GRAAF EN HONDENJONGEN.

Het was den 28sten Juni van het jaar onzes Heeren 1297, dat er in den

Buitenhof van het Grafelijke jachtslot in "Die Haghe" zich een bonte

menigte bewoog. Opgetuigde paarden liepen aan de hand van stalknechts

op en neer, en gaven dikwijls zulke krachtige bewijzen van hun

ongeduld, dat de knechts wel beide handen noodig hadden om de dartele

dieren in toom te houden. Valkeniers, pluimgraven, hondenjongens,

jagers, hofhoorigen van allerlei bedrijf en ambacht,--lijfeigenen,

boeren, ambachtslieden, schildknapen, Ridders en Edelen, alles liep in

de bontste wanorde, die men zich maar voorstellen kan, door elkander

en scheen ten laatste in het ongeduld der trappelende en snuivende

rossen te deelen.

Wat was er te doen?

De dorpers van Rijswijk, Voorburg en Leydschendam hadden reeds

gedurende verscheidene dagen geklaagd, dat de omstreken door een

reusachtigen wolf zeer onveilig gemaakt werden, doch daar dit dier

zich meestal schuil hield op het jachtgebied van den Graaf, hadden ze

den moed niet, het dier daar op te zoeken en te dooden. Nu stond er

voor hen geen andere weg open dan den Graaf er kennis van te geven,

dan kon deze, als hij het goed vond, zelf op de jacht gaan en het dier

dooden, of anders de Edelen uitnoodigen, het Grafelijke Hout van dien

vreeselijken bewoner te verlossen. Had hij hiertoe geen lust, welnu,

dan kon hij toestaan, dat de bewoners der genoemde plaatsen op dit

dier in het bosch een drijfjacht hielden. Iets in hun voordeel zou er

gebeuren, dat wisten die lieden zeker, want al was de Genadige Graaf

Jan, "der Keerlen God," niet, hij was er toch een zoon van, en al liep

de jonge man ook nog zoo aan den leiband van den heerschzuchtigen,

ruwen, wreeden en onbeschoften Zeeuwschen Edelman Wolfaerd van

Borselen, toch zou de Graaf hier uitkomst brengen. Het kon niet anders.

De jonge en zwakke Graaf, die zich zoo beheerschen liet was een groot

liefhebber van de jacht, en daarom had hij besloten een algemeene

drijfjacht op het roofdier te houden. Dit nu was de oorzaak, dat er

reeds van den vroegen morgen af een ongewone drukte en bedrijvigheid

heerschte in den Buitenhof van het jachtslot, waar het in den laatsten

tijd niet heel levendig geweest was.

Ondertusschen scheen men ongeduldiger te worden naarmate de schaduwen

langer werden. Een uur na den noen was men bescheiden, en nu wees

de zonnewijzer op den linkertoren van het slot reeds één uur. Als

ge dat vreemd vindt, dat ongeduld namelijk, dan dient ge te weten,

dat het middagmaal in die tijden zoo ongeveer tegen elf uur in den

voormiddag gehouden werd, en dat men nooit sprak van een noenmaal of

noen. Al vroeg in den morgen, des zomers zeker om zes uur, ontbeet men.

Het ongeduld van die bonte menigte, die in de heete zomerzon op den

kalen Buiten- en Binnenhof geblakerd en geschroeid werd, valt dus

wel te verklaren.

Er had daar binnen in het Slot zeker iets plaats gehad.

Wat?

Graaf Jan, wiens opvoeding aan het Hof van den Engelschen Koning Eduard

zeer veel te wenschen had overgelaten, was voor de Hollanders zoo goed

als een vreemdeling, daarenboven jong, zeer onervaren en geheel tegen

de richting van zijn Vader. Een sterk gestel had hij ook niet, en veel

moest er hem niet in den weg komen, of hij was boos en onhandelbaar.

Het wegblijven van den Graaf werd door de ongeduldige menigte dan

ook aan de meest verschillende redenen toegeschreven.

Doch laat mij u eerst een stukje geschiedenis vertellen.

Den vorigen dag was het juist een jaar geleden, dat Floris V door de

wraakzuchtige Edelen vermoord was geworden.

Dat was een slag geweest voor de Poorters en de Dorpers! Beter

Graaf dan "der Keerlen God" had er nooit geleefd. Altijd even gul en

minzaam, ja, en altijd even rechtvaardig, onverschillig of hij een

trotsch Baanderheer, een eenvoudig Edelman, een vlijtig Poorter,

een nederig Dorper of een arm Lijfeigene voor zich had. Meer dan

veertig vrije Poorters en Dorpers had hij tot den Adelstand verheven,

omdat ze op de een of andere wijze getoond hadden, dat ze, waar het de

belangen van het Graafschap gold, voor de Edelen niet onderdeden. Zoo

iets maakte Floris bij de minderen bemind en geliefd, doch bij de

oude Edelen gehaat. Maar Floris stoorde zich hieraan niet en ging

zijnsweegs. Intusschen hadden die oude Edelen hun nood geklaagd aan

Eduard, Koning van Engeland, die ook al geen vriend van den machtigen

Hollandschen Graaf was, niettegenstaande des Graven zoon Jan verloofd

was met Eduards dochter, Elisabeth, en sedert 1287 aan het Engelsche

Hof verkeerde om daar zijn opvoeding te ontvangen. Dat opvoeden aan

het Hof van Koning Eduard was misschien wel meer een list dan goede

zorg van den Koning geweest; want eens, dat Floris iets gedaan had, dat

niet in het voordeel van Engeland was, liet Eduard aan Floris vragen,

of deze wel wist, dat hij zijn zoon in zijn macht had. "Welzeker weet

ik dat," antwoordde Floris, "maar dat zal mij niet beletten anders

te handelen. Als Graaf van Holland, Zeeland en Westfriesland heb ik

ook nog andere plichten te vervullen!"--Dat was mooi geantwoord, niet

waar? Maar toch zou Graaf Floris misschien wel anders gesproken hebben,

als hij nog niet een voorzoon gehad had van wien hij meer hield dan van

Jan. Deze zoon heette Witte, en diens Moeder was een dochter van Heer

Jan van Heusden. Witte nu was in alles het evenbeeld van zijn Vader,

en de Hollanders hielden zielsveel van hem, en waren er grootsch op,

dat Graaf Floris hem "Jonker Witte van Holland" liet noemen. Later

gaf hij hem de Heerlijkheid Haamstede en van dien tijd af wordt hij

meestal Witte van Haamstede genoemd. Dezen Witte nu had Graaf Floris

gaarne tot zijn opvolger in de Graafschappen benoemd, en eens heeft

hij er zelfs zeer ernstig over gedacht. Toen Koning Eduard dit vernam,

besloot hij wat water in zijn wijn te doen en voorzichtiger te zijn;

want hij begreep wel, dat de Hollanders veel liever Witte tot Graaf

zouden willen hebben, omdat zij hem kenden en beminden, dan Jan, dien

ze niet kenden, en van wien ze alleen wisten, dat hij niet sterk en

ook niet dapper of verstandig was. In stilte echter stookte Eduard

de ontevreden Hollandsche en Zeeuwsche Edelen op, en dit gelukte hem

volkomen. Zoover had hij het weten te brengen, dat zij besloten Graaf

Floris heimelijk gevangen te nemen, en toen ze dit beproefden en zulks

niet gelukte, was de wreede Gerard van Velsen met nog een paar andere

Edelen, slecht genoeg, den Graaf te vermoorden. Die moord was eigenlijk

bij ongeluk geschied; ze hadden niet gemeend zoo ver te gaan, en velen,

die over Graaf Floris ontevreden waren, hadden nu veel spijt, dat de

zaak zoo treurig afgeloopen was. Doch gedane zaken nemen geen keer,

en daar de verbonden Edelen wel begrepen, dat ze er slecht zouden

afkomen, als ze in handen van het volk vielen, beproefden ze de vlucht

te nemen. Velen gelukte dit. Zoodra nu Koning Eduard hoorde, dat de

zaak zulk een treurig einde genomen had, liet hij zijn schoonzoon

Jan voor zich komen en zeide: "Jan, uw Vader heeft zijn roekelooze

handelingen met den dood moeten bekoopen. Sommige Edelen hebben hem

per ongeluk moeten dooden, inplaats van hem aanvankelijk naar Engeland

over te voeren, zooals ons plan was. Thans zijt gij Graaf van Holland,

Zeeland en Westfriesland!"

Nu was Jan geen slecht mensch, maar aan het Hof van Koning Eduard

had hij zooveel kwaads hooren vertellen van zijn Vader, dien hij

nauwelijks meer zou gekend hebben, dat hij op deze droeve tijding

niet heel erg ontroerde.

De Koning vervolgde daarom: "Gij zijt nog jong, Jan, en als gij

in Holland komt, zullen de oude vrienden van uw Vader u trachten

wijs te maken, dat gij de moordenaars streng straffen moet. Een

hoop poorters en dorpers, met uw halfbroeder Witte aan het hoofd,

zullen den baas over u willen spelen, doch ik raad u ernstig aan:

houd dat volkje op een afstand, anders loopt ge nog gevaar, dat ze

u op den eenen of anderen dag wegjagen, om dien Witten Graaf te maken."

Graaf Jan's oogen fonkelden. Ja, hij had inderdaad ook wel eens gehoord

welke plannen zijn Vader met dien Witte had gehad, en daarom beloofde

hij gaarne, dat hij Witte en zijn aanhang zoo min mogelijk aan het

Hof dulden zou.

Eduard hoorde dat met welbehagen aan en hernam: "Ik wil u gelooven,

mijn zoon, maar gij zijt nog zoo jong, en ge kunt u misschien nog

laten overhalen om anders te doen, dan wat ge nu van plan zijt. Ik

zal u twee trouwe vrienden naar Holland medegeven, en wel de Heeren

Reinoud Ferrer en Richard de Havering. Beloof mij nu bij al, wat u lief

en dierbaar is, dat gij deze twee tot uw raadslieden zult aannemen,

en altijd doen wat zij u zeggen, dat het beste is. Bedenk het, mijn

zoon, dat mijne lieve dochter Elisabeth uw vrouw is!"

Zonder recht na te denken, wat hij deed, beloofde Jan dit, en zóó

kwam de jonge Graaf in Holland met een onstandvastig karakter, een

haat tegen vele Edellieden, een minachting voor Poorters en Dorpers,

een trotsche, Engelsche vrouw en twee Engelsche vrienden, die hij

blindelings gehoorzaamde.

Was het wonder, dat de Hollanders niet met hem ingenomen waren? Ja,

zelfs de oude vijanden van Floris wenschten nu dat "der Keerlen God"

nog maar leven mocht! Doch dat wenschen kwam te laat.

Tot hiertoe de geschiedenis, en nu weer ons verhaal.

Wat was er den vorigen dag gebeurd?

Met den verjaardag van den moord op Graaf Floris, was Witte van

Haamstede aan het Hof van zijn broeder gekomen, om hem over het

verlies zijns Vaders te troosten, en Witte had dit zoo hartelijk

gedaan, dat Jan hem uitnoodigde dien nacht op het slot te blijven om

dan den volgenden dag aan de drijfjacht deel te nemen. Witte had die

uitnoodiging gaarne gehoor gegeven, doch zie, terwijl de jagers al in

den Buitenhof op en neer liepen, was Witte met een verstoord gelaat

uit het slot getreden, en had bevolen van hem en zijn schildknaap

terstond de paarden te zadelen. Een kwartier uurs later sloegen ze

in gestrekten draf den weg naar Vlaardingen op.

"Begrijp jij er wat van, Lein?" vroeg lange Melis, de pluimgraaf,

aan een breedgeschouderden hondenjongen met zwarte, guitachtige oogen

in het hoofd.

"Yes, sir, I have er alles van begrepen!" antwoordde deze.

"Och, loop met je mondvol Engelsch naar de Noren, en zeg me liever

in het goede Hollandsch van den vromen Melis Stoke, wat je er van

weet!" hernam Melis.

"Ja, zoo'n domme gans van een kippenkoning, als jij bent, kan niet

verdragen, dat ik Engelsch spreek. Maar dat neem ik je volstrekt

niet kwalijk. Je kippen, eenden en varkens zijn allemaal hier uit

Holland en verstaan alleen Hollandsch; maar mijn honden zijn niet

hier vandaan; de een is uit Wales, de ander uit Engeland en een derde

weer uit Schotland, zoodat ze geen stom spreekje Hollandsch verstaan,

en ik wel Engelsch spreken moet, omdat..."

Pats! daar kreeg Lein een draai om zijn ooren, dat hij heelemaal

achterstevoren keerde, en vlak voor een Engelschen paardenknecht van

Sir Richard de Havering kwam te staan.

"You had better work, sluggard!" ("Je zoudt beter doen, als je werkte,

luiwammes!") zei de Engelschman.

"Yes, sir, I, I,... shall... I,... I..."

"What, I!" bromde de man, en, "flap!" daar had Lein er op het andere

oor ook een beet.

Nauwelijks was de Engelschman weg, of Melis kwam lachend uit zijn

hoekje en zei: "Have you had een paar opstoppers? Wat is "opstopper"

in het Engelsch, zeg, Lein?"

"Ik wilde wel, dat jij er ook zoo'n paar gekregen hadt," bromde

Lein. "Het is eigenlijk alleen jouw schuld: jij hield me immers aan

den praat!"

"Dat is waar, jongen, dat is waar! Maar weet je, wat je doet? Als

die Vos met zijn mooien, rooden krullebol terug komt, dan moet je

maar op zijn Engelsch zeggen: "Sir, geef die opstoppers nu maar aan

den pluimgraaf!" maar op zijn Engelsch; hoor!" sarde Melis.

"Als je niet ophoudt met plagen, dan stuur ik de honden op je af, lange

boonstaak van een varkensvader," riep Lein, doch schoot onwillekeurig

in den lach toen hij die "mooie" woorden uitsprak.

"Zoo, zoo, nu is alles weer effen! Vertel me nu maar wat jij er van

begrijpt, dat Jonker Witte zoo schielijk vertrokken is, en dat de

Graaf ons zoo laat wachten!" zei Melis.

"Dat kan ik gauw zeggen," gaf Lein ten antwoord. "Onze goede Jonker

heeft vanmorgen in de vroegte al hooge woorden gehad met Sir Reinoud

Ferrer, en deze werd zoo boos, dat hij de hand aan zijn zwaard sloeg;

maar de Jonker was niet bang voor hem; hij lachte even en zei:

"Boaster!"

"Wat wil dat zeggen, Lein?"

"Ja, ik wist het ook niet; maar de keukenmeester, die het aan Mien,

de kamermeid van Vrouwe Elisabeth, verteld heeft, zei dat "boaster"

zooveel wil zeggen, als "windzak." Hoe vind-je dat, Melis?"

"o, Kostelijk, kostelijk! Van nu af noem ik iederen Engelschman,

met jou te beginnen, "boaster."--Zijn je honden al gevoerd, boaster?"

"Hoor eens, Melis, doe me nu het genoegen en noem me zoo niet

meer! Ik wil geen Engelschman meer zijn en ik zal voortaan Hollandsch

spreken. Maar je weet nog niet alles. Toen Jonker Witte hem dan

"boaster" genoemd had, liep Sir Reinoud Ferrer zoo hard weg, als

hij kon, om zulk een Hollandschen praatsmaker bij den Graaf aan te

klagen. Nu lag Graaf Jan nog te bed, en eerst tegen den noen is hij

opgestaan. Sir Reinoud Ferrer was er dadelijk bij om Jonker Witte aan

te klagen, en het gevolg hiervan was, dat de Graaf zijn broeder roepen

liet om hem den mantel eens uit te borstelen. Maar Jonker Witte is geen

sloddervos; hij draagt altijd groote zorg voor zijn kleeren, zoodat

hij niet dulden kon, dat zijn broeder hem in bijzijn van die twee

Engelsche heeren en de Genadige Vrouw, den mantel uitborstelde. Toen

Graaf Jan uitgesproken had, ging Jonker Witte voor hem staan en

zei: "Het staat u wonderfraai, Heer Graaf, den vreemdeling boven uw

broeder voor te spreken. Maar luister goed toe, wat ik u voorspel. Ge

zult zóó lang aan den leiband van deze twee mannen loopen, tot ze u

heelemaal naar hun hand gezet en u van de goede Hollanders vervreemd

hebben. En is het eenmaal zoover gekomen, dan sta ik u, Heer Graaf,

voor de gevolgen niet in!"

"Dat wil ik wel gelooven," had toen de Havering gezegd, "je wilt zelf

veel te graag Graaf worden!"

Hierop keerde Witte zich tot den Engelschman en zei: "Zoo als

ik vanmorgen je vriend Ferrer genoemd heb, zoo noem ik jou ook:

"boaster!" En als je nog wat te vertellen mocht hebben, ik ben Jonker

Witte van Holland en woon op mijn kasteel te Haamstede op Schouwen!"

Hierop keerde Jonker Witte zich om, ging het slot uit, den stal in,

liet de paarden zadelen en reed met zijn schildknaap heen. "Wat zeg

je er van?"

"o, Man, kostelijk, kostelijk! Wat zal die de Havering leelijk op

zijn langen neus gekeken hebben. Maar hoe weet je dat zoo netjes?"

"Wel, de keukenmeester heeft alles onder het open raam staan

afluisteren, en het daarna aan zijn zuster Mien verteld. Nu kan ik

bij Mien nog al in de kas, omdat ik haar wel eens wat help, en zij

heeft het mij verteld."

"Hoor eens, ik ben blij dat ik het weet. Ik houd nu nog veel meer

van Jonker Witte dan vroeger, maar, dat stilletjes staan luisteren

van den keukenmeester, dat bevalt me toch niet, en nu weet ik, wat

het beteekent, als ze zeggen, dat de muren soms ooren hebben!"

Als Melis een sermoen ging houden, dan was hij in het eerste half

uur nooit klaar, dat wist Lein ook wel, en daarom verheugde hij zich,

dat er op eens een heele opschudding op den Buitenhof plaats greep.

Graaf Jan had eindelijk besloten het geduld der Heeren jagers niet

langer op de proef te stellen, maar toch wilde hij hen eerst nog eens

beet nebben. De jagers wisten niet beter of men zou te paard uitgaan,

en zie, daar verscheen de Graaf in een eenvoudig jachtgewaad en te

voet. Een boog met pijlkoker slingerde op zijn rug, en naast hem liep

zijn geliefde jachthond Diaan, dien hij op zijn Engelsch "Dy" noemde.

"I am ready," ("ik ben gereed,") had hij tot den Hofmaarschalk gezegd,

en toen deze hem verwonderd aankeek, omdat hij zonder paard uitging,

zei hij in slecht Hollandsch: "ja, een jacht te voet!"

Dat gaf eerst nog een verwarring! De paarden werden weggeleid, en de

Heeren jagers haastten zich andere wapenen te halen. Graaf Jan was

dan ook al lang vooruit gegaan en stapte juist voorbij het valkenhuis,

waar Melis en Lein met de honden gereed stonden.

"Wat een verschil met zijn Vader!" fluisterde Melis. "Ik geloof nooit,

dat hij lang leven zal!"

"Men kan wel zien, dat de tijd der klitten er nog niet is," meesmuilde

Lein.

"Wat klitten?" vroeg Melis.

"Wel, je kent toch die bollekens wel, die langs den weg groeien en

die aan de kleeren blijven hangen, als men ze er op gooit?"

"Nu ja, maar wat zou dat?"

"Wel, ik noem de Heeren Ferrer en de Havering nu eens klitten, omdat

ze anders overal en altijd bij hem zijn. Dezen keer zijn ze niet bij

hem. Ik wenschte wel, om ik weet niet wat, dat ze maar weer weg waren!"

"Jawel, maar dáár komt een andere klit, en die heeft dorens," hernam

Melis, en wees met de oogen op een forschen Ridder van onaangenaam

voorkomen. "Dien Heer Wolfaerd van Borselen vertrouw ik ook al geen

zier, evenmin als dien Jonker Willem van Henegouwen, den zoon van

Graaf Jan van Avennes, die daar achteraan komt slenteren, en het zou

me niet verwonderen, of die Wolfaerd knikkert de Engelsche Heeren

nog eens van de baan!"

"Dat zou ik wel prettig vinden," antwoordde Lein.

"Ei, zou je dat? Och, dan toch! Maar ik geef er niet om, of ik door

de poes of door den kater gebeten word. Begrepen?"

"Wat bedoel je daarmede?"

"Wel, die Heer Wolfaerd is ook al een best vriend van Koning Eduard,

dat heb ik al lang geleden gehoord toen onze goede Graaf nog leefde. En

wat dien Jonker Willem betreft, ja, dat schijnt een beste jongen te

zijn, maar zijn Vader is Graaf van Henegouwen en dien vertrouw ik

in het geheel niet. Hij is zoo wat een neefje van onzen Graaf, en

als onze Graaf Jan kinderloos stierf, dan zou hij zeggen: "Ziezoo,

Henegouwen is zoo groot niet of Holland, Zeeland en Westfriesland

kunnen er nog wel bij!"

Lein staarde den pluimgraaf met groote oogen aan en zei: "Heb jij

óók kennis aan Mien, de kamermaagd?"

"Loop heen, die weet alleen schandalen te vertellen, die in het Slot

voorvallen, als haar broeder er zijn neus in gestoken heeft. Neen,

maat, ik heb om zulke dingen te weten, betere kennissen. Ken je

Aernout den Loosduiner?"

"Dien dikken schildknaap van Jonker Witte?"

"Juist, dezelfde. Nu, die Aernout heeft het mij verteld en Jonker

Witte heeft geen geheimen voor hem!"

Terwijl Melis en Lein, om de waarheid te zeggen, zoo hun tijd stonden

te verbabbelen, kwam de paardenknecht van Sir Richard de Havering weer

onverwachts aan, en ....flap! flap! twee draaien om de ooren en een:

"Begone, babbler!" ("voort, babbelaar,") volgde.

Lein keerde zich thans woedend om en met oogen, die glinsterden van

kwaadheid, siste hij tusschen de tanden: "Boaster!"

Nauwelijks had de Engelschman dat woord gehoord, of hij lichtte zijn

vuist op om die op Leins hoofd te doen neerkomen, doch eer het zóó

ver kwam, pakte de lange Melis den van kwaadheid schuimbekkenden man

beet en smeet hem den stal uit, roepende: "Als je bakkeleien wilt,

hier, ik ben je man!"

Dat kon de Engelschman niet verdragen. Als een dolle stier, met het

hoofd voorover gebukt, kwam hij op Melis af, doch deze sprong wat op

zij, en.... bons!.... de woedende kerel liep zoo hard met het hoofd

tegen de staldeur, dat hij, als een gedolde os, op den grond tuimelde.

"Wel mag je dat bekomen, kameraad," riep Melis lachend, en den

man latende liggen, waar hij lag, ging hij met Lein den jachtstoet

achterna.

Het ging den kant naar Rijswijk uit, en nog altijd scheen men te

twijfelen, welken weg men nemen zou.

Lein en Melis bleven dus bij elkander, en eenmaal op weg zijnde,

gingen hunne monden weer, als Lazaruskleppen, tot Melis opeens vroeg:

"Heb jij al eens een wolf gezien, Lein?"

"Ja, verleden voorjaar te Haarlem. Daar was een man, die een wolf in

een ijzeren kooi had. Maar, jongen, wat zijn de honden op zoo'n dier

gebeten. Ik had wat moeite de twee hazewinden van onzen goeden Graaf

in bedwang te houden!"

"Wat is er toch van die hazewinden geworden?"

"Wel, dat moest zoo'n vertrouwd vriend van Aernout den Loosduiner

toch weten, dunkt me!"

"Heeft Jonker Witte ze dan?"

"Welja, wie anders? Je weet, dat de Kennemers deze trouwe dieren bij

Graaf Floris in de sloot vonden. Stomme beesten, ze likten zijn wonden

af, alsof ze hem zóó weer levend wilden maken!"

"Ja, dat weet ik; maar toen?"

"Wel, toen zijn ze mee naar Alkmaar gegaan, en ze zouden daar op

het graf van den goeden Graaf van honger en dorst gestorven zijn,

als Jonker Witte er niet tijdig nog een schotje voor geschoten had!"

"Liet de koster van die kerk de arme dieren dan zoo maar aan hun lot

over? o, Dat is zeker nog zoo'n koppige Westfries, die nu de honden

van den Graaf kwaad deed, omdat hij den Graaf niet aandurfde toen

deze nog leefde. Die Westfriezen vertrouw ik geen van allen!"

"Foei, nu praat je de tong voorbij, Melis! Ja, de koster zorgde

wel voor de dieren, maar ze wilden niet eten of drinken, en alleen

aan Jonker Witte is het gelukt hen aan een zacht snoerken mede te

nemen! Maar stil, daar komt Gilles de Henegouwer, die heeft zeker

wat te zeggen!"

Lein had goed geraden. Gilles de Henegouwer, een knecht van Jonker

Willem, kwam zeggen, dat Melis hem met een koppel honden volgen moest,

en dat Lein zich in het bosch van den Heer van den Brinckhorst moest

begeven. De beide vrienden scheidden van elkander en, na zich over

den Vliet te hebben laten zetten, ging Lein het bosch in. Om nu te

zeggen, dat hij op zijn gemak was, dat gaat niet aan; want zoo alleen

in dat bosch, dat zich heel ver uitstrekte, rond te dolen, dat was

juist zulk een begeerlijk baantje niet. "Als je den jachthoorn hoort,

moet je met je honden komen," had Gilles gezegd; maar hier zag hij

tusschen de hooge eiken en beuken geen enkelen jager, en hij zou

nu wel eens willen weten, als er geen jagers waren, wie er dan op

den hoorn blazen moest. En dan, als de wolf hier eens verscholen

was, wat zou hij aanvangen? De honden zouden hem wel helpen, ja,

maar als de wolf de honden eens verscheurd had? Daar ritselde wat

in de lage struiken. Angstig zag hij er heen! Eensklaps staken de

honden de ooren op en... brrr, Lein rolde van schrik op den grond

en werd door de honden, die hij niet loslaten kon, een eindweegs

mede gesleept. Eindelijk krabbelde hij op en had nog even tijd om

te zien, dat het vreeselijke dier, dat hem daar voorbij gerend was,

niets anders was dan een groote haas.

Ondertusschen werd het langzamerhand later en, naar zijn maag te

oordeelen, meende Lein dat het zoo omstreeks zes uur zou zijn.

En nog altijd geen jagers te zien, en nog altijd geen hoorngeschal

te hooren!

Als ze hem hier in dit groote bosch maar niet vergaten!

"Weet je wat," dacht hij, "ik ga hier een oogenblik op het gras zitten

en mijn maal doen. Ik zie scheel van den honger!"

Zoodra hij dit gezegd had, zette hij zich op het gras, haalde den

knapzak, die op zijn rug hing te bengelen, kreeg er een stuk grauw

brood met spek uit, en begon een muizenmaaltje te doen; want water

zag hij nergens.

"Moeder had wel kunnen zorgen, dat er aan dat spek niet zulk een

groot stuk zwoord zat," bromde hij, en begon nu met beide handen te

trekken om nog wat spek er af te krijgen. Maar toen hij zoo trok,

en zooveel moeite deed om van het spek te halen, wat er van te halen

was, dacht hij niet aan de honden, die hij in het geheel niet meer

vast had, en of het werk zoo sprak, als op een afgesproken teeken,

snelden beide dieren, vreeselijk blaffend het kreupelhout in.

"Tijl, Grijp, kom hier!" riep Lein; maar jawel, de honden stoorden

zich nergens aan en lieten hun jongen meester roepen en fluiten

zooveel hij wilde.

"Hier zit ik nu, verlaten als een hoornbeest (oorwurm) op een

koolblad!" zuchtte hij, en borg het overschot van brood en spek in

den knapzak.

"Als er nu eens op den hoorn geblazen werd!"

"Wof--wof--wof!" klonk het uit de verte en een oogenblik later:

"Wof--wof--wof!" in de nabijheid.

"Kom hier, Tijl! Kom hier, Grijp! Satansche beesten, ben-je behekst? Ik

zeg, kom hier! Fu-u-u-u-u-ut!"

"Wof--wof--wof!" nu kon hij ze nog even hooren en, hopende, dat ze

weer naderbij zouden komen, bleef hij nog een poosje staan luisteren,

maar te vergeefs. De honden waren weg en bleven weg.

Lein werd treurig en stond daar met den vinger in den mond, als een

jongen, die zijn laatsten Zondagspenning versnoept had.

O, jongens, als de wolf nu toch eens kwam, wat moest hij dan doen? Hij

had niets bij zich dan een hondenzweep en een zakmes.

Zou hij verder gaan en zien, dat hij het bosch uitkwam? Zoo denkende en

dwalende kwam hij bij een reusachtigen eik. Deze boom had eenige voeten

boven den grond een aantal knoestige takken en een paar bulten, waaraan

verscheidene kleinere takjes zaten. Lein zag zeer goed, dat men in dien

boom gemakkelijk wegkruipen kon, zonder door iemand gezien te worden.

Als hij het maar eens deed! Wanneer hij iemand hoorde, zou hij er

uitkomen, als ze even verder gegaan waren en hen dan stil volgen.

Zoo gedacht, zoo gedaan.

In een oogwenk zat hij in den boom, en kon nu rustig en wel overdenken,

wat hij doen moest.

Toen hij daar zat, keek hij eens naar boven, en zag dat, wat hooger,

de boom nog zoo'n zonderlinge verbreeding van takken had en, naar het

scheen, kon men daar ook gemakkelijker zitten. Zijn besluit was gauw

genomen en geen vijf minuten later, zat hij boven in den boom. Het

leek daar wel een groot ooievaarsnest, waarvan hij de ooievaar was.

Onder het klimmen was zijn knapzak aan een tak blijven hangen, en

daarna op zijn borst geslingerd. Het scheen wel dat hij daar hing om nu

leeggegeten te worden. Althans Lein legde dat zoo uit, en begon zijn

maal voor den tweeden keer.--Hij had daar boven geen ruim uitzicht;

want de boom geleek van beneden gezien veel meer dan hij werkelijk was,

en hij had wel wat gelijkenis met Aernout den Loosduiner, die was ook

in de dikte gegroeid en wel twee hoofden kleiner dan Jonker Witte was.

Intusschen, de boterham was op, en juist wilde hij den knapzak oprollen

en in den zak van zijn wambuis steken, toen hij beneden zich een

voetstap hoorde. Een mooie jachthond kwam uit het hout en sprong op

tegen iemand, dien Lein nog niet zien kon.

"Still, Dy, still!" klonk het, en Lein herkende de stem van Graaf

Jan, die, na wat rondgezien te hebben, zich onder den boom, waarin

de knaap verborgen was, neerzette.

"Ziezoo," dacht Lein, "als de wolf nu komt, dan ben ik alvast niet

alleen. Zou de Graaf slapen? Het wordt daar beneden zoo stil!"

Ja, het werd daar beneden stil, maar het begon ook in het bosch stiller

te worden. De zon begon al aardig te dalen, en nog een groot uur, dan

zou ze onder zijn! En hoe vervelend voor Lein om doodstil boven in een

boom te zitten! Als de vogeltjes hem zagen, vlogen ze verschrikt weg,

en menigmaal dacht de knaap: "Was ik maar een vogel!" Doch door dat

stil zitten was het, alsof zijn oogen zeer gingen doen. Zou dat slaap

zijn? Neen, slapen wilde hij niet, dan kon de Graaf weggaan zonder dat

hij het wist. Hij zou voor tijdverdrijf een poppeken snijden. Hout was

hier in overvloed en zijn mes was scherp! En daar ging het, links,

rechts, nu eens onder, dan eens boven, ziezoo, de ronde bol van den

kop was klaar. Maar aan dien bol moest een neus en mond zijn. Fijn

werk, ja!--

"Wacht," mompelde hij, "ik zal hem een neus geven, als den Eerwaarden

Vader Melis Stoke, die heeft een neus als... maar die oogen, die

oogen! Kijk, nu sneed hij weer verkeerd! De neus stond toch niet

overdwars op een gezicht.--Hij zou.. hij zou.. ja, hij zou er nu

maar een mond van.. van maken. Maar Melis Stoke had toch den neus

niet beneden den mond... staan! Dat was... nu.. Melis.... zou

lachen.... en die Melis, de.. lange.. lange.. Melis

weet.. je.. niet.. die.. bo.. boaster.. neen.. die.. die d.... d..."

Zoo sliep Lein en hij droomde, dat hij bij Egbert den Grijze

zat. Egbert de Grijze was schildknaap geweest bij Floris' Vader,

den Roomsch-koning Willem. Die man kon wat vertellen! Van den brand

te Brunswijk, waar Willem bijna met zijn jonge vrouw in de vlammen

omgekomen was; van de Westfriezen, die Willem op het zwakke ijs lokten

en hem daar vermoordden; van Floris' krijgstochten tegen de Vlamingen;

van tournooien hier en steekspelen daar. Als Egbert aan het vertellen

was, dan liep zijn huisje vol, en iedereen luisterde met de grootste

aandacht. En nu vertelde hij van een jacht, de honden blaften zoo hard

ze konden: wof--wof! en.... wof--wof! wof--wof!--Lein schrikte wakker;

hij droomde, dat een wild zwijn hem nazat, en... wof--wof--wof! neen,

dat was geen verbeelding, dat was werkelijk blaffen en wel onder aan

den boom. De zon was ondertusschen ondergegaan en de maan gaf een te

zwak licht om door de bladeren heen te kunnen schijnen.--Zou de Graaf

er ook nog zijn? Maar stil, daar hoort hij iets. Het schijnt wel, dat

men in den boom klimt! Als dat de wolf eens was! Maar wolven kunnen

niet klimmen! Het is dus wat anders. Lein ziet thans nauwlettend toe en

meent een hoofd te zien met een baret waarop een witte veder staat. Ja,

zulk een baret had Graaf Jan op toen hij des middags uitging. Meer

en meer wordt de gestalte zichtbaar en... het is de Graaf, dat ziet

hij nu duidelijk. De hond gaat vreeselijk tekeer. Daar hoort hij

iets kraken! Maar Dy is alleen en de wolf is een reus onder zijn

makkers. Eer het arme dier het weet, ligt het met afgebeten strot op

den grond! Als razend springt thans de wolf tegen den boom op. Heel

de omtrek davert van zijn woest gehuil, doch al de pogingen, die hij

aanwendt om in den boom te komen, zijn gelukkig te vergeefs. De Graaf

zit veilig, en hij, de hondenjongen, daar boven in den boom ook.

Doch wat zou Lein doen? Zou hij den Graaf toeroepen, dat hij ook in

den boom zit? Maar dan zal de Graaf vragen, wat hij daar doet en hoe

hij er in gekomen is.

En wat zou hij dan moeten zeggen?

De Graaf was ook in den boom gevlucht, dat was waar, maar niet vóór

de wolf er was, en hij klom er al in toen er nog geen wolf op veld

of wegen te ontdekken was. Neen, hij zal blijven, waar hij zit,

en stil ook; want als de Graaf hem ontdekte, dan....

Maar hoor me dien wolf eens een geweld maken!

Hij wroet de aarde om den boom los, en zijn groote tanden knarsen op

de harde wortels!

Lieve deugd, als het ondier den boom eens los kon graven, dan vielen

de Graaf en hij in zijn klauwen!

Maar waarom blaast de Graaf niet op zijn hoorn; hij heeft dien toch

bij zich! Waarom tracht hij den wolf niet dood te schieten! hij heeft

toch pijl en boog bij zich!

Waarom....?

Neen, maar hoor eens, als hij de Graaf was, dan zou hij toeteren,

dat iemand hooren en zien verging. Ze zouden het eindelijk toch wel

ergens hooren! In den nacht klinkt het geluid van een hoorn wel een

uur ver. Toen hij verleden jaar op het kasteel te Voorschoten was,

kon hij des nachts den torenwachter van Leiden hooren, en Voorschoten

lag toch nog meer dan een half uur van Leiden af. Zie, als de Graaf

nu maar eens flink blies, dan konden ze het op den Brinckhorst te

Voorburg of Rijswijk, ja, misschien wel in Die Haghe hooren. Ze zouden

den Graaf toch wel zoeken, als hij niet thuis kwam! Wie weet waren zij,

die hem zochten, niet reeds in de nabijheid!

Zoo dacht de knaap, en zoo wenschte hij dat het geschieden mocht; want

het zitten in den boom op de takken begon hem lastig te vallen. Hij

durfde zich niet verroeren uit vrees, dat de Graaf hem ontdekken

zou. En dat wilde hij niet; want hij wilde niet doorgaan voor een

bangen knaap, die al aan het loopen gegaan was toen er geen gevaar

bestond.

Had Lein echter eens even kunnen weten, wat de Graaf zooal dacht, en

waarom hij niet op zijn hoorn blies om zoodoende hulp te ontvangen,

dan zou hij niet zoo lang hebben zitten mijmeren.

Men had het Graaf Jan nog nooit gezegd, dat men aan zijn moed

twijfelde, doch een ander behoeft ons nog niet altijd te zeggen,

hoe hij over ons denkt. Men kan dat zoo wel zien. En de Graaf had al

lang ontdekt, dat men hem, zooal niet voor een lafaard, dan toch voor

iemand hield, die al heel weinig moed had. En als hij nu om hulp riep

en men ontdekte hem zoo in den boom, wat zou men dan zeggen?

"Ziet," zouden de "lompe" dorpers en de "drieste" poorters, die door

zijn Vader zoo verwend waren, uitroepen, "ziet, dat is nu onze Graaf,

die in een boom vlucht uit vrees voor een wolf! Bijlo, een kleinzoon

van een groot Vader!"

Neen, dat vermaak zou hij dien lieden niet gunnen! Dan liever den

geheelen nacht in den boom gebleven en den morgen afgewacht. De

nachten duurden in dezen tijd toch zoo lang niet, en als het licht was,

kon men beter denken ook.

Zie, zoo dacht Graaf Jan; maar dat wist Lein niet!

En beneden aan den boom was de wolf tot rust gekomen en had zich te

slapen gelegd! Wie weet of deze niet gedacht had: "Jij daar boven in

den boom, al heb je nog zulk een mooie muts op, ik zal je wel krijgen,

want ik ga hier niet vandaan, vóór ik je beet heb. En weet je wat,

ik ga nu wat slapen: ik ben moê gewerkt. Als jij het waagt, er uit

te komen, zal ik wel wakker worden. Reken er maar op!"

Het was dan nu overal stil. Boven in den boom, midden in den boom,

onder aan den boom, stil, overal stil! Alleen kwam er nu en dan een uil

voorbij vliegen, of ruischte er een luchtig koeltje door het loover.

Maar ho, wat kropen die uren langzaam, en langzaam bovenal voor Lein,

die zoo doodstil moest zitten. Hij voelde het, dat zijn beenen zoo

stijf werden, als een tak van den boom. Eerst hadden ze geslapen en

was het geweest, alsof men hem met duizend spelden prikte, en nu dat

over was, deden hem al de leden zeer.

Maar langzamerhand begonnen de sterren te verbleeken en kreeg de lucht,

in het Oosten, een klein blosje, dat gaandeweg toenam. De vogeltjes

werden wakker en schudden hun veertjes uit. In de verte kon men het

vee hooren loeien, en door de boomen bruiste een flauw windje, dat

de bladeren zachtkens trillen deed.

O, als Lein maar niet zoo stijf en koud geweest ware, dan....

Daar ging de zon op, en de Graaf scheen dit oogenblik afgewacht te

hebben; want Lein hoorde eenig geritsel. Nieuwsgierig, wat hij doen

zou, keek de knaap door de takken naar beneden en zag dat Graaf Jan

iets liet zakken. Lein kon niet goed onderscheiden, wat het was; maar

als hij goed zag, dan was het een zakdoek of zoo iets, die in reepen

gescheurd was. Die reepjes waren aan elkander geknoopt en onderaan

hing een krom takje in den vorm van een haak. Onwillekeurig moest de

knaap bij al zijn pijn nog lachen. Ging de graaf nu spelen, evenals

de jongskens die in een kinderstoel zitten en met hun kousebandjes

naar hun speelgoed visschen, dat op den grond gevallen is? Bah,

hoe kinderachtig voor een Graaf! Maar weldra zag Lein, dat hij te

voorbarig was geweest met den Graaf kinderachtig te noemen, want de

zoogenaamde visscher op het droge, haalde met den haak zijn boog op,

welke, bij de vlucht in den boom, op den grond was blijven liggen. De

pijlkoker had hij mee kunnen nemen. Nu begreep Lein alles, en hij

rekende al uit hoeveel minuten het nog duren moest eer hij vrij

was. Intusschen was de wolf wakker geworden en begon zijn spelletje

van den afgeloopen nacht weer. Als een dolle wroette hij den grond

om en beet in de blootgewoelde wortels.

Eensklaps gaf het dier een gil en werd nog woedender. Graaf Jan had

hem een pijl in den rug geschoten, en gaf er hem nog een, en nog een

en nog een. Eindelijk viel het dier stuiptrekkend op den grond. Snel,

als de wind klauterde de Graaf naar beneden en stak zijn jachtmes

in het hart van den vreeselijken vijand, die hem den geheelen nacht

gevangen had gehouden.

Dat alles zag Lein met groote vreugde, en toen Graaf Jan den wolf

den kop afsneed, dezen aan de ooren opvatte en er mede heenging,

toen was het Lein onverschillig of de Graaf naar Die Haghe of ergens

anders heen zou gaan. Hij was vrij, en zoo goed en zoo kwaad,

als zijn stijve ledematen hem dit toelieten, liet hij zich ook

naar beneden zakken. Zijn eerste werk was een sloot op te zoeken om

daar zijn brandenden dorst te lesschen, en toen hij dit gedaan had,

trachtte hij een uitweg in het bosch te vinden, dat hem al heel gauw

gelukte. Maar zie, nauwelijks kwam hij op het open veld, of Lange

Melis, aan het hoofd van eenige andere knechts, snelde hem te gemoet,

en riep: "Waar kom je vandaan?"

"Uit het bosch," gaf Lein ten antwoord.

"En heb je den Graaf niet gezien? o, Al wat leeft in Die Haghe en

op het slot is in beweging. De Graaf is gisteren niet van de jacht

teruggekeerd! Wij dachten, dat hij al vooruit was, en toen wij

thuis kwamen, meenden de Heeren Engelschen en de Genadige Vrouwe,

dat hij achteraan kwam. Nu scheen het wel meer te gebeuren, dat

de Graaf de nacht met den vreemden wichelaar, die een paar weken

geleden hier aangekomen is, op den toren blijft om uit den loop der

sterren zijn levenslot te weten, en toen hij niet kwam, dachten ze:

"Hij zal bij den Astronoom wezen en wil niet gestoord zijn. Voor een

paar uren echter is het uitgekomen, dat de Graaf in het geheel niet

thuis gekomen is, en nu is er me wat te doen! Heb je hem niet gezien?"

"Den wolf heb ik gezien," zei Lein, die liever niet den Graaf en

daardoor zichzelven verklikken wilde.

"Den wolf?" riepen allen.

"Ja, den wolf; maar zonder kop! Hij was nog warm en moet pas geslacht

zijn! Gaat maar mede, ik zal je de plaats wijzen waar hij ligt!"

Zoodra ze echter eenige schreden afgelegd hadden, stonden ze eensklaps

stil; want daar kwam de Graaf met den wolfskop in de hand.

"Wat kom je zoeken?" vroeg hij in gebroken Hollandsch.

"De Genadige Vrouwe was bevreesd, Heer Graaf, dat de wolf u eenig leed

gedaan had, en zij heeft ons uitgezonden om u op te zoeken!" antwoordde

Melis bedremmeld.

"Zoo, dacht ze dat? Maar gijlieden hadt kunnen weten, dat Graaf Jan

van Holland, kleinzoon van Koning Willem, zich door geen wolf leed

laat doen. Een paar honderd schreden links van hier kan je den wolf

vinden. Haal hem en breng hem op het slot, dan kunnen alle luiden zien,

dat ik geen kind meer ben, al houden zij er mij voor!"

Met opgeheven hoofd en trotschen blik vervolgde de Graaf zijn weg,

en een uur later bewonderde heel het Hof den koelen moed van den

jongen Graaf, hoewel er sommigen waren, die luide prezen en in stilte

dachten, dat het toch wel niet geschied zou zijn, zooals men elkander

verhaalde. Slechts één was er, die er alles van wist, en deze was

Lein, die eindelijk aan den Langen Melis zijn geheim verteld had,

om van dien lastigen vraagal, doch besten vriend, ontslagen te worden.

En, de Lange Melis heeft nooit het geheim verklapt. Zoo het heette, had

Lein den geheelen nacht wandelende in het bosch doorgebracht. En dat

hij niet loog, kon men hem wel aanzien; want hij zag er zoo vermoeid

en afgemat uit en hij was zoo stijf, alsof hij in een heele week niet

uit zijn kleeren geweest ware.

Uit Ouden Tijd · 第 5 / 18 题