LYSANDER. Dan hing zij van de keus van vrienden af,--

HERMIA. O hel! te kiezen met eens anders oog!

LYSANDER. Of, was ook ziel met ziel aaneengesmeed,

Dan heeft haar ziekte, krijg of dood belaagd,

Voorbijgaand, vluchtig als een klank doen zijn,

Kort als een droombeeld, ijdel als een schim,

Snel als het weerlicht in koolzwarte nacht,

Dat plotsling aarde en hemel openbaart,

Maar, eer een mensch nog zeggen kan: "het licht!"

Weer door de duisternis verslonden wordt;

Zoo snel verdwijnt het schoonst en schitt'rendst heil.

HERMIA. Als leed dus altijd trouwe liefde trof,

Zoo blijkt het, dat het noodlot dit besloot,

En dan leer' de beproeving ons geduld,

Wijl immer bij de liefde leed behoort,

Zooals ook mijmren, droomen, wenschen, zuchten

En tranen vaste mintrawanten zijn.

LYSANDER. Een juist besluit. Dus hoor nu, Hermia;

Ik heb een moei, die weduwe is: zij woont

Op zeven mijlen afstands van Athene;

Zij is van groot vermogen, kinderloos,

En zij beschouwt mij als haar' een'gen zoon.

Daar huw ik u, mijn lieve Hermia,

En daarheen kan de felle Atheensche wet

Ons niet vervolgen. Dus, hebt gij mij lief,

Sluip morgen nacht dan uit uws vaders huis;

En in het woud, een uurtje van de stad,--

Waar ik u 's ochtends eens met Helena

Ter viering van het Meifeest heb ontmoet,--

Daar zal ik op u wachten.

HERMIA. Mijn Lysander!

Ik zweer u bij Cupido's strafsten boog,

En felste schicht met gouden punt, bij de onschuld

Van 't duivenspan, dat Venus' wagen trekt,

Bij al wat harten bindt en liefde wekt,

En bij de vlam, waar Dido zich den dood

Door bracht, toen de Trojaan haar valsch ontvlood,

Bij alle de eeden, die de man ooit brak,

In aantal meer dan die de vrouw ooit sprak;

Gij treft ter plaatse, die gij hebt bedacht,

Mij waarlijk morgen aan te middernacht.

LYSANDER. Houd, liefste, woord!--Zie, daar komt Helena.

(Helena komt op.)

HERMIA. Wees welkom, schoone Helena! Waarheen?

HELENA. Gij noemt mij schoon? Herroep dat "schoon" toch. Neen,

Schoon noemt Demetrius u; hem is uw schoon,

Uw oog een leidstèr, uwer stemme toon

Veel zoeter dan den herder 's leeuwriks lied,

Als 't koren groent, de rooz'laar bloesems schiet.

Hoe meen'ge ziekte, die licht overslaat!

Waar 't zoo met schoon, ik eigende uw gelaat,

Mijn oog stal uwen blik, mijn oor verslond

Uw zoet geluid en leerde 't aan mijn mond.

Waar' de aarde mijn, ik koos Demetrius uit,

En liet dan gaarne aan u de rest ten buit.

O, leer me uw blik; o zeg, wat tooverkracht

Schonk op zijn harteklop u zulk een macht?

HERMIA. Ik frons het voorhoofd, toch zoekt hij mijn gunst.

HELENA. Leerde uw gefrons mijn glimlach zulk een kunst!

HERMIA. Door bitse woorden blaas ik 't vuur nog aan.

HELENA. Deed mijn gevlei bij hem die vlam ontstaan!

HERMIA. Hoe meer ik haat, te vuur'ger mint hij mij.

HELENA. Hoe meer ik min, te feller haat hij mij!

HERMIA. 'k Heb aan zijn dwaasheid, Helena, geen schuld.

HELENA. Neen, maar uw schoonheid wel; had ik die schuld!

HERMIA. Ontvang als troost, dat hij mij nooit meer ziet,

Daar ik van hier met mijn Lysander vlied.--

O, vóór den tijd, dat ik Lysander zag,

Was mij Athene een Paradijs; maar, ach!

Sinds zijn betoovring mijn gemoed regeert,

Heeft die den hemel in een hel verkeerd!

LYSANDER. Ons plan zij, Helena, u toevertrouwd,

Als morgen nacht zich Phoebe weer beschouwt,

Haar zilvren aanschijn spieglend in den vliet,

Dauwdruppels spreidend over gras en riet,

En duisternis de vlucht verbergen zal,

Verlaten wij ter sluik Athene's wal.

HERMIA. En op dat bloemrijk plekje van het woud,

Waar gij en ik zoo vaak in zoeten kout

Neêrlagen en ons hart uitstortten, dáár

Ontmoeten nu mijn lief en ik elkaar;

Wij zoeken, nu Athene ons zoo verbant,

Ons nieuwe vrienden in het vreemde land.

Vriendin, vaarwel! Zend ons uw heilbeê na;

Schenke u 't geluk Demetrius als gâ!--

Houd woord, Lysander! Ach, ons oog versmacht

Naar liefdes troost,--maar 't moet,--tot morgen nacht!

LYSANDER. Vertrouw op mij. (Hermia af.)--'t Ga, Helena, u goed:

Dra worde ùw min door wedermin begroet!

(Lysander af.)

HELENA. Wat oogst toch de eene liefde, de andre hoon!

Wij gelden in Athene als even schoon;

Wat helpt dit, vindt Demetrius het niet?

Die wil niet zien, wat ieder ander ziet;

En is hij dwaas, als hij voor Hermia gloeit,

'k Ben even dwaas, als mij zijn aanblik boeit.

Zelfs aan wat leelijk en nietswaardig is,

Leent liefde schoonheid en beteekenis.

Zij ziet niet met het oog, maar met het hart,

Van daar is ze in haar oordeel vaak verward,

En daarom heet de God der liefde blind,

En is zijn beeltnis een gevleugeld kind,

Dat onbesuisd, niet ziende, in 't wilde vliegt

En in zijn keus zoo dikwijls zich bedriegt.

Zooals bij 't spel een knaap geen eed ontziet,

Ontziet des noods de Liefde een meineed niet:

Eer Hermia Demetrius ontstak,

Werd eed op eed, als hagelslag op 't dak,

Aan mij gedaan; die hagel, ach! verdween

En vloeide weg, toen hààr zon hem bescheen.--

Ik meld hem fluks de vlucht van Hermia,

Dan ijlt hij morgen nacht in 't woud haar na;

O, dat hij voor 't bericht mij dank bewijz'!

Dit wensch ik, doch ik koop 't voor hoogen prijs.

Maar 't smartlijk heil is niet te duur gekocht,

Als ik hem volg en zie op zijnen tocht.

(Helena af.)

Een Midzomernachtdroom · 第 6 / 37 题