LANDMAN’S GELUK

Ik acht hem, die het land bebouwt,

Die ’t liefst steeds over koetjes kout;

Die slechts in ’t veld kan leven,

Dat hem ’t meest vreugd kan geven.

Benijdenswaardig is zijn stand,

Zijn wereld is bij dier en plant,

Bij bloem en boom, bij veld en akker;

Hem maakt het morgengloren wakker,

Dat langs zijn oostervenster speelt,

Terwijl het op zijn dak reeds kweelt,

Van musch en spreeuw naast tripp’lend sijsje.

Een ieder op zijn vrolijk wijsje.

Bij dat gejuich, bij dat gefluit,

Roept hem zijn werk ter woning uit,

En veldwaarts heen. Hoe blauw de hemel!

Hoe vrolijk frisch ’t ontwaakt gewemel!

Bij ’t statig stijgend zonnevuur,

Van heel het leven der Natuur.

De melkers reppen zich ter weide;

De schaapjes wand’len door de heide,

De ruige scheper, fier als gids,

Met hond en breikous aan de spits,

Als onbetwistbre heidekoning.

En de ekster bouwt aan hare woning,

Druk in het hoogst’ der eikenkruin.

Van bloeiend bloemhout riekt de tuin,

Waarin de zwarte lijster huppelt;

Van hazelaar en sering druppelt,

De dauw in zuivre parels neer.

Hoe bloost de knop aan kers en peer!

Wat teeder groen aan els en berken!

Hoor ’t Oost ontplooit de lichte vlerken;

En klinkt van heinde en ver, hoe schoon!

De zilvren morgenklokketoon!

U zal ik dan gelukkig prijzen,

Wien zulk een morgen zich ziet rijzen;

Die wars van wereldzin en roem,

Zijn beeld terugvindt in de bloem,

Die aan den akkerkant vergeten,

Gelukkig in zich zelf kan heeten,

Bescheiden, buiten haat en nijd,

Zich need’rig in zich zelf verblijdt.

Die ’s morgens in de voog’len kooren,

Er de echo zijns geluks kan hooren,

Waar op zijn eigen akkergrond,

Elk bloempje zulks hem ook verkondt.

Wat zijt gij zeepbel, „roem of eere”?

Een dartel windje wende en keere,

Uit ’s hemels donkre wolkendrom,

U even dwarr’lend om en om.

En ’t stof, dat in den eigen stonde

Omhoog jaagt, voert u meê in ’t ronde,

Het fel bewogen luchtruim door,

En laat van beide nergens spoor,

Of moog zij zelf zich overleven.

Het marmer, ijdel, overdreven,

Het uitbazuinen nog een tijd,

Nog harder knaagt de haat of nijd

Aan roem en eer, dan aan ’t gesteente

De tijd; dan wormen aan ’t gebeente.

Niet naar des werelds klatergoud,

Gestreefd, gesloofd om het te vatten,

Wie akker, veld en dreef en woud,

Op rechten prijs ooit wist te schatten.

Natuur en leven · 第 44 / 45 题