Het was Maandagmorgen den 18den van Hooimaand 1575.
De zon was nog niet op, en de stilte, die er heerschte, zoowel als
de heldere sterrenhemel, die langzamerhand begon te verbleeken voor
de lichtstrepen, die in het Oosten zichtbaar werden, voorspelden een
warmen dag.
Alles sliep nog binnen het stedeken Oudewater, behalve een Duitsch
soldaat van de bezetting. Hij stond op schildwacht, en, op een
hellebaard geleund, zag hij droomerig rond op de velden van hennep,
toen kennep genoemd, en op de welige weilanden, waarin het vee in
den dauw liep te baden.
Toen Dirk Arendsz. van Dam zijn haan voor den tweeden keer hoorde
kraaien, stond hij op, en na zich wat aangekleed te hebben, zette
hij een ladder tegen het zolderluik, klom naar boven, ging aan de
kribbe van zijn zoon staan en riep: "Arend, Arend! Er uit, jongen! Het
is tijd!"
De knaap, die zoo vroeg in den morgen gewekt werd, mocht zoo ongeveer
twaalf jaar oud zijn, doch of hij een haantje de voorste onder zijn
makkers was, een gluiperd, een bangerd of een luiaard, dat alles was
hem nu niet aan te zien, want het was daar onder de pannen nog erg
donker. Hij keerde zich even om, rolde zich opnieuw in zijn dek en
bromde zoo wat van: "Ja, jawel,--ja.. ja.. w.. w.. wel!"
"Neen, manneke! Nu niet weer gaan slapen, hoor! Komaan, er uit! Ben-je
het visschen vergeten?"
"Visschen?" Hé ja, toen Vader den vorigen avond zei: "Zeg Arend,
ga je morgen mee visschen?" toen had men Arends oogen eens moeten
zien! Ze blonken als sterretjes! Ja, hij ging graag, heel graag mee,
en deed zelfs den voorslag of het maar niet goed zou zijn, als hij
opbleef; ze moesten het anders eens verslapen, en wat dan?
"Neen, neen, jongen, zulke kunsten zullen we niet uithalen! Ik zal
wel maken, dat we het niet verslapen! Ga maar gerust naar bed! Ik
zal wel zorgen, dat we bijtijds wakker zijn!" zei Vader.
Nu Arend ging naar bed; maar hij dacht zooveel aan zijn visscherij,
aan baars, zeelt, snoek, voorn en aal, en hij was zoo ongerust,
dat hij geen wormen hebben zou om aan zijn haak te slaan, dat hij
den slaap maar niet vatten kon. Bovendien, het was zeer warm op dien
zolder. Hij hoorde de klok ieder half uur slaan, en de torenwachter
scheen wel op het nokje van het dak, boven zijn bedstede, te zitten.
Eindelijk viel hij in slaap, maar toen ook kwamen allerlei droomen
aanzetten.
Nu eens was hij bij het Paardenkoopersgat. Hij lei zijn hengel in;
de dobber zonk al verder, aldoor verder en dieper het water in. Hij
hield den stok stevig vast; loslaten wilde hij niet. De visch,
die den haak ingeslikt had, trok hem mede tot diep, heel diep in
het water. Hij wilde wel schreeuwen, maar kon niet! Hu, wat was het
water diep! Opeens keert de visch zich om en komt regelrecht op hem
aan! Brrr, wat 'n visch! Een soort van snoek is het, maar grooter,
veel grooter! Inplaats van vinnen heeft hij molenwieken; zijn staart
bestaat uit wel twintig hellebaarden en zijn kop ....! Arend wil op
den loop gaan! Jawel, hij loopt, maar hij vordert niet! De vreeselijke
visch komt al nader en nader! Arend wil schreeuwen; maar al doet hij
den mond nog zoo wijd open, hij kan niet. Er komt geen geluid over
zijn lippen! Hij heeft het benauwd, vreeselijk benauwd!--
Daar krijgt de snoek een menschenhoofd!
Ontzettend, een hoofd als de kerk, en het gelijkt sprekend op het
barre gelaat van den Duitschen Hopman Hans Munter.
Zijn knevels gelijken veel op groote bezems en zijn oogen op aarden
schotels!
Waar zal Arend heen? Hij kan niet weg; hij kan niet roepen; hij
kan niet.....
"Potztausend, Spitzbube, mache dass du fortkommst!" schreeuwt de
snoek-mensch.
Arend kan niet anders doen dan benauwd ademhalen!
Hé, die Hans Munter met zijn grooten kop en zijn geschubd lijf zit
hem boven op de borst.
Alweer gaat die groote mond open; de vin wordt een nijptang, en
vreeselijk klinkt het in Arends oor:
"o, Du Schweinjunge, du must Prügel haben! Prügel--Prü...."
Arend geeft een geweldigen schreeuw. Hé, daar knapt hij van op! Die
leelijke Hans Munter is weg, heelemaal weg! Maar waar is hijzelf
nu? In het water? Maar hij is niet nat! Hij zal naar de biezen
grijpen! Biezen?--Dit zijn ze! Neen, dat zijn ... dat zijn ... maar
hoe is dat mogelijk? Dat zijn dekens, en dit, dit is ... bons! daar
stoot hij het hoofd tegen een eikenhouten balk! Nu is hij goed wakker
en weet hij dat hij op bed ligt. Maar, hoe gek! Zijn voeten liggen
aan het hoofd-, en zijn hoofd ligt aan het voeteneinde!
Omgekeerd dus! Bons, nog eenmaal tegen dien balk! Dat doet zeer! Maar
nu is hij ook goed wakker. Blij toe! Brrr, wat een akelige droom
was dat!