In het Rituale Romanum--het boek dat door de H. Kerk aan hare priesters
ten gebruike is voorgeschreven bij de toediening der H.H. Sacramenten
en verdere zegeningen--wordt aanbevolen, [1] dat bij het H. Doopsel
aan de kinderen zooveel mogelijk de namen van Heiligen zullen gegeven
worden, opdat de doopelingen door hun voorbeeld tot godvruchtig leven
opgewekt, en door hunne voorspraak beschermd mogen worden. En onze
katholieken zijn loffelijk gewend, zich naar dien wenk te gedragen.
Wanneer het echter op de uitvoering aankomt, blijkt er niet zelden
eenig overleg noodig; want niet genoeg is het dat die naam eens
gegeven wordt: hij moet ook heel het leven door gedragen worden;
en de dragers ervan zijn evenzeer kinderen van een gemeenschappelijk
Nederlandsch vaderland als kinderen van de Katholieke Kerk. En zoo
behoort dan ook deze dubbele eigenschap zich zoowel bij het geven
als bij het dragen van den naam kenbaar te maken.
De keuze dan van den naam regelt zich naar het gezegde verlangen der
H. Kerk, maar ook naar de vaderlandsche zede, dat de kinderen tevens
genoemd worden naar de voorouders of bloedverwanten en bijzonderlijk
peters en meters. Niet zelden echter komt het voor, dat deze twee
belangen moeilijk te vereenigen blijken, voor zoover namelijk
niet juist genoeg geweten wordt, welke kerkelijk-latijnsche naam
beantwoordt aan den verlangden vaderlandschen vorm. En deze vraag
komt wel het veelvuldigst voor bij de Friezen, wijl zij meer dan de
andere Nederlanders aan de voorvaderlijke namen gehecht zijn.
Reeds vroeger is getracht, den ouders zoowel als den geestelijken
in deze moeilijkheid hulp te bieden door het opstellen van lijstjes
waarin de aloude "Hollandsche en Friesche namen in overeenstemming
gebracht worden met de namen der Heiligen die in de Kerk gevierd
worden." Deze poging, door een onbekenden geestelijke ten jare 1657
gedaan, had hare verdienste en heeft nut gedaan en gemak verschaft. [2]
Toch mag gezegd worden, dat ze te kort bleef in waardeering van de
aloude namen, welke door den opsteller voor weinig anders gerekend
werden dan "heidensche namen en die van Gothen en Wandalen".
Inmiddels echter hebben navorsching en studie het hare gedaan om
die oud-germaansche vormen beter tot hun recht te brengen. Meer
bepaaldelijk hebben in Duitschland de Koningsberger Professor _Eberhard
Gottlieb Graff_ (1780-1841) door zijn _Althochdeutscher Sprachschatz_,
en de Saksische Opperbibliothecaris _Ernst Förstemann_ (geb. 1822)
door zijn _Altdeutsches Namenbuch_, waarvan hij zelf nog in 1900
eene tweede uitgaaf mocht bewerken, de wetenschap op de eenig rechte
baan gevoerd. Bijzonderlijk heeft de laatste het namenstelsel der
west-germaansche volkeren van het vasteland uiteengezet door scheiding
in stammen, met onderverdeeling in groepen. Förstemann heeft daartoe
met de vlijt van een middeleeuwschen monnik, zoo mag men zeggen, alle
namen bijeenverzameld van de oudste oorkonden af tot het jaar 1100
toe. Het eigenlijke Noorden en de noordwestelijke eilanden echter waren
in zijn plan niet begrepen. Door zijnen arbeid is het thans, naar mijne
meening, mogelijk geworden juist te beoordeelen, op welke wijze bij het
Christen worden van westelijk Europa ook de persoonsnamen gekerstend
zijn, en de bevinding te maken dat deze kerstening een slechts zeer
langzamen voortgang heeft gehad. Reeds heb ik dat verloop trachten
te schetsen in een drietal opstellen, welke in _De Katholiek_ [3]
verschenen zijn. Het moge hier voldoende zijn daarnaar te verwijzen.
Toch behoort datzelfde hier in een kort overzicht te worden saamgevat.
Welke is de geschiedenis der voornamen (praenomina) bij de Westersche
Christenen? In de drie eerste eeuwen, die der vervolging, droegen
zij namen die deels niet onderscheiden waren van die der heidenen
maar ook deels een Christelijk kenmerk droegen. Voor het eerste
gedeelte kunnen ze onder wel vijftien hoofden worden gerangschikt:
[4] 1º naar _godheden_: Apollinaris, Bacchius; 2º naar _waarzegging_:
Augurius, Auspicius; 3º naar _getallen_: Primenius, Secundinus; 4º
naar _kleuren_: Albina, Fusca; 5º naar _dieren_: Agnes, Aquila; 6º
naar _landbouw_: Cicercula, Rustica; 7º naar _bloemen_: Florentius,
Liliosa; 8º naar _zeevaart_: Marinus, Navalis; 9º naar _rivieren_:
Cydnus, Nilus; 10º naar _landstreken_: Cyprianus, Dalmatius; 11º naar
_maanden_: Decembrina, Martius; 12º naar _lichaamsvorm_: Callistus,
Longina; 13º naar _geaardheid_: Constantia, Generosus; 14º naar
_slafelijke afkomst_: Servilius, Vernacula; 15º naar _historische
personen_: Apelles, Pompeius. Voor het andere deel kunnen ze
gerangschikt worden: 1º naar _geloofswaarheden_: Redemptus, Anastasius;
2º naar _feesten_: Epiphanius, Paschasia; 3º naar _deugden_: Charitas,
Elpis; 4º naar _vroomheid_: Deicola, Pientia; 5º naar _strijd voor het
geloof_: Valens, Victricius, en _vreugd om het geloof_: Gaudentius,
Hilaritas. Deze echt Christelijke namen waren de belijdenis van het
begrip, dat de bekeering uit het heidendom en het ontvangen van het
H. Doopsel de mystieke beteekenis hadden van een sterven en begraven
van den ouden mensch en eene wedergeboorte door Christus. Van eene
naamgeving naar eenen Heilige is in deze eeuwen maar zelden spraak,
of het mochten Apostelnamen zijn, meest nog die van St. Jan.
Zelfs in de drie volgende eeuwen waren de Heiligennamen in de
westersche Kerk nog volstrekt niet algemeen in gebruik. Ook na de
bekeering van westelijk Europa hebben de Heiligen hun deel onder de
doopnamen maar langzaam aan verkregen. Blijkbaar is het overgeleverde
gebruik om de kinderen naar de voorouders te blijven noemen bovenmate
taai en sterk geweest, zoodat ook bij de volkomen Christene volkeren
de oud-germaansche heidensche namen in gebruik bleven. Het bewijs
daarvoor wordt gemakkelijk gevonden in de Heiligen-lijsten welke
door schrijvers zooals Butler naar tijdsorde zijn opgesteld. In de
vijf eerste eeuwen der Kerk zijn van de Heiligen de persoonsnamen die
niet-grieksch of niet-latijnsch luiden zeer gering in getal. Van de
zesde eeuw echter af nemen ze meer en meer toe totdat in de achtste
eeuw de klassieke namen uitzonderingen worden. En zoo blijft het
doorgaan heel de middeleeuwen door.
Met de zestiende eeuw daarentegen verdwijnen de Heiligen die
germaansche namen dragen zeer opmerkelijk, blijkbaar door den invloed
van humanisme en klassieken geest, die de oud-germaansche namen als
barbaarsch begonnen te verachten.
Dat taai voortbestaan der oud-heidensche namen bij de Christenvolken
behoeft ons echter hoegenaamd niet te verwonderen, want dat zulks niets
meer dan natuurlijk is, wordt zeer eenvoudig bewezen door het feit, dat
de Roomsche Heiligennamen nog altijd trouw in gebruik zijn gebleven bij
onze eigene onkatholieke landgenooten. Immers, wat sinds de zestiende
eeuw met de persoonsnamen onder ons plaats had, mag ook vermoed worden
geschied te zijn bij de kerstening onzer voorouders. Hoe ging het hier
te lande tijdens en sedert de Hervorming? Vader verliet de Moederkerk,
maar behield natuurlijk zijn doopnaam, gelijk ook de kinderen. En al
ontvingen de nakomendende kinderen geen eigenlijken doopnaam meer:
ze bleven toch geregeld en hoofdzakelijk naar grootouders of naaste
verwanten genoemd worden. Dat leeren ons de doop- en grafboeken der
protestantsche kerken, gelijk ook de verdere archieven. Uitzonderingen
waren schaarsch; men kan er de gilde-schilders- en regentenlijsten
over naslaan tot bewijs. En ook thans gaat het nog niet anders, met
uitzondering alleen van de Friezen; maar dezen hebben altijd, ook in
de roomsche eeuwen, het minst gebruik gemaakt van de Heiligennamen
der Martyrologiën.
De studie dan van Förstemann's Namenbuch heeft mij de overtuiging
bezorgd, dat nagenoeg alles wat er van echt Nederlandsche namen onder
ons en vooral in Friesland is overgebleven, niet, volgens de al te
zeer verbreide misvatting, beschouwd moet worden als verbastering of
verminking van de deftig latijnsche of grieksche namen, maar dat over
het algemeen veeleer de klassieke namen uit de van ouds overgeleverde
oud-germaansche opgekomen zijn. Bewijzen daarvoor vermeen ik geleverd
te hebben in de reeds vermelde opstellen. [5]
Het zal nu mijne taak zijn, voor die nog gangbare Nederlandsche
namen de noodige en geschikte Heiligen aan te wijzen. En nu kan ik
al aanstonds verklaren, dat, meer dan ik verwacht had, de vervulling
van die taak mij gemakkelijk is gebleken door de bevinding, dat er
uit den overvloed van namen welke Förstemann verzamelde, zeer vele
door middeleeuwsche Heiligen gedragen zijn, en dus nog heden als
doopnamen kunnen worden toegekend.
Hoe heb ik nu kunnen samenbrengen wat er nog tegenwoordig van
oud-germaansche namen onder ons gevonden wordt? Daartoe is mij zeer
dienstig geweest, dat in het tijdschrift De _Navorscher_ van de
jaren 1868-72 uitvoerige lijsten verschenen zijn van Nederlandsche
voornamen, door _P. Leendertz Wz_. verzameld. [6] En wat meer
bijzonder de Friesche namen betreft, gaf mij de _Friesche Naamlijst_
door _Johan Winkler_ in 1896-98 bewerkt volledige opgaaf. Voor de
middeleeuwsche Heiligennamen eindelijk verkreeg ik alle begeerlijke
hulp uit de Algemeene Lijst die aan het eind van het groote werk
der _Bollandisten_ gegeven wordt als _Index alphabeticus generalis_
van al de Heiligen door hen behandeld, of, wat de maanden November
en December betreft, nog te bewerken.
De verzameling van Leendertz is thans reeds veertig jaar oud, en die
van Winkler vijf-en-twintig. Niet onwaarschijnlijk derhalve, dat menige
naam in die Lijsten voorkomend in onze dagen alreeds buiten gebruik
is geraakt. Vervolgens is het een feit, overigens zeer natuurlijk te
verklaren, dat onder de Friezen de oud-germaansche voornamen minder
voorkomen bij de roomsche dan bij de protestantsche bevolking. Om al
deze redenen moet ik wel vreezen, dat mijne Naamlijst, die toch haar
grootste doel vindt in het katholieke doopboek, eer te uitgebreid
dan te bekrompen zal worden bevonden. Toch geloof ik, dat het minder
erg zal zijn te misdoen door een te-veel dan door een te-weinig;
immers, ik mag rekenen, dat ook buiten het belang van het doopboek om,
mijne studie nog eenig nut kan hebben voor de geschiedenis van onze
vaderlandsche taal.
Vóór alles zal het nuttig zijn hier een goed en recht begrip te geven
van de oud-germaansche persoonsnamen.
"De oudsten onzer voorouders" (Friezen, Saksen en Franken) [7] "droegen
slechts éénen enkelen naam. En hoe ouder, hoe vroeger de namen der
Germanen in de geschiedboeken vermeld worden, zooveel te eenvoudiger
waren de namen. _Abo_, _Athal_, _Bercht_, _Dodo_, _Edo_, _Fritho_,
_Gero_ enz. waren zulke eenvoudige mansnamen. Deze namen waren, bij
honderden in getale, bij de verschillende volken van germaanschen
bloede in gebruik. Eenigen er van zijn ook tot op den dag van heden
in gebruik gebleven; bij de Friezen vooral is dit met betrekkelik
velen dezer namen het geval. Men noemt deze enkelvoudige namen wel
naamstammen, wijl de latere samengestelde namen uit deze naamstammen
ontstaan zijn en geformd. Weldra toch, bij toenemende volkrijkheid,
waren deze namen niet meer voldoende ter onderscheiding. Immers
kwam het wel voor dat verschillende personen, leden van een en den
zelfden stam, soms wel van eene en dezelfde maagschap, den zelfden
naam droegen. Dit gaf verwarring; maar tevens aanleiding om nieuwe
namen te zoeken. En men vond die, door twee namen, tot dus ver elk op
zich zelven in gebruik, te verbinden, saâm te voegen tot éénen enkelen
nieuwen naam. Van de enkelvoudige namen of naamstammen _Gero_ en _Hart_
b.v. maakte men _Gerhart_ (Gerard, Gerrit, Geert), van _Athal_ en
_Win_ formde men _Athalwin_ (Alewijn), en _Thiudo_ (Tiede) en _Rik_
voegde men samen tot _Thiudorik_, _Theodorik_ (Diederik, Dirk). De
samenstelling dezer namen was aan weinige of geene taalkundige
of andere wetten gebonden, behalven aan die der welluidendheid en
zoetvloeiendheid. Men kon in den regel de naamstammen samen voegen,
gelijk men wilde. Zoo kon men b.v. van de naamstammen _Gang_ en _Olf_
of _Wolf_ zoowel _Gangolf_ maken als _Wolfgang_; van _Hart_ en _Gero_
zoowel _Gerhart_ als _Hartger_; beide formen komen voor. Men had dus
tamelik vrij spel, en vooreerst geen gebrek aan eigennamen. Want zoo
de oude enkelvoudige namen bij honderden telden, door willekeurige
samenvoeging van al deze naamstammen kon men honderdduizenden van
nieue namen formen. Bij duizenden zijn deze samengestelde namen ons
in oude geschriften en oorkonden overgeleverd geworden; bij honderden
zijn ze nog onder ons in gebruik. Men kan er duizenden vermeld en
beschreven vinden in Förstemann's _Altdeutsches Namenbuch_."
Wijl mij nu gebleken was, dat dit werk een betrouwbare grondslag zou
zijn, waarop de verlangde Lijst van doopnamen kon worden gevestigd,
mag het dienstig geacht worden hier uiteen te zetten, op wat wijze
dat boek door mij gebruikt is.
Zooals pas gezegd werd, vinden we de oudgermaansche namen tweeledig
samengesteld. Het eerste lid kan _hoofdstam_, het tweede _bijstam_
worden genoemd. Tot bewijs van den overvloed aan hoofdstammen diene,
dat Förstemann er onder de letter A niet minder dan 58 en onder
B niet minder dan 68 gerangschikt heeft en nog meer groepsgewijze
onderverdeeld. De bijstammen zijn minder in getal doch duiden op hunne
beurt grootendeels aan, of we met een mansnaam dan wel vrouwennaam
te doen hebben. Zoo zijn de mannelijke kenbaar aan de bijstammen:
_bald_, _bercht_, _bod_, _brand_, _bord_, _dag_, _frith_, _funs_,
_gang_, _gar_, _gard_, _gast_, _gis_, _gisil_, _grim_, _hard_, _hari_,
_hath_, _helm_, _hraban_, _hroc_, _hrod_, _laic_, _laif_, _land_,
_man_, _mar_, _mod_, _mund_, _nanth_, _nod_, _rad_, _ric_, _rid_,
_scalc_, _stain_, _thanc_, _thiu_, _wald_, _ward_, _wig_, _win_,
_wulf_. Als vrouwelijke bijstammen worden aangetroffen: _balda_,
_berga_, _burga_, _berta_, _drudis_ en _trudis_, _fledis_, _garda_
en _gardis_, _gildis_, _gunda_ en _gundis_, _haid en heid_, _hilda_,
_hildis_, _lind_, _lindis_, _sind_ en _sinda_, _swind_, _widis_ en
_wis_. Met den hoofdstam ATHAL b.v. werden gevormd de mannelijke
voornamen: Athalbald, Athalbert, Athalfrid, Adelfuns, Athalger,
Adalhard, Athalwulf enz., en de vrouwelijke: Adalberga, Adaldrud,
Adelgardis, Adalhaid, Adalhildis, Adallindis, Adalsind enz.
Wanneer derhalve een patroonheilige werd verlangd bij een
oudnederlandschen persoonsnaam, had ik te zoeken onder welken hoofdstam
die te rangschikken zou zijn, en vervolgens of onder de groepen der met
bijstammen gevormde namen een Heilige van dien naam gevonden wordt,
nogtans met dien verstande dat de eene bijstam in de plaats van den
andere kan treden (dit blijkt dikwijls onvermijdelijk) ja ook wel
zóó dat toevlucht moet genomen worden tot een aanverwanten hoofdstam.
Om alles met een paar voorbeelden duidelijk te maken. Gesteld dat
een zekere _Gijsbert_ zijn patroonheilige verlangt te weten. Welnu,
gevonden wordt de hoofdstam GIS, waaronder de namen: Giso, Ghiso,
Gizo, Kizo, Gisipert, Gisebert, Gisbert, Gisibrand, Gisfrid, Gisolf
enz. We zijn alzoo met Gisebert, Gisbert, al aanstonds klaar. Toch nog
niet geheel; want ongelukkiglijk geven de lijsten der Bollandisten
geen Gisbertus onder de Heiligen aan. Gelukkig echter weer, dat GIS
eigenlijk maar "die einfache Gestalt des unten folgenden GISIL ist";
[8] en zoo gaan we dus tot den verwanten hoofdstam GISIL en vinden
daar, met een overvloed van naamvormen: Gisilbert, Ghisalbert,
Kyselbret, Giselbart, Gislebert, Gillibert, enz. enz. Daarmee
hebben we dan den geschikten Heilige bekomen: S. _Gislebertus_ of
_Gilbertus_, Bisschop van Meaux (Naamlijst No. 295). En nu verder
nog. De namen _Gijsbrand_ of _Gijsfried_ werden in geene lijsten door
mij aangetroffen als nog heden voorkomend. Maar wanneer dit nu eens wél
het geval ware, dan zou ik, wijl al evenmin Gisbrandus of Gisfridus
bij de Bollandisten vermeld staan, toch slechts den H. Gilbertus als
Heilige kunnen aangeven, wijl we vaak niet anders kunnen dan tevreden
zijn met een Heiligennaam, die, hoezeer verschillend in bijstam,
toch in hoofdstam, om zoo te spreken, van dezelfde familie is. Men
zal mij toegeven, dat zulk een naam ver te verkiezen is boven andere,
die naar de oude manier op den klank af uit de Grieksche of Latijnsche
namen van het Martyrologium werden aangesleept.
Niet altijd is het mij gelukt een passenden Heilige aan te geven, wiens
naam tot een Germaanschen hoofd- of bijstam terug te brengen is. In
zulke gevallen heb ik dan _bij aanpassing_ eenen Heilige opgenoemd,
wiens naam naar den vorm voldoende aan den Nederlandschen nabijkomt. Op
enkele, slechts 3 plaatsen, heb ik eenen naam geplaatst die in zijn
Latijnschen vorm eene vertaling bevat van den Nederlandschen (N. 168,
257, 812), en ja, in 2 gevallen bleek mij geheelonthouding de veiligste
weg (N. 244, 247).
Met opzet ben ik niet karig geweest in het opnemen van verschillende
vormen die aan de bijstammen hun bestaan danken. Doch er zijn
bovendien nog andere redenen. Vooreerst toch getuigen deze vormen
voor de omwisseling die er zoo vaak tusschen de letters, klinkers
zoowel als medeklinkers plaats greep en waardoor a en e, e en i,
o en u b en p, d en t, f en v werden omgezet. Men zal zien dat zulke
omwisselingen menigmaal van veel beteekenis zijn.
Vervolgens durf ik vertrouwen, dat nog wel menig lezer, die oude
naamvormen van genoeg taalkundig belang zal achten om er kennis mee
te maken.
Ten derde bleek mij eene ietwat ruime vermelding dier vormen, ook
al staan zij met de Heiligennamen in geen rechtstreeksch verband,
toch nog daarom nuttig, wijl er uit blijken kan, dat er van de
oudgermaansche _persoons_namen nog vele resten zijn overgebleven
in de hedendaagsche _geslachts_namen. Reeds al van zelf werd
mijne aandacht op dit feit gevestigd doordien Förstemann aan het
eind van zijn werk een "Register neuhochdeutscher Familiennamen"
heeft laten volgen. En ik moet bekennen, dat dit "Register" mij
menigmaal bij het nazoeken goeden dienst heeft bewezen, in verband
met de letterwisseling waarvan zoo even spraak was. B.v. ik had den
voornaam _Bamme_ te behandelen. Dien vond ik ook als hedendaagschen
Duitschen geslachtsnaam vermeld, doch met verwijzing naar _Pammo_,
_Pamo_ als "koseform aus unbestimbaren Quellen" (Zie N. 78). Of,
soms trokken Hoogduitsche geslachtsnamen van dat Register toevallig
mijne aandacht, als vroeger of thans nog voorkomend in ons eigen
land. (Men zie b.v. N. 113, 182, 212, 526). Om deze laatste reden
dan werden hier en daar hedendaagsche _geslachts_namen bijgevoegd,
nogtans zonder hoegenaamd eenigen toeleg op volledigheid; deze toch
zou de Naamlijst al te zeer hebben uitgebreid. Maar de toevoeging
bedoelt slechts een opwekken tot aandacht en belangstelling. De lezer
trouwens zal gemakkelijk zelf kunnen aanvullen.
Doch om hem beter daartoe in staat te stellen worde hier nog
het volgende gezegd. Algemeen bekend is, dat tal van familienamen
niet anders zijn dan een oude vadersnaam die van het oorspronkelijk
aangehechte: _'szoon_ alleen nog maar _son_, _sen_ of de enkele _s_ als
tweeden-naamvalsvorm overhield: Janson, Jansen, Jansz, Jans. Minder is
het bekend, dat er ook een tweeden-naamvalsvorm op _en_ bestaan heeft,
die ook nog hier en daar voortleeft, onder anderen in het zoogenaamde
"Strand-hollandsch" onzer zeedorpen, waar men spreekt van _Krynen_
dochter voor _Krijns_ dochter. Het minst algemeen bekend is wel,
dat in den oudsten tijd het achtervoegsel _ing_ of _ink_ gediend
heeft om het zoonschap aan te duiden. Zoo beteekent dan _Alink_ zoon
van Ale, _Bedding_ zoon van Bedde, _Poppink_ zoon van Poppe. "Dit
gebruik om patronymika (vadersnamen) met _ing_ "te formen, stierf na
't jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig
uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankische
volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en
friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in
gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu." [9]
Het zijn daardoor in onze dagen meer bijzonder de friesche en twentsche
geslachtsnamen die aan _ing_ of _ink_ kenbaar zijn. Doch, meer algemeen
gesproken, zoo iemand thans een familienaam draagt, uitgaande op _s_,
op _en_, bijzonderlijk op _ing_ of _ink_, dan heeft hij kans om door
vergelijking met de oude persoonsnamen, de germaansche afkomst van
zijn geslacht op te voeren tot aan het jaar 1100, want de naamvormen
door Förstemann bijeengebracht zijn niet jonger dan de elfde eeuw. Van
de zoo geheel eigene tweede-naamvalsvormen der Friesche vadersnamen,
uitgaande op _inga_, _ia_, _a_, _ma_, _na_ en _sna_, kan ik zwijgen,
wijl zij van zelf kenbaar zijn en ook te groot in aantal om plaats
te verkrijgen.
Toch hebben de Friesche persoonsnamen, die gelijk reeds vroeger gezegd,
meestendeels oud-germaansche zijn, de eigenaardigheid, dat ze met de
achtervoegsels _se_, _te_, _le_, _tse_, _ke_ en _tsje_ voorkomen, die
wel oorspronkelijk als verkleinvormen (vleinamen) hebben gegolden,
thans echter bij de mansnamen die beteekenis niet meer hebben. Het
aanhechten dezer achtervoegsels heeft echter aan de Friesche Naamlijst
van Winkler zulk een overvloed van vormen verschaft, dat het mij
ondoenlijk gebleken is al die vormen voortdurend op te nemen. Het
moge daarom volstaan dit te vermelden. Ook zij hier eenmaal voor goed
bericht: [10] "de Friesche vrouwennamen zijn in den regel rechtstreeks
van de mansnamen afgeleid, door de achtervoeging van verkleinende
uitgangen... Het grootste gedeelte der Friesche vrouwennamen bestaat
dus eigenlijk uit mansnamen in verkleinvorm, soms in eigenaardigen
verkleinvorm." Ook daarvan was het niet mogelijk veel op te nemen
en veel minder nog, Heiligen daarvoor aan te geven. Toch heb ik nog
verscheidene oud-germaansche vrouwennamen aangetroffen die kunnen
worden aangewend.
De Naamlijst is alzoo volgenderwijze opgesteld: Voorop staan, in
aangedikte letter, de Nederlandsche namen voor welke de Heiligennaam
verlangd wordt. Dan volgen, als verklarend gedeelte, de oud-germaansche
namen met den hoofdstam in kapitale letter voorop, en in grootere of
kleinere verscheidenheid van lezing, naarmate zulks noodig of nuttig
is. Deze verscheidenheid is in de oude stukken lang niet gering,
wijl ze te wijten is niet slechts aan den volksmond maar ook en
vooral aan de Latijnsche vormen welke de namen in de oorkonden en
kronieken zoo vaak verkregen. Als uitkomst wordt ten laatste de
patroonheilige aangegeven, vaak meer dan een, volgens de Latijnsche
spelling der _Bollandisten_ met opgaaf van sterfdag en -jaar, [11]
alsook van den vierdag en de bladzijde van hun bekend werk de "_Acta
Sanctorum_". Bij de vaderlandsche Heiligen wordt ook verwezen naar
"_Neerlands Heiligen_ door Pr. _J. A. F. Kronenburg_".
Wijl het te omslachtig en plaatsroovend wezen zou, wanneer in de
Naamlijst elke Nederlandsche naam naar zijn letter van het ABC zou
moeten voorkomen, wordt elke namengroep van een eigen nommercijfer
voorzien, dienstig voor een opzoeken in den algemeenen Naamwijzer,
die aan het einde volgt. Raadzaam daarom, het zoeken allereerst te
beginnen met het naslaan van dezen Naamwijzer.
Hadden de oud-germaansche naamstammen ook hunne
beteekenis?--Oorspronkelijk zeker; en daarom volgt ook achteraan
nog een lijstje van die stammen, waarover genoemzame zekerheid
bestaat. De lezer zal met voldoening kunnen opmerken, hoe
nog van een groot aantal de beteekenis overeenstemt met ons
hedendaagsch Nederlandsch. Intusschen moeten we toch naar
Heintze's [12] waarschuwing, die beteekenissen niet zoo streng
opvatten. "Oorspronkelijk", zoo zegt hij, "hebben wel de ouders hun
kind den naam gegeven als een wensch, bijv. de knaap moge sterk zijn
als een beer: _Berinhard_; spoedig echter verstonden de Germanen zelf
niet meer alle namen, en zochten zij vaak voor het kind eenen naam,
welke dien der ouders op eenige wijze bevatte, zonder op den zin
te letten."
Tot hiertoe over de vraag: hoe er bij het _geven_ van den doopnaam
overeenstemming kan betracht worden tusschen Vaderland en Kerk. Maar
ook bij het _dragen_ van den voornaam, heel het leven door, komen
deze beiden met elkaar in aanraking. Hier hebben we te maken met de
verschillende omstandigheden en eischen van het leven, zooals daar
zijn: inschrijving in doopboek en burgerlijken stand, afkondiging in
de kerk, kennisgeving in de leesbladen, en het dagelijksch gebruik
in den huiselijken, gezelligen en vriendschappelijken kring. En nu
wil het mij altijd voorkomen, dat ten opzichte van dat alles onze
Nederlandsche katholieken wel het een en ander te verbeteren, of
althans ernstig te overwegen hebben.
Al aanstonds moet in het licht gesteld, dat er sedert het laatste paar
eeuwen bij ons Nederlanders een eigenaardige gewoonte is ontstaan,
waardoor wij eene uitzondering maken op alle natiën om ons heen. Onder
de knappe burgerij, vooral de katholieke, wordt, naar het wel lijkt,
een Nederlandsche naamvorm als iets minderwaardigs gerekend, of althans
niet fatsoenlijk, niet deftig genoeg. Men schijnt zich in te beelden,
dat Nederlandsche vormen niet veel meer zijn dan verbasteringen van
de Heiligennamen welke we als roomschen leerden kennen uit de deftige
levens der Heiligen, uit de Allerheiligen-litanie en de Kalenders. De
waarheid is echter deze, dat we in de laatste eeuwen der "deftigheid"
de goede vormen hebben verwaarloosd, waarmee ons katholiek voorgeslacht
gewoon was Gods lieve Heiligen te noemen. Gevolg is geweest, dat we
als Nederlandsche namen niet veel meer dan de afgekorte vormen van het
alledaagsche gebruik hebben overgehouden; en deze vinden we natuurlijk
"te ordinair". Andere volken echter schamen zich niet hunne vóórnamen,
ook bij de meest officiëele gelegenheid, in het gewaad der moedertaal
te kleeden, zooals: _Jean_, _Johan_, _John_, _Giovanni_, _Pierre_,
_Peter_, _Pietro_, _Jacques_, _Jacob_, _James_, _Giacomo_ enz. Zij
staan er zelfs op, in onze kerken afgelezen te worden met hunne eigene
Fransche, Duitsche, Engelsche, Italiaansche voornamen. Wij echter
meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend, eerst dan naar behooren
voor den dag komen, als we in het Latijn worden aangediend. En toch
hebben we in den taalschat onzer vaderen wel degelijk vaderlandsche
namen, die, in goed Nederlandsch, waardige vormen zijn voor de
Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn helaas, door onverstand
in minachting geraakt als waren ook zij slechts verbasteringen van een
alleen-fatsoenlijk Latijn, en ze zijn gelijk gesteld met de verkorte,
gemeenzame vormen van den alledaagschen omgang.
Zoo werden dan door het Latijn de van ouds geijkte Nederlandsche vormen
verdrongen; want we hebben ze toch in vroegere eeuwen wel echt bezeten
de namen, die geheel volgens het Nederlandsche taaleigen, op waardige
wijze de strikt kerkelijke namen vervingen. Petrus was _Pieter_,
Paulus _Pauwels_, Christophorus _Kristoffel_, Elisabeth _Liesebet_
of _Liesbet_, Martinus _Maarten_. En menige oud-vaderlandsche naam,
die door den Latijnschen vorm der kroniekschrijvers zijne zuiverheid
verloren had, droeg in de moedertaal veel ongerepter zijn afkomst en
beteekenis ten toon. _Volkert_ is zuiverder dan _Volquerus_, _Koenraad_
dan _Conradus_, _Rombout_ dan _Romualdus_ enz. Wat vrouwennamen aangaat
veranderde onze middeleeuwsche taal geregeld de _a_ van het Latijn
in de Nederlandsche _e_, gelijk ons dat door verscheidene nog heden
bestaande plaatsnamen vertoond wordt, zooals: S. _Anne ter Muiden_,
S. _Annenburg_, [13] _Den Annenburg_, _Geertruidenberg_, _Mariënboom_,
_Mariënbosch_, _Mariëndaal_. Zoo sprak en schreef men toen Ste
_Aagte_, Ste _Christiene_, Ste _Margriete_, S. _Agnieten-convent_
enz. En gelijk de oud-germaansche _persoons_namen thans nog voortleven
in de hoog- en nederduitsche _geslachts_namen, volgens hetgeen reeds
boven besproken is: zoo staan de middeleeuwsche, goed-nederlandsche
vormen nog te lezen in de hedendaagsche geslachten als _Evertsen_,
_Gijsberts_, _Jaspers_, _Leenderts_, _Martens_, _Roelofs_, _Rombouts_
enz., evenzoo in de plaatsnamen, en voor het overige natuurlijk in
de oorkonden onzer geschiedenis.
De strekking derhalve mijner nieuwe Naamlijst is ook deze: het
gebruik van die goede en waardige vaderlandsche namen te bevorderen,
en wel ten eerste als _doopnamen_. Dit wil zeggen, dat het niet
langer ongepast worde gerekend, aan den pastoor of den doopenden
priester den naam op te geven in de moedertaal. Zulks heeft ook
nog dit voordeel, dat er dan in overleg met hem kan bepaald worden,
welke naam, in den _vaderlandschen_ vorm zal worden ingeschreven bij
den _burgerlijken stand_. Het doopboek, waarvan de officiëele vorm
het Latijn is, neemt natuurlijk den kerkelijk-Latijnschen naam op,
die trouwens bij de toediening van het H. Sacrament wordt aangewend;
[14] doch de Nederlandsche vorm worde er, zoo noodig, met een enkel
woord naast gezet. Dit overleg zal moeilijkheid en last voorkomen,
welke anders nog wel eens later plegen te ontstaan door schuld van
slordige aangevers of letterziftende beambten. Ook acht ik aangifte
van den Nederlandschen naam bij den burgerlijken stand ten zeerste
nuttig om bij de on-katholieke beambten de meening uit te roeien,
alsof wij Roomschen met onze Latijnsche Heiligennamen maar halve
Nederlanders zouden zijn. De waarheid toch is, dat juist wij
katholieken "de oudste brieven hebben", omdat wij met de stukken
bewijzen kunnen dat ons middeleeuwsch voorgeslacht gewoon was, de
Heiligen met allen eerbied te noemen en aan te spreken als St. _Jan_,
St. _Pieter_, Ste _Aagte_, St. _Laurens_, St. _Baaf_, Ste _Liesebet_
enz. En waarom dan toch zou dit thans ongepast moeten heeten?
Ook moge hier tevens een goed woord gesproken worden tot aanbeveling
der namen van onze vaderlandsche Heiligen, mannen en vrouwen die op
onzen grond, geleefd, gestreden en geleden hebben. Daarom zal men in
achterstaande Naamlijst die namen bijzonderlijk herdacht vinden zoo
voor Zuid- als voor Noord-Nederland.
Vervolgens zijn er ook _afkondigingen van onze namen in de kerken_
te doen. Dit is, het moet bekend, een teer punt. Maar vooreerst dient
in het oog gehouden, dat we begonnen zijn met onderscheid te maken
tusschen waardige Nederlandsche vormen en de afgekorte, gemeenzame
van het dagelijksch verkeer. Vervolgens komt vaak in aanmerking
het onderscheid van plaats, stand en geslacht. Doch wanneer het
gelukken mocht, een algemeen gebruik van den Nederlandschen naam in
den eenvoudig netten vorm in te voeren, in der maniere zooals het
in den vreemde gebruikelijk is; wanneer dus de deftigheid van het
Latijn zou worden aan kant gezet, dan juist zou op de eenvoudigste
wijze een eind komen aan den last, welken de gevoeligheden, grillen en
aanmatiging van sommigen aan de parochiepastoors bereiden kunnen. In
de groote steden weliswaar komt dit niet zoo licht voor, omdat aldaar,
naar ik vermeen, als regel gehouden wordt: alle namen Latijn. Doch,
al is dit nu gemakkelijk: het is voor het volk niet altijd naar
behooren verstaanbaar en begrijpelijk; en het brengt het bezwaar
mede dat daardoor de dwaze uitzondering die we in de wereld maken
nog altijd meer bestendigd wordt. In de kleine steden echter en
ten platten lande--bij eenvoudiger zeden en algemeener bekendheid
der personen maar ook bekrompener opvatting--doet het verschil van
stand met zijne aanspraken zich te gemakkelijker gelden. Doch ook
daar juist behoort opgekomen te worden tegen het evenzeer dwaze als
onvaderlandsche dwaalbegrip, alsof de namen der eigene moedertaal goed
genoeg zouden zijn voor boerenknecht en daglooner maar te onfatsoenlijk
en te gemeen voor den gezeten boer of burger. En bovendien, goed
begrepen, klinkt het ten platten lande zelfs heel niet aardig wanneer
een goed bekende Dirk, Frans of Toon tot een witgedasten Theodorus,
Franciscus of Antonius worden opgeschikt.
We komen tot de _aankondigingen in de dagbladen_ bij overlijden
enz. Daarbij plegen wij, hetzij dan juist niet opzettelijk, voor
onze katholiciteit te getuigen door onze Heiligennamen in het Latijn
te schrijven. En ik vrees dan ook al de opwerping te hooren: "Met
Nederlandsche namen te onderteekenen staat zoo gereformeerd." Daar
is inderdaad iets van aan, doch juist door eigen schuld. Maar zoo pas
heb ik al met een enkel woord besproken wat er om onze schuwheid voor
vaderlandsche vormen tegen ons opgeworpen wordt, als waren we geen
echte vaderlanders. Derhalve komt het mij voor, dat er in dit geval
meer reden bestaat om te getuigen voor onze vaderlandsliefde dan voor
ons Roomsch geloof. Waarlijk men kan den ijver om als katholiek op
te treden gerust voor betere gelegenheden bewaren. Immers, als we
in _katholieke_ bladen onze kennisgevingen plaatsen, dan getuigt
dit alleen reeds dat we Roomsch zijn. _Onkatholieke_ bladen met
advertentiën te begunstigen en te steunen komt eigenlijk heel niet
te pas.
Intusschen begint er eene betere richting op te komen, die van de
vormelijkheid der Latijnsche namen gaat afwijken, niet zoozeer in de
namen der personen die als overleden enz. worden aangekondigd, maar
in de vóórnamen der familieleden die onderteekenen, en die daarbij het
gebruik aannemen om hun eigenlijken doopnaam voluit te schrijven. Dit
kan niet anders dan navolgenswaard genoemd worden. Vooreerst geschiedt
daardoor te meer hulde aan den Patroonheilige; en vervolgens klinkt
het veel vriendelijker en hartelijker dan met de simpele en saaie
beginletters alleen. Doch, in het voorbijgaan gezegd, dan moest men
ook tevens de vóórletters der overige namen maar inhouden; immers het
schrijven van bijv. Herman J. L. H. of van Frans C. J. W. enz. maakt
maar een erg peuterigen indruk. Bovendien zou het in onzen tijd, die
door het groot aantal van opkomende instellingen en vereenigingen,
waarlijk van beginletters ál te breed haar deel krijgt, een winst
zijn als er in het opsommen van vóórnaamletters wat opruiming plaats
vond. En tegelijk moge hier nog gevraagd worden, of het ook niet in
handel en bedrijf aanbeveling verdienen zou, dat bij aankondiging en
onderteekening doorgaans niet meer dan één voornaam, maar dan voluit,
geschreven werd?
Nu is mij echter juist uit die met vollen voornaam onderteekende
advertentiën gebleken, dat men onder ons jammerlijk weinig er aan
denkt om die persoonsnamen in het _Nederlandsch_ te schrijven. Latijn,
Fransch, Duitsch, Engelsch, alles warrelt in die onderteekeningen echt
wereldburgerlijk door elkaar, en de moedertaal komt er op droeve wijze
veel bij te kort. [15] Ik begrijp, dat in familiën met buitenlandsche
verwanten de vreemden in hun eigen taal optreden. Dat zij dit doen
strekt hun tot eer, maar moest dan ook juist ons ten voorbeeld
zijn. Wie echter een weinig acht wil geven op de advertentiën der
dagbladen zal telkens familiën aantreffen, bij welke van buitenlandsch
bloed geen spoor te bekennen is, en die toch met hare doopnamen
modezuchtig in het Fransch of Engelsch voor den dag komen.
Nu zal ik hier niet komen vorderen dat de stadsmenschen zich
bij hunne kennisgevingen als Aagtjen, Betjen of Kaatjen zullen
aandienen. Wanneer men op de "teekenen des tijds" wil letten, kan
men gemakkelijk begrijpen, dat persoonsnamen die met diminutieven
d. i. verkleiningsuitgangen gevormd worden, bij veel vrouwen
uit den booze zijn; maar daarom heeft ook de nieuwe Naamlijst de
bedoeling, aan te geven, op wat wijze de Latijnsche doopnamen naar
den eisch van staat en stand in beschaafd Nederlandsch kunnen worden
weergegeven. Onze katholieke voorouders hebben dat in de middeleeuwen
vaak niet ongeschikt uitgevoerd als zij den Latijnschen naam een
weinig naar den eisch der moedertaal wijzigden en bijv. _Aagte_
zeiden en schreven voor _Agatha_, _Barbele_ voor _Barbara_, _Baarte_
of _Berte_ voor _Bertha_, _Geertruide_ voor _Gertrudis_ enz. En zoo
zijn er ook thans nog namen genoeg, die in den vaderlandschen vorm
toch waardig en deftig genoeg klinken om bij den burgelijken stand,
bij afkondigingen en aankondigingen heel niet "ordinair" te heeten en
met eere gedragen te worden. Ziehier eene kleine opsomming: Adriaan,
Aagte, Agniete, Albert, Ambroos, Andries, Antoon, Antonie, Bernard,
Barend, Bastiaan, Boudewijn, Catriene, Cornelis, Diederik, Ernst,
Evert, Ferdinand, Fernand, Filips, Frank, Frans, Frederik, Frits,
Geerte, Geertruide, Gijsbert, Godfried, Govert, Herman, Huibert, Jacob,
Jan, Jasper, Jeroen, Joost, Karel, Kasper, Koenraad, Laurens, Leendert,
Lidwiene, Liesbet, Lodewijk, Maarten, Machtelt, Maurits, Max, Meindert,
Pauwels, Roelof, Rombout, Sanne, Steven, Volkert, Winand, Wilbert,
Willem, Wouter. Beginnen we maar vrij en kloek dergelijke namen te
gebruiken, dan zal spoedig de onredelijke noot van "te ordinair"
ervan afraken. Mij dunkt ook dat de groote namen onzer vaderlandsche
geschiedenis toch waarlijk aanzien en voornaamheid genoeg bijzetten
aan _Arnoud_ en _Diederik_, aan _Floris_ en _Karel_, aan _Maurits_,
_Frederik_, _Hendrik_ en _Willem_, zooals we onze graven en vorsten nog
altijd met eere noemen. En dan zullen we misschien ook nog aanleeren
liever _Wilhelmiene_, of waarom zelfs niet _Willemiene_ en _Juliane_,
te schrijven en te zeggen dan het toch altijd wat gemaakt-deftig
Wilhelmina en Juliana.
Een eeresaluut moet hier gebracht aan de Friezen, die in het openlijk
voeren van den oudvaderlijken naam en zelfs in het gemoedelijk bezigen
der verkleiningsvormen heel wat flinker en vrijer zijn dan wij. "Deze
zoogenaamde vleivormen der namen zijn bij geen enkel Germaansch
volk zoo veelvuldig, zoo algemeen in gebruik als bij de Friezen,
ja hebben zelfs bij hen volle recht verkregen als geijkte namen, zoo
bij de doopvont als in de registers van den burgerlijken stand." [16]
Doch ook buiten Friesland behoort aan die vleivormen en afkortingen
beter recht toe te komen dan gewoonlijk het geval is, ik bedoel _in
het huiselijk, gezellig en vriendschappelijk verkeer_.
Voorop echter moet gewaarschuwd, dat er degelijk onderscheid is
te maken tusschen echte en welbekende vleivormen en willekeurige
verminkingen, die menigmaal geen anderen oorsprong hebben dan den
stamelenden mond der kleinen. Reeds in 1657 werd er geklaagd: [17]
"Er is geen eind aan het afknotten, verminken en veranderen der
namen, zooals iedereen dat naar willekeur doet. En wat de kinderen
stamelend voor den dag brengen, dat herhalen de kindermeiden en ten
laatste raken allen eraan gewend." Men zal gereedelijk begrijpen,
dat er in de Naamlijst voor al zulke wanvormen geen plaats is, maar
daarom ook nog veel minder voor de hedendaagsche modezuchtige namen,
die naar vreemde talen, en het Engelsch in het bijzonder, of misschien
ook het Maleisch, gemaakt en dwaselijk gedragen worden. Al die spitse
en bitse naampjes op y en ie uitgaande (ik gaf er al een lijstje van
[18]) hebben toch waarlijk iets onbenulligs en stumperigs dat te zeer
aan de kinderkamer herinnert. Dáár mogen ze blijven!
Hoort toch dat gestamel eens aan!
Addy Kitty
Aly Leni
Amy Lizzy
Annie Lotty
Betsy Maddy
Carry Madzy
Conny Minny
Corry Molly
Dolly Nelly
Dorry Pommy
Edi Rossy
Eddy Sitty
Emmy Soezie
Fanny Teddy
Ferry Tilly
Florry Toetie
Henny Tommy
Hetty Wally
Jenny Willy
Jettie Wimmy
Voor het overige moet natuurlijk aan een ieder vrijheid blijven voor
de wijze waarop hij in het dagelijksch verkeer eenen doopnaam wille
vereenvoudigen, bekorten, samentrekken, vloeiend en vleiend maken. Men
kan hier zeggen: maak het zooals ge wilt; doch ééne voorwaarde moet
gesteld blijven, dat alles geschiede naar den aard der vaderlandsche
taal. Uit den aard der zaak echter kan ook aan deze vormen geen
plaats worden ingeruimd in de achterstaande Naamlijst. Ook past hier
nog een bijzonder woord tegen alzulke afkortingen die nergens anders
in bestaan dan in het half doorsnijden van een Latijnschen naam met
behoud van Latijnsche spelling, zooals: _Dorus_, _Janus_, _Kobus_,
_Manus_, _Theo_. Dit zijn wanspellingen die aan het Latijn evenzeer
als aan het Nederlandsch op dwaze wijze te kort doen.
Boven is reeds gesproken over de verkleinende achtervoegsels die
bij de Friezen in veelvuldig gebruik zijn, en die trouwens ook al
in de oudgermaansche namen zijn na te wijzen. Ook de hedendaagsche,
zoogenaamd Romaansche talen hebben met ons het vermogen om kinderen-
en vrouwennamen aanvallig te maken door een verkleiningsuitgang. De
Franschen b.v. hebben _on_, _ine_ en _ette_; de Italianen: _ino_
en _ina_, _ello_ en _ella_, _etto_ en _etta_. En wij hebben, (van
Friesland niet gesproken) nog maar alleen _je_ (oorspronkelijk _jen_,
_gen _ en _ken_), waarnaast de Duitschers _chen_.
Nu moge gerustelijk onze verkleiningsuitgang bij velen niet meer in
de gunst staan: ik durf toch zoo vrij zijn, dat innig te betreuren
als eene verarming der moedertaal en wezenlijke schade aan klank en
welluidendheid. En aangezien nu het gebruik van _jen_ en _ken_ nog
altijd in een aanmerkelijk deel van ons vaderland is blijven bestaan,
namelijk in het Geldersch, Overijselsch en Drentsch dialect en als
_ien_ nog in het Groningsch: [19] zoo verdient de volkomene vorm
daarvan wel degelijk nog in eer gehouden te worden. Reden waarom ik
dien in de Naamlijst overal gebruiken zal.
Nog behoort hier eene algemeene opmerking plaats te vinden,
om teleurstelling te voorkomen bij vele lezeressen die hare
H.H. patronessen zullen zoeken onder de -_dina_'s, -_mina_'s,
-_sina_'s en -_stina_'s. Ook deze naamvormen hebben naar mijne
bevinding oud-germaanschen oorsprong en werden gewis sinds eeuwen
gedragen, doch in den vorm ongeveer waarin ze onder ons voortbestaan
als _Dientjen_, _Mientjen_, _Sientjen_ en _Stientjen_. Zóó gingen
ze oorspronkelijk in eenvoudige volksdracht gekleed; maar ze werden
in de laatste tijden naar Fransche mode opgesierd als juffers die
eerst aan den uitheemschen vleivorm op _ine_, welke aan een mansnaam
werd aangehangen, haar fatsoen mochten danken. Vandaar onder ons
een bedenkelijk aantal _Arnoldines_, _Gerardines_, _Albertines_,
_Wilhelmines_, _Clasines_, _Ernestines_ enz. enz., die onder de
Heiligen niet te vinden zijn. Geschikte patronessen nu zal men
aantreffen onder de Nrs. 149, 546, 711, 736 en 866.
Natuurlijk mogen in de nieuwe Naamlijst ook de eenvoudige vormen niet
ontbreken, welke door onze eerzame landbouwers- en handwerkersstanden
gelukkig nog zonder schroom gedragen worden. Namen als: _Aart_, _Fop_,
_Jaap_, _Klaas_, _Krijn_, _Leen_, _Thijs_ enz. getuigen voor eenvoud
van zeden, zij spreken van opene trouwhartigheid; en, kort en krachtig
als ze zijn, verzinlijken ze niet ongeschikt den stevigen grondslag die
landman en werkman altijd voor de maatschappij zijn, en blijven zullen.
Zoo moge dan de Naamlijst, behalve den dienst, dien zij, naar ik
verhoop, bewijzen kan voor eene juiste keuze en gepaste toekenning van
den Heiligennaam, tevens opwekking geven tot nadenken, en vooral tot
het begrip, dat een katholiek vaderlander zorg behoort te hebben om,
naar den eisch van plaats, stand en geslacht, zijn doopnaam te dragen
in beschaafd _Nederlandsch_, van vreemde smetten vrij.
Aan het eind van deze Inleiding mag ik niet nalaten mijnen innigsten
dank te betuigen aan de Zeer Eerw. Heeren der Geestelijkheid die mij
bij dezen arbeid zeer welwillend hulp hebben verleend door aangifte van
gewestelijke vormen der vaderlandsche namen uit Friesland, Zeeland,
Breda, Noord-Brabant, Twente en Limburg, namelijk: Rector J. van den
Dries (Amsterdam), Kapelaan J. H. Laane (Breda), Rector Alf. Meijer
(Oostrum), Pastoor J. H. Scholten (De Steeg). Bij dezen echter moeten
meer bijzonder vermeld worden Kapelaan W. F. A. Overmeer (Zeddam) die,
Fries van geboorte, zich voor de namen zijner moedertaal bijzonder
beijverd heeft, en Rector J. van der Ven (Groesbeek) die bovendien
door een openlijk uitspreken van zijn verlangen naar eene nieuwe
Naamlijst, [20] mij aansporing gaf tot het doorzetten van eenen arbeid,
die, vóór verscheidene jaren aangevat, sedert door omstandigheden
onderbroken werd, doch thans in deze uitgave aan geestelijken en
leeken bescheidenlijk wordt aangeboden.