MEIMAAND’S SCHOON

Kent gij iets zoo schoon, als Einde Mei,

Het hooge wuivend grasveld waait,

Op ’t koeltje der Noord-Oosterbries,

Die langs het diepe blauw der lucht,

Geen wolkje aan ’t rein des hemels duldt?

Kent gij dat dagen lang „Mooi weer”,

Van morgengloor tot avondschijn,

Waarin met vreugd de dag begint,

Het ’s avonds veelbeteek’nend lacht?

Als zei dat; „morgen even schoon”!

Kent gij dat: als het Haantje reeds,

Op ’s torens hoogst te blinken staat,

Van zulk een morgen, eer de zon,

Ter kim nog uitgerezen is?

Als eerste groete aan zulk een dag?

Kent gij dat albezielend licht,

Dat vuur, ’t welk van den hemel daalt,

Dat bloemen toovert door het groen,

’t Welk opzwelt achter uwen voet,

Wijl wierook opstijgt er uit de aard?

Kent gij den jubeltoon van ’t veld,

Den Leeuw’rik in de blauwe lucht,

Dat zingend stipje daar omhoog,

Of ’t heerlijk lied in Mol en Dur,

Des Matadors van ’t groene woud?

Hebt gij genoten van de pracht,

Des boomgaards, die met rood en wit,

Te pronken staat in heerlijkheid,

Waarvan het zoete ons tegenwaait.

En ’t windje een bloemenregen schudt?

Weet gij van ’t kabb’lend beekje ook iets,

Met bruine diadeem van riet.

Om ’t smett’loos zilverrein gelaat,

Welks golven sterven in den schoot,

Van waterrozen, wit en geel?

Of was het schooner nog in ’t woud,

In ’t eenzaam, groene, stille bosch,

Waar ’t ruischte door de dichte kruin,

Van spar en den en eik en beuk,

In ongekende diepe toon?

Hebt gij die Symphonie verstaan,

Verwant met Bach’s, met Haydn’s genie,

Wanneer de stemme van het woud,

U zijne wonder volle taal,

Die toonenschoonheid hooren deed?

Kent gij die landelijke rust,

Als de avond hooger kleurt het woud,

Het roggeveld in zacht verguld,

Dat statig op het windje golft,

En Schepers kudde huiswaarts trekt?

Noemt gij dat al niet eenig schoon?

En zegt gij Hölty het niet na,

„Hoe heerlijk is de schepping Gods!”

Wel waard daarin verheugd te zijn,

Zoo vaak ons dat gebeuren mag.

Dan zegt men wel met volle recht,

Neen schooner kon het toch niet zijn,

Al had men het voor ’t wenschen ook.

’t Is of de mensch dan dubbel leeft,

En Hem den Gever, dubbel prijst.

Natuur en leven · 第 17 / 45 题