Athene. Een kamer in het paleis van Theseus.
Theseus, Hippolyta, Philostratus, Hovelingen en Gevolg komen op.
HIPPOLYTA. Vreemd, Theseus, is 't verhaal van die gelieven.
THESEUS. Meer vreemd dan waar. 'k Sla geen geloof aan al
Die sprookjes of die elfenspokerij.
En liefde èn waanzin maakt het brein verhit
En wekt verbeelding op en doet steeds zien
Veel meer dan 't koel verstand ooit vatten kan.
Waanzinnigen, verliefden, dichters zijn
Geheel verbeelding: die, de dolle, ziet
Meer duivels dan de hel bevat; de minnaar,
Niet minder dol, ziet schoone Helena,
Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart;
In schoonen waanzin rolt des dichters oog,
Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel;
En waar verbeelding dingen, ongekend,
Te voorschijn roept, daar schept des dichters stift
Hun een gestalte, en schenkt aan 't ijdel niets
Op de aard bestaan, een woning en een naam.
Verbeelding is in grillen overrijk;
Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt,
Staat haar voor 't oog een brenger van de vreugd;
Terwijl, als 's nachts haar angst bekruipt in 't woud,
Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.
HIPPOLYTA. Maar al wat zij vertellen van deez' nacht,
En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd,
Moet meer zijn dan een spel der phantasie.
Het toont verband, het wordt tot werklijkheid;
Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.
THESEUS. Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.
(Lysander, Demetrius, Hermia en Helena komen op.)
Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagen
Naar 's harten wensch!
LYSANDER. Nog hooger heil, mijn vorst,
Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!
THESEUS. Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn,
Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren,
Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt?
Waar is de man van onze feestlijkheid?--
Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat ons
De mart'ling spaar' van 't dralen van den tijd?--
Waar is Philostratus?
PHILOSTRATUS. Hier, edel vorst.
THESEUS. Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan?
Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wij
Den tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?
PHILOSTRATUS. Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht;
Gelief te kiezen, wat ge 't eerst wilt zien.
(Hij reikt een geschrift over.)
THESEUS. (leest). "De strijd met de Kentauren; voor te dragen
Door een Atheenschen zanger bij de harp."
Neen, dank; ik heb 't mijn bruid alreeds verteld
Ter eere van mijn neef, van Hercules.
"Het woeden der Bacchanten, die den zanger
Van Thracië verscheuren in haar roes."
Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond,
Toen ik in zegepraal van Thebe kwam.
"De negen Muzen, jamm'rend om den dood
Der bedelarm gestorven wetenschap."
Dat is een strenge, bijtende satire,
Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest.
"Een kortgerekt vertoon van Pyramus
En Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht."
Een treurspel en een klucht? kort en gerekt?
Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw.
Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?
PHILOSTRATUS. 't Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang,
En dus zoo kort, als ik er een maar ken;
Maar twintig woorden is het ruim te lang,
En dus gerekt; in 't gansche stuk toch is
Geen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats.
Een treurspel is het ook, doorluchte heer,
Want Pyramus steekt er zichzelf in dood.
Ik zwom, toen ik de repetitie zag,
In tranen, ja; maar blijder tranenvloed
Heeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.
THESEUS. Wie zijn de spelers?
PHILOSTRATUS. Mannen, hard van hand,
Handwerkers van Athene, die nog nooit
Hun brein met arbeid plaagden, maar die nu,
Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stuk
Bezwaarden om uw feestdag op te luistren.
THESEUS. Wij willen 't hooren.
PHILOSTRATUS. Neen, mijn eedle vorst,
't Is niets voor u; ik heb het pas gehoord,
En het is niets, ter wereld niets, tenzij
Gij u verlustigt in hun goeden wil,
Die zich heeft afgemarteld, om dit vod
Voor u te leeren.
THESEUS. Hooren wil ik 't stuk,
Want nooit is iets verkeerd of ongepast,
Wat eenvoud in oprechten ijver biedt.
Ga, breng hen hier;--en ieder neme plaats.
(Philostratus af.)
HIPPOLYTA. 'k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast,
Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt.
THESEUS. Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.
HIPPOLYTA. Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.
THESEUS. Te goediger is 't, hen voor niets te danken.
Wat zij bij 't geven falen, te vergeven,
Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeert
Van ijver, die onmachtig blijkt, den wil.
Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet,
In keur van taal, geleerden, groot van naam;
Hoe velen zag ik sidd'ren en verbleeken,
Ophouden in het midden van een zin;
Angst kneep den anders ruimen gorgel toe;
In 't eind verstomden zij en braken af,
En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, toch
Klonk uit dat zwijgen mij een welkom toe;
En de bescheidenheid van schuchtere' angst
Sprak me even duidlijk als de rateltong
Van onbeschroomde, stoute redenaars.
Spreke eenvoud, liefde, stott'rend en bedeesd,
Toch treft, die 't minste zegt, mij vaak het meest.
(Philostratus komt terug.)
PHILOSTRATUS. Zoo 't u behaagt, Heer, de
Proloog staat klaar.
THESEUS. Hij trede binnen.
(Trompetgeschal achter het tooneel.)
(Dissel, als Proloog, komt op.)
PROLOOG (Dissel). "Mishagen we u, we wenschen dit als gunst.
Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen,
't Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunst
Let op het doel, waarmee we nu beginnen.
Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spot
Bij uwen echt. Drijft lust om te behagen
Ons hier aan 't hof. Voor uw en ons genot
Acht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagen
Staan hier de spelers klaar. O, gij verstaat
Al wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat."
THESEUS. Die knaap let niet bijzonder op komma's en punten.
LYSANDER. Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij
weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst;
het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.
HIPPOLYTA. Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind
op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.
THESEUS. Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk,
maar een en al warboel. Wat komt er nu?
(Pyramus, Thisbe, Muur, Maneschijn en Leeuw komen als stomme personen
op.)
PROLOOG "Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan,
Blijf dan verwonderd, tot wij 't duid'lijk maken.
Deez' man is Pyramus, ja, zonder waan,
Deez' schoone vrouw is Thisby, wilt 't niet laken.
Die man met leem en mortel, is de muur,
Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde;
En door een muurspleet wist hun minnevuur
Te fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde!
Deez' man, met takkenbos, lantaarn en hond,
Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen,
Bij maneschijn, aan Ninus' graf, daar vond
Het paar gelegenheid om saam te komen.
Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam,
Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam,
Geweldig doen verschrikken, en zij nam
De vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen;
Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed;
En Pyramus, de schoonste bloem van allen,
Komt, vindt er dood zijn Thisby's mantel goed;
Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard,
Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst;
Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart,
Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst.
Laat maanschijn, muur, en leeuw, en 't minnend paar
Nu 't restje' uitvoerig melden, kort en klaar."
(Proloog, Thisbe, Leeuw en Maneschijn af.)
THESEUS. Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.
DEMETRIUS. Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel
ezels het kunnen.
MUUR (Tuit). "Het komt er in dit treffend stuk op neer,
Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer;
Geloof nu van dien muur, dat is niet mis,
Dat die verdistreweerd, gespleten is;
En door die spleet, daar lispelt zeer geheim
Met Thisby Pyramus wel menig rijm.
Wilt uit deez' steen en kalk en leem verstaan,
Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan;
En rechts en links toon ik u hier de spleet,
Die van 't gefluister der gelieven weet."
THESEUS. Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken?
DEMETRIUS. Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb
hooren redeneeren, Heer!
THESEUS. Pyramus komt daar op den muur af; stilte!
(Pyramus komt op.)
PYRAMUS (Spoel). "O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas!
O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt!
O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas!
Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt.
En gij, o Muur, o lieve, beste Muur,
Die 't huis haars vaders en het mijne scheidt,
Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur,
Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid'.
(Muur spreidt zijn vingers uiteen.)
Beleefde Muur, heb dank! God loone 't u!
Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet.
O booze Muur, door wien ik niets zie nu!
Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!"
THESEUS. Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.
PYRAMUS. Waarlijk niet, heer, 't is zijn beurt nog niet. "Mij zoo
verriedt" is Thipsy's wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar
door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik
zeg. Daar komt ze al.
(Thisbe komt op.)
THISBE (Wind.) "O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween,
Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed;
Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen,
Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed."
PYRAMUS. "Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouw
Of ik mijn Thipsy's aanschijn hooren kan.
Thipsy!"