Natuur spreekt in haar eigen taal,
Van Leeuwerikje en zonnestraal,
Van groenend woud en Nachtegaal,
Van elzentak en weduwaal.
Van Zephiertoon en bloemenpraal,
Van heidepracht, zachtrood en vaal,
Met bijgegons, bij ’t Nectarmaal.
Van, ’t zij het zonlicht rijze of daal
Door ’t wolkengoud of ’t dof van staal,
Waar ’t juicht in Fuga of Koraal,
Of dondert door des luchtruims zaal,
Zoo weegt steeds in der menschen schaal,
Hun lot bij vreugd meê, smart of kwaal.
Die weerklank trilt diep door ’t gemoed,
Of ’t harte juicht, of ’t binnen bloedt
Het vrede is, of de hartstocht woedt,
De liefde en vriendschap ’t leed verzoet,
Of wrevel door het binnenst wroet,
Voorzichtigheid voor struiklen hoedt,
Hetzij of voor- en tegenspoed,
Bij ’s levens eb, bij ’s levens vloed
De welvaart brenge geld en goed;
Of eer en lof, den sterv’ling groet,
Voor eigen schuld hij lijde of boet,
Hij merkt: Mineur of Durtoon doet,
Zijn hart meeklinken voor zijn voet.