Athene. Een kamer in Dissels huis.
Dissel, Wind, Tuit en Slokker komen op.
DISSEL. Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?
SLOKKER. Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.
WIND. Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door,
niet waar?
DISSEL. Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is
Pyramus op te spelen, behalve hij.
WIND. Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft
van alle handwerkslui in Athene.
DISSEL. Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke
stem, een echt liefhebber.
WIND. Zeg toch "minnaar", man; een "liefhebber", God beter 't, is
zoo'n raar ding.
(Schaaf komt op.)
SCHAAF. Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog
twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was
doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.
WIND. O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een
schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet
ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor
het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend
hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!
(Spoel komt op.)
SPOEL. Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?
DISSEL. Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!
SPOEL. Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat;
maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal
je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.
DISSEL. Laat hooren, beste Spoel.
SPOEL. Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de
hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw
aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het
paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het
kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval,
laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt,
toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen,
als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen
uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen,
en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een
liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!
(Allen af.)