, maar altijd verheven, altijd
menschelijk, altijd natuurlijk.
Mijn loon was mijn arbeid-zelf. Wat kon ik inderdaad van mijn vertaling
verwachten? Behalve door Emerson, Whittier, Thoreau, in Amerika niet, in
Europa, behalve door Tennyson en Rosetti, weinig gewaardeerd, is Walt
Whitman arm en ongeacht gestorven, nadat hij, om de "onzedelijkheid" van
de _Leaves of Grass_, uit een betrekkinkje aan een ministerie te
Washington was ontslagen. Wat ik niet verwachtte, een kleine twintig
jaar geleden, was het bezwaar om _Grashalmen_ gedrukt te krijgen. Indien
ik Whitman fatsoenlijk had willen maken--wat men een bloemlezing noemt,
uit zijn _Leaves of Grass_--zou ik niet bijna vijf jaren hebben behoeven
te wachten voor een uitgever geneigd was althans een deel van Walt
Whitmans werk te publiceeren. Dit evenwel leek mij toen beneden den
eerbied dien ik voor den bard gevoelde: mijn vertaling zou in haar
geheel of niet verschijnen. Zij verschijnt nu, wel is waar niet in haar
geheel, maar toch in haar schoonste fragmenten.
Wàt, in dezen tegenspoed, kon mij teleurstellen? Niets. Walt Whitman kon
wachten, ik had geen haast. Indien mijn levensgeluk afhankelijk ware
geweest van mijn literair succes, zou ik zeer beklagenswaard zijn. Mijne
boeken vinden weinig lezers: het verlies daarvan is niet geheel aan mijn
kant. Het verwonderde noch ontmoedigde mij, dat ik jaren had te wachten
eer men mijn _Grashalmen_ wilde publiceeren. De anderhalf jaar met
Whitman doorleefd, schonken mij een levenswinst, die noch door eenig
succes kon vermeerderd, noch door eenigen tegenspoed kon verminderd
worden.
Over Walt Whitman en zijne _Leaves of Grass_ wil ik hier weinig zeggen.
Mijn vertaling geeft de maat aan van de bewondering en de liefde die ik
voor deze heerlijke twee-eenheid gevoel. Misschien toch kunnen een paar
verklarende woorden hem een of twee _lovers_ meer winnen. Men moet de
_Leaves of Grass_ niet nemen als gedichten, Walt Whitman niet als
dichter. Om een paar dichters van onderscheiden genie te noemen: Keats,
Kloos, Heine, Verlaine: naar hun beteekenis is Walt Whitman geen
dichter. Noch kan hij gemeten worden naar welken dichter ook: zijn
zangen zijn als symphonieën, en men denkt soms aan Beethoven, wanneer
men hem leest.
De oer-dichter was de man, door veel strijd, veel denken, veel leven
hoog en groot geworden, richter, leider, priester, zanger van zijn volk.
Hij verkondigde wat recht was, deugd, liefde en schoonheid. Wat hij
sprak was de natuurlijke wijsheid van een God-gewijde ziel, door
innerlijke aanschouwing en nog meer door het vuur des levens gelouterd.
Maat en rijm kende hij niet, van verzen had hij nooit vernomen, wat men
poëzie noemt had geen zin voor hem, maar beter dan eenig ander wist hij
wat harmonie was en schoonheid. Hij had de menschheid lief en kende haar
zwakheid en lijden, haar kracht en vreugde. Hij bezat dien oppermoed,
die, geboren uit een onbedaarlijke zucht naar vrijheid, voorbeschikt om
alleen en hoog te staan te midden der menschen. Het leven had enkel
bekoring en de dood geen verschrikking voor hem. Dus had zijn volk hem
erkend als richter van allen, leider van allen, priester en zanger
tevens. Ziehier, in de tweede helft der negentiende eeuw, in een
samenleving, de Noord-Amerikaansche, die nog aan het begin harer
geestelijke vorming staat, de oer-dichter in Walt Whitman herboren, maar
verworpen door zijn volk, omdat de menschen van heden niet natuurlijk
kunnen zijn.
Aldus moet de lezer Whitman beschouwen, wil hij hem begrijpen; zijne
poëmen, zijne zangen zijn geen gedichten; het zijn visioenen;
uitspraken, wetten, poëzie, zoo gij wilt, maar poëzie als erts, zooals
het gevonden wordt in de Ilias, in het Nibelungenlied, in de Veda's, in
de Psalmen, in het Hooglied.
Wie lezen wil om zich te amuseeren, poëzie wil genieten als een zoete
zielestreelinig, bekoorlijk door fraaie rijmen, lichten cadans en
gedachten zwevend tusschen banaliteit, weemoed en burgermans
verliefdheid, dien heeft Walt Whitman zelf terecht gewezen: de _Leaves
of Grass_ zijn niet voor hem of haar. Wien het gegeven is vrij te zijn
van voor-oordeel, wie de schoonheid kan zien, ook wanneer zij in
ongewonen vorm verschijnt, wie zich-zelf wil geven aan den dichter en
het lezen steeds wil afwisselen door lang en rustig nadenken, dien opent
Whitman grootsche verschieten van sterke liefde in de goddelijke eenheid
van lichaam en ziel, dien schenkt hij moed, hoop en zelfvertrouwen.
Wat mijn vertaling betreft: zij zal hare gebreken hebben, maar, wie mij
ook het tegendeel zegge, ik weet dat zij goed is, als geheel. Whitmans
vlucht door Tijd en Ruimte, niettemin, is soms zoo verheven, dat ik hem
slechts heb kunnen volgen door lager te Wijven dan hij; op andere punten
is de vertaling, onder het werk-zelf, en, natuurlijk zonder dat die
bedoeling voorzat, beter geworden dan het oorspronkelijke. Ik gewoel
temeer vrijmoedigheid dit te zeggen, wijl ik bij mijn werk geholpen werd
door een dier vrouwen, die door een waarlijk hemielsche eigenschap alles
verbeteren wat zij aanraken. Onze vriendschap-zelve belet mij haar te
noemen, maar wanneer ik, zooals ik hiermeê doe, _Grashalmen_ aan haar
opdraag, geef ik haar slechts terug wat zij mij geleend heeft, wetende,
dat ik voor mijn leven haar schuldenaar blijf, ook waar mij slechts van
haar de nagedachtenis rest.
_Sevilla, Oct. '98._ M. W.
_'s-Hage_--_'17._