GOD IN ’T ONWEER

Dond’rende Englenstem, gij die luide de Almacht,

Gij die de grootheid, ja gij die de liefde,

Gij die den eenigen Schepper bazuinend,

Siddrende scheps’len der aarde verkondigt,

Nader! o nader thans, met uwen luister,

Met uwe nachtwâ, van vreeselijk donker,

Eensklaps verlicht dan, door gloeiende bliksems,

Kronklend langs ’t zwart van de woelende wolken,

Hemel en aarde met vuur overstroomend!

Nader gij windenstoet, nader gij stortbad,

Zegen het aardrijk, het dorst naar verkwikking.

Onder het schitt’ren der vurige tongen,

Onder het daav’ren der hemelsche stemmen,

Onder het loeien des gees’lenden stormwinds,

Onder het klett’ren van stroomende regen,

Onder het bidden en kermen des sterv’lings,

Onder het smeeken om ’s Hemels genade,

Zegen op ’t leven van ’t aardrijk uitstortend.

Natuur en leven · 第 23 / 45 题