biedt John C. Raffles persoonlijk aan liefhebbers te koop aan!
Bij het ongeluk in het huis van den Ierschen kapitein McGovern
heeft John C. Raffles eenige tanden verloren! Deze wil hij ten
behoeve van liefdadige doeleinden aan de meestbiedenden door
notaris Smithson, Strand 116, laten verkoopen.
Belangstellenden kunnen zich morgen in den loop van den dag tot
dezen wenden.
„Ziezoo”, sprak Raffles, „je moet deze advertentie aan de kranten
bezorgen en meteen notaris Smithson melden, dat ik hem morgen eenige
van mijn tanden zal sturen, die hij tegen de hoogste prijzen aan
liefhebbers moet verkoopen!—
„Ga verder naar gebroeders Brill, de bekende tandartsen en koop daar
een paar dozijn porceleinen kunsttanden ad 5 pence per stuk. Die moet
je mij brengen. Ik zal ze met een brief aan Smithson zenden.
„Als er zooveel kooplustigen komen als ik vermoed, zal morgen geen
enkele tandarts in Engeland nog kunsttanden in voorraad hebben, want ik
zal ze alle hebben verbruikt”.
Charly Brand barstte los in schaterlachen en sprak: „Edward, je bent en
blijft een genie!”
John Raffles keek hem aan, zonder zijn ernst te verliezen en vroeg:
„Heb je daar ooit aan getwijfeld?”
Daarop verhelderde een glimlach zijn gelaat en hij sprak:
„Ga nu heen, mijn beste, brave jongen en maak dat zaakje met de tanden
eens keurig netjes in orde!
„Ik ben van plan, de mijne terug te gaan halen.”
Kapitein McGovern zat met zijn vrouw en eenige vrienden aan het souper,
toen het nieuwe dienstmeisje hem een visitekaartje bracht met de
woorden:
„Deze heer is van de krant en wenscht u te spreken.”
Onmiddellijk verstomde het gesprek aan de weelderig gedekte tafel.
De kapitein stond op en sprak:
„Breng den journalist hier!”
Toen het dienstmeisje was heengegaan, sprak hij tot zijn gasten,
meerendeels familieleden van zijn vrouw:
„Weest allen zoo vriendelijk, uiterst voorkomend te zijn tegenover
dezen heer, want hij is vertegenwoordiger van de koningin der aarde,
een mensch, die door zijn woorden iemand tot een beroemdheid kan maken.
Hij komt mij waarschijnlijk opnieuw interviewen.”
Allen wachtten in eerbiedig zwijgen, toen de vreemdeling, een elegant
gekleed heer, de eetkamer binnentrad en met een buiging voor de gasten
zich tot den kapitein wendde:
„Ik ben de vertegenwoordiger van de New-York Herald en kreeg bevel van
mijn directie om u, kapitein, te verzoeken, mij de wonderlijke
geschiedenis van uw overwinning over Raffles voor mijn blad te willen
mededeelen. Ik moet nog dezen nacht een kabeltelegram over deze
aangelegenheid verzenden.”
Gestreeld boog de held voor den vreemdeling en begon, wel voor den
honderdsten keer in de laatste twee dagen, zijn opgesmukt verhaal over
den bokserslag en zijn zege over Raffles.
„Ziet gij”, sprak hij, toen zijn verhaal uit was, „hier zijn de tanden!
Een heb ik aan mijn horlogeketting en mijn vrouw heeft den andere aan
haar armband!”
„Mag ik de tanden eens van dichtbij zien?” vroeg de vreemdeling op
bescheiden toon.
Opnieuw boog McGovern gevleid, wendde zich tot zijn vrouw en sprak:
„Geef mij je armband eens, lieve Eulalia!”
„Hier is ze”, sprak zij en gaf hem het zware, gouden sieraad, waaraan
de tand hing, in diamanten gevat.
Daarop haakte de kapitein zijn zwaren gouden horlogeketting, waaraan
het horloge was bevestigd, los en gaf beide dingen aan den vermeenden
verslaggever.
Deze bekeek de tanden nauwkeurig en sprak:
„Ja, het zijn de tanden, ik herken ze!”
„Wat?” riepen alle gasten en de kapitein vroeg:
„Hoe kent gij ze?”
„Wel”, sprak de vreemdeling en zijn stem klonk plotseling hard en
scherp, „ik zal mijn eigen tanden toch wel kennen, maar— —”
Hij zweeg een oogenblik en trok den valschen baard van zijn kin:
„Gij kent mijn bokserslag immers nog wel, kapitein van de Iersche garde
en opdat gij de kranten nog meer berichten kunt zenden, wil ik een als
souvenir achterlaten!
„Tand om tand!” voegde hij er bij, op den kapitein toesnellende. (Zie
het titelblad.)
Zoo bleek als een doode, verstijfd van schrik en niet in staat om een
woord te zeggen, week de kapitein voor Raffles terug.
Als verlamd zaten de gasten om de tafel.
Bliksemsnel, voordat de kapitein zich kon verdedigen, kwam een
geweldige vuistslag neer op het gelaat van McGovern, zoodat zijn valsch
gebit onder de tafel vloog en hij zelf als een meelzak neerviel.
„Tand om tand!” herhaalde John Raffles.
Glimlachend nam de Groote Onbekende het gebit op, maakte een spottende
buiging voor de gasten en sprak:
„Ik zou ook graag een paar tanden als sieraad willen hebben!”
Voordat de gasten tot bezinning waren gekomen, was John Raffles
verdwenen.
Eenige oogenblikken later werd er als dolzinnig om de politie
geschreeuwd en het duurde niet lang of van het politiebureau in
dezelfde straat kwamen eenige agenten het huis binnen.
Verbaasd en hoofdschuddend hoorden zij, wat er gebeurd was.
Weer kwamen de verslaggevers en nu vernamen zij de waarheid en
begrepen, dat de held van de Iersche garde alles gelogen had.
„Ah!” riep de redacteur van de Times, „ik vermoedde al, dat hier iets
was gebeurd. Want een half uur geleden kreeg ik een vreemde
advertentie. Daarin stond, dat John Raffles zijn tanden had
teruggehaald en ze morgen bij notaris Smithson aan den meestbiedende
zou laten verkoopen.”
„Mijn armband heeft hij ook meegenomen!” klaagde de vrouw van den
kapitein.
„En mijn horloge met ketting en de onderscheiding van den koning!”
jammerde McGovern.
Lachend verlieten de beambten van politie en de verslaggevers het huis.
Den volgenden dag lachte geheel Londen en bij notaris Smithson kwamen
honderden personen, wien hij met een goed geweten, op hun vraag naar
tanden van Raffles, kon antwoorden:
„Ja, zij komen uit den mond van den Grooten Onbekende. Hij heeft ze mij
zelf gestuurd— —”
Toen hij dien avond Charly Brand een bedrag overhandigde van 90,000
pond sterling voor 211 verkochte tanden, sprak hij lachend:
„Jammer, dat het laatste dozijn niet vol is geworden!”
John Raffles echter verzond nog dienzelfden nacht het volgende bericht
aan de Engelsche pers:
„Ik heb tanden verkocht en notaris Smithson kon met een gerust geweten
verzekeren, dat ze van mij waren. Het waren er 211! Elk der koopers zal
nu vragen of de tanden werkelijk uit mijn mond kwamen.
„Helaas neen, zulk een grooten mond, die 211 tanden kan bevatten, bezit
alleen kapitein McGovern van de Iersche garde.
„Ik hoop, dat Zijne Majesteit mij voor het feit, de Iersche garde van
zoo’n held van den kouden grond te hebben bevrijd, de onderscheiding
laat behouden, die ik den kapitein heb ontnomen.”
Toen de koning deze nieuwe daad van Raffles las, sprak hij:
„De koningen van Engeland hebben tegenwoordig geen hofnarren!
„Deze gentleman is voor mij en de Engelsche politie meer waard dan de
zes gebochelde hofnarren van koningin Elisabeth en opdat hij zal zien,
dat ik van goede scherts houd en er dankbaar voor ben, dat hij mij van
zulk een officier afhelpt, verleen ik Lord Edward Lister, genaamd John
C. Raffles, de onderscheiding, die hij den gewezen kapitein heeft
afgenomen.”
Toen Baxter dit las en naar zijn leeg knoopsgat keek, sprak hij
zuchtend tot de vloo:
„Marholm, gij hebt gelijk! Als ik niet inspecteur Baxter was, zou ik de
Groote Onbekende, John C. Raffles willen zijn!”