Reeds vroeg verspreidde zich in 't dorp het gerucht dat er den vorigen
nacht verscheidene lichtjes op 't kerkhof gezien waren.
Het hoofd der broederschap van de Hermanos Ferceros sprak van
aangestoken kaarsen, en beschreef den vorm en grootte ervan, maar hij
kon niet bepaald het aantal noemen, want hij wist alleen dat hij er
meer dan twintig had kunnen tellen.
Zuster Sipa, van de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans
mocht niet dulden dat alleen iemand van de vijandelijke broederschap
die "genade Gods" gezien had; zuster Sipa had, al woonde ze niet in de
buurt, duidelijk geklaag en gekerm gehoord, en zelfs aan de stemmen
zekere personen meenen te herkennen met wie zij vroeger... doch uit
christelijke liefde, vergaf ze niet alleen, maar bad ze, en verzweeg
ze hun namen. Om welke reden allen haar "incontinenti" heilig prezen.
Zuster Roefa had inderdaad niet zoo'n fijn gehoor, maar ze mocht niet
dulden dat zuster Sipa het gehoord had en zij niet; daarom had zij een
droom gehad, en veel zielen hadden zich aan haar vertoond, niet alleen
van doode menschen, maar ook van levenden. De lijdende zielen vroegen
een deel van haar "aflaten", die ze keurig opgeteekend en opgespaard
had. Zij zou de namen aan de belanghebbende families kunnen zeggen,
en vroeg alleen een kleine aalmoes om den Paus in zijn behoeften bij
te staan.
Een kleine jongen, die herder van beroep was, die het waagde te
verzekeren dat hij maar één licht en twee mannen met een _salakot_
op gezien had, ontkwam ternauwernood aan een afranseling en
scheldwoorden. Tevergeefs zwoer hij: zijn karbouwen waren erbij
geweest, die konden getuigen.
"Wou jij soms meer weten dan de _celador_ van de broederschap en
de zusters, vrijmetselaar, ketter?" zeiden ze tot hem en keken hem
daarbij met booze oogen aan.
De pastoor besteeg den preekstoel, en preekte weer over het vagevuur,
en de _peso's_ kwamen weer uit hun schuilhoekjes om een misje te
winnen.
Doch laten we de gekwelde zielen voor wat ze zijn, en luisteren we
naar het gesprek van Don Filipo en den ouden Tasio, die ziek lag in
zijn eenzame woning. Reeds dagen lang had hij 't bed niet verlaten,
overmand door een zwakte die snel toenam.
Ik weet heusch niet of ik u geluk moet wenschen omdat ze uw
ontslagaanvrage hebben aangenomen. Vroeger, toen de burgemeester zoo
onbeschaamd de meening van de meerderheid opzij zette, toen was het
gepast uw ontslag te nemen. Maar nu u in strijd is met de _guardia
civil_ is het niet behoorlijk. In oorlogstijd moet men op zijn post
blijven."
"Jawel, maar niet wanneer de generaal zich verkoopt," antwoordde Don
Filipo. "U weet immers dat de _gobernadorcillo_ den volgenden ochtend
de soldaten in vrijheid gesteld heeft, die ik had kunnen gevangen
zetten, en dat hij geweigerd heeft een enkelen stap te doen. Zonder
de toestemming van mijn meerdere kan ik niets."
"U alleen niets, maar met de anderen samen veel. U had van deze
gelegenheid moeten gebruik maken om een voorbeeld te geven aan de
andere dorpen. Boven 't belachelijk gezag van zoo'n _gobernadorcillo_
staat het recht van 't volk. 't Was het begin van een goede les,
en u heeft die verloren laten gaan."
"En wat zou ik hebben kunnen doen tegenover den vertegenwoordiger
van de vooroordeelden? Daar heb je nu meneer Ibarra, die heeft zich
gebogen voor de geloofs-overtuigingen van de menigte. Denkt u soms
dat hij gelooft in een kerkelijken ban?"
"U bent niet in dezelfde positie: meneer Ibarra wil zaaien,
en om te zaaien, moet men bukken en aan de stof gehoorzamen. Uw
zending was schudden, en om te schudden heb je kracht noodig en
aandrift. Bovendien, de strijd moest niet aangebonden worden tegen
den burgemeester, de leus moest wezen: tegen hem die misbruik maakt
van zijn macht, tegen dengeen die de openbare rust verstoort, tegen
dengeen die zijn plicht verzaakt. En u zou niet alleen gestaan hebben,
want 't land van nu is niet meer hetzelfde van twintig jaar geleden."
"Gelooft u dat?" vroeg Don Filipo.
"En beseft u dat dan niet?" antwoordde de oude man, zich in bed half
oprichtend. "Och, dat komt omdat u het verleden niet gezien heeft,
u heeft de uitwerking van de Europeesche immigratie niet bestudeerd,
van 't komen van nieuwe boeken en van 't naar Europa trekken van
jonge menschen. U moet studeeren en vergelijken. 't Is waar dat de
koninklijke Pauselijke universiteit van Santo Tomas nog bestaat,
met zijn zeer geleerd klooster, en dat nog eenige vernuften zich
oefenen in 't formuleeren van allerlei haarkloverijen der scholastiek,
maar waar vindt men nu die metafysische jeugd van onze tijden, met
archeologische geleerdheid, die met afgetobde hersens ergens in een
uithoek van de provincie al spitsvondigheden uitpluizend stierf,
zonder tot het volkomen begrijpen te komen van de eigenschappen van
't 'wezen', zonder het vraagstuk opgelost te hebben van 'wezen en
bestaan,' allerverhevenste begrippen, die ons het wezenlijke deden
vergeten, ons bestaan en ons eigen wezen? Kijk nu eens naar de
jeugd! Vol geestdrift bij 't zien van ruimer horizonten, studeert
ze geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, litteratuur, natuurkunde,
talen, allemaal vakken waarvan we vroeger met afschuw hoorden, alsof
't ketterijen waren. De vrijzinnigste van mijn tijd verklaarde ze
voor minderwaardig tegenover de 'kategorieën' van Aristoteles en de
wetten van de sluitrede. De mensch heeft ten slotte geleerd mensch te
zijn. Hij ziet af van de ontleding van zijn God, van 't doordringen
in 't onvatbare, in dat wat hij niet gezien heeft, van 't wetten
geven aan zijn hersenschimmen. De mensch begrijpt dat zijn erfenis
de uitgestrekte wereld is, waarvan de heerschappij in zijn bereik
ligt. Vermoeid van zijn onnutten, aanmatigenden arbeid, buigt hij
't hoofd, en onderzoekt wat hem omringt. Zie hoe nu onze dichters
geboren worden. De muzen van de natuur openen ons langzamerhand
haar schatten en beginnen ons toe te lachen, om ons op te wekken
tot den arbeid. De proefondervindelijke wetenschappen hebben al hun
eerste vruchten gegeven; er ontbreekt alleen nog aan dat de tijd
ze volmaken zal. De nieuwe advocaten worden gevormd naar de nieuwe
denkbeelden van de rechts-filosofie. Enkelen beginnen te schitteren
te midden van de duisternis, die onze balie omringt, en bespeuren
een verandering in den loop der tijden. Hoor hoe de jeugd spreekt,
bezoek de centra van onderwijs, en er zullen andere namen klinken in
de akademische gehoorzalen dan in de kloosters: daar hoorden we alleen
die van Santo Tomas, Suarez, Amat, Sanchez en andere afgoden van mijn
tijd. Tevergeefs jammeren de _frailes_ van den preekstoel tegen den
zedelijken achteruitgang, evenals de vischverkoopers jammeren over
de schrielheid der koopers, zonder dat ze merken dat hun koopwaar oud
en onbruikbaar is. Tevergeefs strekken de kloosters hun vangarmen en
wortels naar de dorpen uit, om er den nieuwen stroom te verstikken. De
goden gaan heen. De wortels van den boom kunnen de planten die erop
steunen wel verzwakken, maar niet het leven benemen aan andere wezens,
die als de vogels, omhoog stijgen naar den hemel."
De filosoof sprak met vuur. Zijn oogen schitterden.
"En toch is de nieuwe kiem klein. Als iedereen zich tot taak maakt
den vooruitgang tegen te werken, dien we zoo duur koopen kan hij
verstikt worden," bracht Don Filipo ongeloovig ertegen in.
"De kiem verstikken...wie zal dat doen? De mensch, die zieke dwerg,
den vooruitgang verstikken, dien machtigen zoon van den tijd en de
werkzaamheid? Wanneer heeft hij dat gekund? Het dogma, het schavot
en de brandstapel, die hem trachten tegen te houden, brengen hem
juist vooruit. 'En toch beweegt ze zich,' zeide Galilei, toen de
Dominikanen hem dwongen om te verklaren dat de aarde zich niet bewoog;
't zelfde kan men zeggen van den menschelijken vooruitgang. Er zullen
eenige wilsuitingen met geweld worden onderdrukt, er zullen enkele
individuen worden opgeofferd, maar wat geeft het: de vooruitgang zal
zijn weg vervolgen, en uit het bloed van hen die vallen zullen nieuwe
en krachtige loten opkomen. Zie hoe zelfs de pers, hoe reactionair
ze ook zou willen wezen, mee een schrede vooruit doet. Zelfs de
Dominikanen ontkomen niet aan deze wet, en ze doen de Jezuïeten,
hun onverzoenlijke vijanden, na: ze geven feesten in hun kloosters,
richten tooneeltjes op, maken gedichten, want, doordat het hun niet
aan verstand ontbreekt, al wanen ze zich ook in de vijftiende eeuw,
begrijpen ze dat de Jezuïeten gelijk hebben, en zullen ze zelfs
deelnemen aan de toekomst van de jonge volken, die ze opgevoed hebben."
"Volgens u gaan de Jezuïeten met den vooruitgang mee?" vroeg Don
Filipo verwonderd. "Waarom bestrijdt men hen dan in Europa?"
"Ik zal u als een oude scholasticus antwoorden," hervatte de filosoof,
terwijl hij weer ging liggen, en zijn spottende gelaatsuitdrukking
herkreeg. "Op drie manieren kan men met den vooruitgang meegaan:
aan de spits, opzij en erachter aan. De eersten zijn de leiders,
de tweeden laten zich leiden, en de laatsten worden meegesleept,
en tot dit soort behooren de Jezuïeten. Zij zouden hem wel willen
leiden, maar omdat ze zien dat hij sterk is en andere neigingen heeft,
kapituleeren ze, en willen ze liever volgen dan verpletterd te worden
of midden op den weg in 't donker achter te blijven. Nu goed, wij hier
op de Filippijnen, loopen minstens op twee eeuwen afstand achter den
wagen aan: we beginnen nauwelijks uit de middeleeuwen te komen. Daarom
vertegenwoordigen de Jezuïeten, die in Europa reactionair zijn,
van hier uit gezien de vooruitgang. De Filippijnen zijn aan hun 't
opkomend onderwijs, de natuurwetenschappen,--de ziel van de negentiende
eeuw--verschuldigd, evenals aan de Dominikanen de scholastiek, die al
dood was ten spijt van Leo de XIII: er is geen paus die weer op kan
wekken wat het gezond verstand ten doode gedoemd heeft... Maar, waar
zijn we beland?" vroeg hij van toon veranderend. "O ja, we spraken
over den tegenwoordigen toestand van de Filippijnen... Ja, nu treden
we in het tijdperk van strijd, ik bedoel jullie; ons geslacht behoort
aan den nacht, wij gaan heen. De strijd gaat tusschen het verleden,
dat zich met vervloekingen vastgrijpt en klampt aan 't wankelend
feodaal kasteel, en de toekomst, waarvan we de triomfzang in de verte
hooren, bij den glans van een doorbrekenden dageraad, die de blijde
boodschap van andere landen zal brengen... wie zullen er vallen en
begraven worden in de bouwvallen?"
De grijsaard zweeg, en, ziende dat Don Filipo hem peinzend aankeek,
lachte hij en hervatte:
"Ik kan haast raden wat u denkt."
"Heusch?"
"U denkt dat ik me heel goed vergissen kan," zeide hij met droeven
lach. "Ik heb nu koorts, en ik ben niet onfeilbaar: _homo sum, humani
nil a me alienum puto_, [52] zeide Terentius; maar als hij zich soms
veroorlooft te droomen, waarom dan niet aangenaam te droomen in
de laatste levensuren? En dan, ik heb niet anders geleefd dan van
droomen! U heeft gelijk: een droom! Onze jongelui denken aan niets
anders dan aan liefdesavonturen en genoegens: ze verbruiken meer
tijd en spannen zich meer in om een jongmeisje te misleiden en te
onteeren, dan om aan 't heil van hun land te denken. Onze vrouwen
vergeten, om hun zorg voor Gods huis en Gods familie, hun eigen
huis en familie. Onze mannen zijn alleen werkzaam voor ondeugd, ze
zijn heldhaftig in schande. De kindschheid ontwaakt in duisternis en
sleur. De jeugd leeft de beste jaren zonder ideaal, de rijpe leeftijd
is onvruchtbaar, en leeft alleen maar om met zijn voorbeeld de jeugd
te bederven... Ik ben blij dat ik dood ga... _Claudite jam rivos,
pueri._" [53]
"Wilt u de een of andere medicijn?" vroeg Don Filipo, om een andere
wending aan 't gesprek te geven, want hij zag dat het gelaat van den
zieke versomberd was.
"Menschen die sterven, hebben geen medicijnen noodig. Jullie die
blijven wel. Zeg aan Don Crisóstomo dat hij me morgen moet komen
opzoeken, want ik heb hem heel belangrijke dingen te zeggen. Binnen
enkele dagen ben ik er geweest. De Filippijnen liggen in 't duister!"
Don Filipo verliet na nog eenige minuten gepraat te hebben, ernstig
en in gepeins verzonken het huis van den zieke.