De Morgen.
De muziek blies de reveille bij 't eerste morgenkrieken, en deed
door vroolijke wijsjes de vermoeide dorpsbewoners ontwaken. Leven
en bedrijvigheid hernieuwden zich, de klokken luidden weder, en het
gepaf en geknal begon.
Het was de laatste dag van 't feest, de eigenlijke groote feestdag. Men
vlaste op heel wat meer dan den vorigen dag te zien was geweest. De
broeders die zich Hermenos Ferceros (derde broeders) noemden, waren
talrijker dan die van de _Allerheiligste Rozenkrans_ en de leden dezer
broederschap glimlachten vromelijk, zeker als ze waren, hun mededingers
te zullen vernederen. Ze hadden een grooter aantal kaarsen gekocht: de
Chineesche handelaars deden goede zaken, en dachten er uit dankbaarheid
over, zich te laten doopen; ofschoon sommigen beweerden, dat het niet
kwam uit geloovigheid, maar uit begeerte om een vrouw te kunnen nemen.
Doch hierop antwoordden de vrome vrouwen:
"Al was dat ook zoo, als zooveel Chineezen tegelijk trouwden, zou dat
stellig al een wonderbaarlijk iets wezen, en dan zouden hun vrouwen
ze wel bekeeren."
De menschen trokken hun beste plunje aan, en al de sieraden kwamen uit
hun doosjes te voorschijn, zelfs de beroeps-kaartspelers en dobbelaars
pronkten met mooie witte hemden, afgezet met groote diamanten
knoopen, met zware gouden kettingen en keurige groote flaphoeden
van stroo. Alleen de oude filosoof bleef zooals hij was: een donker
gestreept hemd van _sinamai_ [34], tot aan den hals toegeknoopt,
gemakkelijk zittende schoenen en een breeden aschkleurigen vilten hoed.
"U ziet er vandaag droeviger dan ooit uit!" zeide de _teniënte mayor_
tot hem. "Vindt u 't niet goed, dat we van tijd tot tijd pleizier
hebben? Er is immers zooveel om over te schreien."
"Pleizier hebben beteekent nog niet dwaasheden uithalen!" antwoordde
de oude man. "'t Is weer die onzinnige bras-partij van ieder jaar! En
waartoe dat alles? Geld weg te smijten als er zooveel ellende en
nood om ons heen is! Och, ik begrijp 't wel: 't is een zwelg- en
bras-partij, om 't zwijgen op te leggen aan al 't geklaag!"
"U weet wel dat ik 't met u eens ben," hervatte Don Filipo, half
ernstig, half lachend. "Ik heb diezelfde meening verdedigd, maar wat
kon ik doen tegen den burgemeester en den pastoor?"
"Je ontslag nemen!" antwoordde de filosoof en verwijderde zich.
"Mijn ontslag nemen," mompelde de ander, terwijl bij naar de kerk
opwandelde. "Mijn ontslag nemen!
"Jawel! Als mijn betrekking een eerebaantje was, en geen broodwinning,
ja dan nam ik mijn ontslag!"
De binnenplaats der kerk was vol menschen. Mannen en vrouwen, kinderen
en oude lieden, allen in hun Zondagsche kleedij en grillig door elkaar
bewegend, gingen in en uit door de smalle deuren. 't Rook er naar
buskruit, naar bloemen, naar wierook en naar reukwater. Donderpotten,
vuurpijlen en voetzoekers deden de vrouwen wegloopen en schreeuwen,
en maakten de jongens aan 't lachen. Een muziek-korps speelde voor het
klooster, andere met het gemeentebestuur in optocht erachter, liepen
door de straten, waar tal van vlaggen uit de huizen wapperden. Lichte
en bonte kleuren trokken de oogen, melodieën en geraas troffen de
ooren. De klokken hielden niet op met luiden. Allerlei soorten van
rijtuigen, waarvan de paarden soms schichtig werden, steigerden,
of ervandoor gingen, woelden dooreen. En, hoewel dit geen nummer
van 't feestprogram uitmaakte, bood het gratis een belangwekkend
schouwspel aan.
De Hermano mayor of hoofd-broeder van dien dag had bedienden de straat
op gezonden, om genoodigden bijeen te zoeken, op de wijze zooals dit
gedaan was door den gastheer waarvan het Evangelie ons spreekt. Men
inviteerde schier met geweld de menschen om chocolade, koffie, thee,
gebakjes en anderszins te gebruiken. En niet zelden nam de uitnoodiging
het karakter van een ruzietje aan.
Men ging de hoogmis vieren, de zoogenaamde mis met de "dalmatiek"--'t
witte priesterkleed--, een als die van den vorigen dag, waarover de
waardige correspondent gesproken had; alleen zou thans Padre Salvi de
celebrant wezen, en onder de personen die tegenwoordig zouden zijn,
behoorde de _alcalde_ der provincie en tal van andere Spanjaarden
en voorname lieden. Ze wilden allen Padre Dámaso hooren preeken,
want deze had een grooten naam in de provincie. Zelfs de _alférez_,
hoe hem ook de les gelezen was door Padre Salvi, kwam mee ter kerke,
om een bewijs van zijn goeden wil te geven, en zich zoo mogelijk
schadeloos te stellen voor de nare oogenblikken, die de pastoor hem
bezorgd had. Zoo groot was de faam, die er van Padre Dámaso uitging,
dat de correspondent reeds van te voren aan den hoofdredakteur van het
blad allerlei lof over hem schreef. Hij vergeleek hem bij Bossuet, en
zeide dat zijn roem zelfs onder inlanders en Chineezen gevestigd was.
Toch scheelde 't weinig, of onze correspondent had al wat hij
geschreven had weer moeten doorhalen, want Padre Dámaso klaagde over
zekere lichte verkoudheid, die hij den vorigen nacht had opgedaan;
nadat hij een stuk of wat vroolijke stukjes gezongen had, had hij
drie glazen sorbet gebruikt, en was toen een oogenblikje naar de
komedie gaan kijken. Dientengevolge wilde hij ervan afzien om Gods
tolk te wezen voor de menschen, maar omdat er niemand anders was die
zich van 't leven en de wonderen van den heiligen Diego (Jacob) op de
hoogte gesteld had--behalve de dorps-pastoor, maar die moest de mis
lezen--vonden de andere geestelijken eenstemmig, dat Padre Dámaso's
orgaan in een onverbeterlijken toestand was, en dat het daarom heel
jammer zou wezen, als zijn preek, die hij al geschreven en geleerd
had, onuitgesproken bleef. Daarom maakte zijn oude huishoudster
glazen limonade voor hem klaar, wreef hem borst en hals met zalfjes en
olietjes, wikkelde hem in warme doeken, masseerde hem met talentvolle
_pidjet_-handen enz., enz. Padre Dámaso slikte een paar rauwe in wijn
geklutste eieren, en den heelen morgen sprak hij geen woord en at
hij niets. Te nauwernood dronk hij een glas melk, een kop chocolade
en at een dozijn beschuitjes; terwijl hij heldhaftig afzag van zijn
gebraden kip en zijn half "Laguna"-kaasje, die hij anders alle morgens
verorberde: volgens de huishoudster toch bevatten kip en kaas zout
en vet, welke beide stoffen hoest zouden kunnen veroorzaken.
"Alles om den hemel te verdienen en ons te bekeeren!" zeiden de
zusters der Ferceros-orde, toen ze van deze opofferingen vernamen.
"De heilige Maagd des Vredes moge hem straffen," mompelden de zusters
van den Allerheiligsten Rozenkrans, die hem maar niet vergeven konden,
dat hij naar de zijde van hun vijanden overhelde.
Om half negen trad de ommegang te voorschijn uit de schaduw van 't
zeildoek-verhemelte. Het was er een zooals den vorigen dag, ofschoon
er iets nieuws bij was: de broederschap der _Hermanos Ferceros_. Oude
mannen en vrouwen en eenige oude vrijsters liepen in lange pijen,
van grof katoen of van zijde, naar mate van de welgesteldheid. Al die
wij-gewaden waren van de echte soort: ze kwamen van 't "klooster"
te Manila, vanwaar 't volk ze tegen vaste prijzen, maar bij wijze
van aalmoes ontving. Deze prijzen konden wel verhoogd, maar niet
verlaagd worden. In 't zelfde klooster en in 't gesticht van tante
Clara werden ook andere kleeden verkocht, die de bizondere genade
bezitten, dat ze niet alleen aan de dooden, die erin gewikkeld worden,
veel aflaat verschaffen, maar ook duurder zijn, naarmate ze ouder,
versletener en onbruikbaarder geworden zijn.
De heilige Diego werd gereden in een met gedreven zilveren platen
versierd voertuig. Het vrij magere beeld had een ivoren hoofd
en bovenlijf, die er streng en statig uitzagen, in weerwil
van 't weelderig kringetje _negrito_-achtig kroeshaar om de
kruinschering. [35] Zijn kleed was van goud-omboord satijn.
Daarop volgde onze weleerwaarde vader, de Heilige Franciskus. Dan kwam
de heilige Maagd, evenals den vorigen dag, met dit verschil alleen,
dat de priester onder de baldakijn ditmaal Padre Salvi was, en niet
de zoo voornaam-gemanierde elegante Padre Sibyla. Doch zoo de eerste
al een statig uiterlijk miste, 't zalvende had hij in hooge mate;
hij hield de handen in mystieke houding over elkaar, had de oogen
neergeslagen, en schreed half gebogen voort. De baldakijn-dragers waren
dezelfde _baranggay_-hoofden, transpireerend van voldoening, dat ze nu,
behalve hun gewone baantje van hulp-koster en belastinggaarder, nog
de functie uitoefenden van verlossers der dolende, arme menschheid,
dus Christusjes speelden, hun bloed gevende voor de zonden der
medemenschen.
De "coadjutor" met een koorhemd aan, liep van de eene kar naar
de andere, een wierookvat in de hand, op welks geur hij nu en dan
't reukorgaan van den pastoor onthaalde, waarop deze dan een nog
ernstiger en deftiger gezicht zette.
Zoo ging de processie langzaam en bedaard voorwaarts, begeleid door 't
geluid van "bommen", geestelijke liederen en spelen der muziekkorpsen,
die achter iedere kar aanliepen. Intusschen deelde de hoofdbroeder
met zooveel voortvarendheid waskaarsen uit, dat velen der medeloopers
in den stoet naar huis terugkeerden met een voorraad genoeg voor
vier avonden, om bij kaart te spelen. Toen de kar met het beeld
der Moedermaagd voorbijreed, knielden de nieuwsgierigen vroom neer,
en baden ze vurig "credo's" en "groetenissen."
Tegenover een huis, aan welks met kleurige kleeden behangen vensters
zich de burgemeester vertoonde, in gezelschap van Capitán Tiago,
Maria Clara, Ibarra, en verscheidene Spanjaarden en jongedames, hield
de kar stil. Padre Salvi keek toevallig op, doch hij maakte niet het
minste gebaar van begroeting of herkenning. Hij richtte zich alleen
wat op, ging wat meer recht-op staan, zoodat de "pluviale", die hij
over de schouders droeg, met zekere bevalligheid en met meer zwier
kwam te vallen.
Op straat, onder 't venster, was een jonge vrouw met innemende
gelaatstrekken. Ze was zeer goed gekleed en droeg een klein kind in de
armen. 't Scheen een min of een kindermeisje te wezen, want het kind
was blank en blond, terwijl zijzelf bruin was en gitzwart haar had.
Toen ze den pastoor zag, strekte 't wichtje de handjes naar hem uit,
lachte met heerlijk-onschuldige kinderlach en riep, op een oogenblik
dat het stil was, stamelend: "Pa... pa!" "Papa!"
De jonge vrouw schrok hevig, hield snel haar hand op den mond van
't kind, en liep heel verlegen ijlings weg. Het kind begon te schreien.
Kwaaddenkenden wisselden blikken van verstandhouding, en de Spanjaarden
die getuige waren geweest van 't tooneeltje glimlachten. De gewone
bleekheid van Padre Salvi maakte plaats voor een vuurroode kleur.
En met dat al hadden de menschen 't mis: de pastoor kende die vrouw
zelfs niet; bovendien was het een buitenlandsche.