FRIESLAND’S ROEM

Landje! aan ’s aardrijks eind vergeten,

Nietig plekje dat ik meen,

Dierbaarst Landje mij op aarde.

Dat ik liefheb, dat alleen.

Altijd blijft gij mij het eerste,

Ligt gij ver, al zijt gij kleen,

Gij zijt, luttel plekje op aarde,

Me alles Landje! dat ik meen.

Wat gij Friesland zijt, is eenig;

Eenig, door uw eigen schoon.

’k Dank een gunstig Lot, dat mij dat

Eenig plekje gaf ter woon.

Ziet! hoe zich meren rijgen aan meren,

Blauwe oogen fonkelend in ’t smaragd,

Van ons Frieslands kostelijke weiden,

In hun eigendommelijke pracht.

Hoe zij slingeren in breede bogen,

Zich, van Noordzee heen, tot Zuiderzee,

Groetende onder ’t kabbelen en schuimen,

Hofstêe, buurtschap, dorp en vlek en steê.

Hoe zij strengelen als met zilveren linten,

Bont bebloemte landouw en wei hier.

Aan des woudzooms heuvelen en bosschen,

Alsof ’t nat een paarlensnoer lei hier.

Akkers golven en wiegelen in ’t êelste

Klaverblankzoet, bij ’s boekweitswitpronk;

Tarwe ’s mat goud, naast koolzaadsbloem geelste,

En vlasbloems zacht blauwende oogenlonk.

Rijkdom en weelde en alles vol zegen,

Springt er als ware het een fontein,

Kwistig uit die zacht groenende weiden,

’t Blank van de melk, als zilver zoo rein.

Zwartbonte groepen, dart’len en grazen,

In ’t frischsmaragd van ’t effene land;

Waardig op ’t doek te worden vereeuwigd,

Door eenen Potters kunstenaarshand.

Gij op wat trits van mannen, edel

En groot op elk gebied wier schedel

De lauwerkrans des roems versiert,

Met gouden letters der historie.

Van zielenadel, eer en glorie,

Vermeld genoemd, geacht, gevierd!

Kunt gij ons dierbaar Friesland bogen!

Al staan zij ons dan niet voor oogen:

Een Gysbert Japix, Bolswards roem!

De Halbertsma’s der Dichtren bloem,

Uit Frieslands rijke dichtrengaarde!

Gekweekt, gevoedsterd op Friesche aarde,

Al waar ’t een tweelingsbroed’renpaar,

Zij de eersten in die lange schaar.

Zijt trotsch op uwe groote zonen!

Gij hebt o Friesland! bij hun tonen,

Geluisterd, als ze in gullen Kout,

In „Teltseltje en Rijm” verhalen,[3]

Hier beurtlings zacht, daar weder stout;

Als zij ons weten af te malen,

Hoe ’t leeft in ’t Friesche waterland,

Aan ’t meertje op de eigenerfde zathe,

Vergeten aan der wereld rand,

Waar rust en vrede in ruime mate.

Bij allen eenvoud woonde. Daar

Ligt de oorsprong van die schoone zangen,

Waaraan zoo ’t Friesche hart blijft hangen,

Der beide broeders, naast elkaâr!

Wie schetst ons al de tafereelen,

Van huiselijk geluk en leed?

Die in die stille plekjes spelen,

Op ’t ver gehucht. O wie vergeet.

Die Winter met zijn „Liekeblommen!”[4]

Die Winter in het Waterland.

Maar hoe dat alles op te sommen,

Waar ons ’t gevoel schier overmant,

Waar tranen wellen ons in de oogen.

’k Voel diep mij in ’t gemoed bewogen,

Bij ’t aaklig sterven van Marij,[5]

Waar ’k luister naar hun lied. Hoe zij,

Die Friesche Barden, beurtlings treuren,

Ons leiden achter „Lokkes baar;[6]

Sierd Annes lot, ons somber kleuren,

Of roeren aan een blijden snaar,

Hoe zij in luim en ernst ons boeien

Tot al wat schoon is ons ontgloeien,

Waarbij zoo treffend ’t Friesche lied,

Zich in zijn kracht bewondren ziet,[7]

’k Moet toch nog ’t Kerstfeest met u vieren

O Jonkerboer![8] ginds op „de Wieren”,[9]

„De wite Flokken’[10] dwarr’len zien!

Neen, al het schoone buitendien,

Zoo schoon, in eigen pronk en praal,

Van onze rijke Friesche taal!

Van uit het schoon van Bergums stede,

Zong van der Meulen (Tjibbe Geerts)

Die stof en taal zoo schoon beheerscht,

Van Frieslands schoon ’t voorheen en heden.

Waar Waling Dijkstra, Frieslands roem,

Die ’k tegelijk met de eersten noem,

Hoe ze aan zijn lippen blijven hangen

Gij Friezen waar ’t schoon zijner zangen

Het hart zoo treft als wonderkracht,

Waar hij u voorzong, ’t boert of lacht.

[3] Gedichten en Verhalen der Broeders Halbertsma (_Rimen en

Telseltjes fen ’e Broerren Halbertsma._)

[4] „_Liekeblommen_” (Leekstertakjes) prachtig aandoenlijk gedicht van

E. Halbertsma.

[5] „Marij”, hoofdpersoon in de „Liekeblommen”.

[6] „_Lokke_” Friesche meisjesnaam.—

[7] „_Sierd Annes_” eigennaam.

[8] „Jonkerboer” adelijk Landman.—

[9] „De Wieren” Gehucht bij Terzool.

[10] „Witte Vlokken” Gedicht van E. Halbertsma („Wite Flokken”.)

Maar hoe hen allen op te noemen?

Hen, wien wij eeren, wien wij roemen!

U, Eelke Meinderts, Windsma, Blom,

U, Sijtstra, ’t broederpaar „van Haren”.

Die de eer der Geuzen op de baren,

En ’t menschelijk leven zingen. Om

Van zooveel andren niet te melden;

Schotanus, Foeke Sjoerds hoe welden,

Uit ’s Voortijds nevelig verschiet,

Voor u Historie’s feiten niet!

U, mannen, die elk op zijn wijze.

De wonderen van zon, van maan,

Der sterrenhemel, op hun baan,

Naspeurt, wat Friesch is, eere, prijze!

U Eisinga en U Rienks saam!

Luid klink’ toch aller grooten naam,

Die de geschiedenis ons melden,

Van Friesland’s groote letterhelden,

Van hen, die door genie of Kunst,

Steeds deelden in der Muzen gunst;

Van wijsgeer, diepe denkers, Grooten,

Van hart en geest, van zanger bard.

Aan Frieslands stam zij de eerste loten;

Den Fries ligt Friesland na aan ’t hart;

Het blijft zijn groote Zonen eeren,

Wat moog verand’ren, moog verkeeren.

Natuur en leven · 第 30 / 45 题